Jurisprudentie Bestuursrecht

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie Bestuursrecht
Datum 18-06-2020
Aflevering 7
RubriekEHRM
TitelEHRM, 12-12-2019, 32141/10
CiteertitelJB 2020/100
SamenvattingTerugvordering van uitkering, Fout van overheidsorgaan, Recht op eigendom, Proportionaliteit.
AnnotatorD.G.J. Sanderink
UitspraakECLI:CE:ECHR:2019:1212JUD003214110
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 07-04-2020
CiteertitelJB 2020/101
SamenvattingProceskostenvergoeding, Criterium, Vergoeding voor redelijkerwijs gemaakte kosten, Beoordelingsvrijheid.
Samenvatting (Bron)Cassatie in het belang van de wet. Aanspraak op proceskostenvergoeding in Wet Mulder zaken. Hof heroverweegt zijn vaste jurisprudentie door aansluiting te zoeken bij regeling van art. 591a Sv i.p.v. bij jurisprudentie van bestuursrechters t.a.v. art. 8:75 Awb. Is s hofs beslissing om voortaan uitsluitend proceskostenvergoeding toe te kennen indien inleidende beschikking a.b.i. art. 13a Wahv wordt vernietigd, juist? T.a.v. proceskostenvergoeding ex art. 13a Wahv komen alleen die kosten voor vergoeding in aanmerking die andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dit het geval is als betrokkene geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Bij het bepalen van het antwoord op de vraag wanneer daarvan sprake is, komt hof een grote mate van beoordelingsvrijheid toe, mede gelet op het eigenstandige karakter van Wahv. Hof heeft als criterium geformuleerd - waarbij het aansluiting heeft gezocht bij de regeling van de vergoeding van kosten ex art. 591 Sv - dat de vraag of betrokkene in het gelijk is gesteld alleen bevestigend is te beantwoorden als inleidende beschikking is vernietigd. Deze maatstaf is in zijn algemeenheid niet juist, omdat daaronder ook situaties kunnen worden gebracht waarin betrokkene materieel wel geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld en de kosten dus in zoverre als regel redelijkerwijs voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen, ook zonder dat inleidende beschikking is vernietigd. In dit verband zij opgemerkt dat voor proceskostenvergoeding ook aanleiding kan bestaan indien bijvoorbeeld het sanctiebedrag lager of op nihil wordt vastgesteld of indien inleidende beschikking wordt gewijzigd wat betreft de omschrijving van de gedraging en de feitcode. Voor gevallen waarin weliswaar de beslissing van Ktr of OvJ wegens het niet of onvoldoende nageleefd zijn van procedurele voorschriften wordt vernietigd, doch onderliggende (boete)beschikking niet, en betrokkene te dien aanzien inhoudelijk in het geheel niet in het gelijk is gesteld, kan - bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van voldoende rechtens te respecteren belang van betrokkene - aanleiding bestaan vergoeding redelijkerwijs achterwege te laten, zoals hof heeft gedaan. Denkbaar is ook dat hof in de aard en ernst van de verzuimen of gebreken die tot vernietiging van beslissing van Ktr of OvJ nopen aanleiding vindt om voor door betrokkene daadwerkelijk gemaakte proceskosten redelijkerwijs enig bedrag t.z.v. (deel van) die kosten toe te kennen. Daarbij zij aangetekend dat hof in deze situaties uit een oogpunt van eenvoud en voorspelbaarheid zou kunnen bepalen voor gelijksoortige gevallen waarin betrokkene daadwerkelijk proceskosten heeft gemaakt (voortaan) bepaald (of op bepaalde wijze te berekenen) bedrag aan vergoeding van die kosten toe te kennen. Hof heeft onjuiste maatstaf gehanteerd. Volgt vernietiging in het belang van de wet.
AnnotatorJ.H. Keinemans
UitspraakECLI:NL:HR:2020:563
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 15-05-2020
CiteertitelJB 2020/102
SamenvattingMeerkosten belastingheffing en -invordering bij opzettelijk doen van onjuiste aangiften, Privaatrechtelijk verhaal, Onaanvaardbare doorkruising publiekrechtelijke regeling.
Samenvatting (Bron)Overheidsprivaatrecht. Kostenverhaal door overheid o.g.v. onrechtmatige daad. Kan de Staat vergoeding vorderen van de meerkosten die hij moet maken ten gevolge van opzettelijk onjuiste belastingaangiften? Onaanvaardbare doorkruising publiekrecht? HR 11 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0788 (Bluskosten Vlissingen).
AnnotatorL.J.M. Timmermans
UitspraakECLI:NL:HR:2020:890
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRaad van State
TitelRaad van State 25-03-2020
CiteertitelJB 2020/103
SamenvattingOplegging gebiedsverbod door voorzitter Veiligheidsregio, Lichte bevelsbevoegdheid, Ernstige vrees voor ontstaan verstoring openbare orde, Noodzakelijkheid oplegging. Misbruik van bevoegdheid.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 23 juni 2017 heeft de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant onder meer aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] een verbod opgelegd om zich gedurende een periode van drie maanden te bevinden binnen een gebied zoals aangegeven op een bij het besluit behorende kaart. Dit gebied omvat het terrein van camping Fort Oranje te Rijsbergen, gemeente Zundert.
AnnotatorM.A.D.W. de Jong
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:866
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 01-04-2020
CiteertitelJB 2020/104
SamenvattingOnrechtmatige verwerking (verstrekking van) persoonsgegevens, Verzoek om schadevergoeding, Toepasselijk recht, Bevoegde rechter, Keuzevrijheid tussen bestuursrechter en burgerlijke rechter, Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel, Concentratie van rechtsbescherming, Hoogte immateriŽle schade.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 13 maart 2018 heeft de minister voor Rechtsbescherming een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen. De directeur van het Pieter Baan Centrum heeft in een tegen hem gerichte klachtprocedure zonder toestemming en buiten medeweten van [appellant] op 15 januari 2018 stukken met medische gegevens over hem verstrekt aan het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. In de verzonden conceptversies van psychologische en psychiatrische onderdelen van Pro Justitia rapportages waren strikt vertrouwelijke persoonsgegevens van [appellant] opgenomen. [appellant] heeft bij brief van 4 februari 2018 bij de minister bezwaar gemaakt tegen het overleggen van de rapportages en verzocht om schadevergoeding.
AnnotatorR.J.N. SchlŲssels
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:898
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 01-04-2020
CiteertitelJB 2020/105
SamenvattingSchadevergoeding, Vaststellingsovereenkomst, Toepasselijkheid art. 8:88 Awb, Absolute competentie, Doorzending.
Samenvatting (Bron)Bij uitspraak van 9 april 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het verzoek van [appellant] om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht. [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Delft zijn een mediationtraject gestart ter beslechting van een geschil over het recht van [appellant] op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, de nabetaling daarvan en de aansprakelijkheid voor kosten als gevolg van de late betaling van de uitkering. Naar aanleiding van dit traject hebben [appellant] en het college een mediationovereenkomst gesloten, die zij in 2010 hebben vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Bij brief van 29 mei 2018, aangevuld bij brief van 28 juni 2018, heeft [appellant] het college verzocht om een schadevergoeding van 1.103,74, wegens materiŽle en immateriŽle schade die hij stelt te hebben geleden door een beslag dat KPN op zijn uitkering heeft gelegd.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:957
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 08-04-2020
CiteertitelJB 2020/106
SamenvattingSluiting van pand voor duur van twaalf maanden, Openbare orde, Bestuurlijke rapportage, -beperkte kennisneming, Fair trial.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 25 oktober 2017 heeft de burgemeester van Utrecht besloten het pand aan de [locatie] te Utrecht met onmiddellijke ingang in zijn geheel te (laten) sluiten voor de duur van twaalf maanden. [appellant] exploiteerde vanuit het pand aan de [locatie] te Utrecht een reisbureau met de naam [bedrijf]. In het pand was tevens een money transfer agentschap gevestigd, waar klanten contant geld over kunnen laten boeken via Western Union naar een andere persoon of bedrijf in binnen- of buitenland. De burgemeester heeft op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 en met gebruikmaking van de Beleidsregel "Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen", besloten tot onmiddellijke sluiting van het pand voor de duur van twaalf maanden. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat het pand naamsbekendheid heeft in het criminele circuit. Het pand wordt in verband gebracht met underground banking en levert een ernstig gevaar op voor de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:1012
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 08-04-2020
CiteertitelJB 2020/107
SamenvattingVerzoek tot handhaving door gemeente, Belanghebbende, Niet tijdig nemen besluit, Beslistermijn, Dwangsom.
Samenvatting (Bron)De gemeente West Maas en Waal heeft bij brief van 16 maart 2020 de minister van Infrastructuur en Waterstaat verzocht bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen wegens vermoedelijke overtreding van onder meer het Besluit bodemkwaliteit ten aanzien van het storten van granuliet in het gebied "Over de Maas". Bij de gemeente is, mede naar aanleiding van berichten in de media en contacten met door haar geraadpleegde deskundigen, ongerustheid ontstaan over de aard van het materiaal. Zij sluit niet uit dat door de aanwezigheid van flocculant in het granuliet acrylamide kan vrijkomen. Deze laatste stof kan volgens de gemeente gevaar voor de volksgezondheid opleveren. Gelet hierop en omdat de gemeente vermoedt dat het storten van het granuliet niet voldoet aan een aantal wettelijke bepalingen, heeft zij de minister gevraagd een besluit te nemen dat strekt tot het nemen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:993
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 15-04-2020
CiteertitelJB 2020/108
SamenvattingMijnbouwschade, Schadevergoeding, Verjaring.
Samenvatting (Bron)Bij besluiten van 16 maart 2017 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat de afzonderlijke verzoeken van [appellanten sub 2] om een schadevergoeding uit het Waarborgfonds mijnbouwschade afgewezen. In hoger beroep is in geschil of en in hoeverre [appellanten sub 2] aanspraak maken op schadevergoeding op grond van artikel 137 van de Mijnbouwwet.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:1056
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 15-04-2020
CiteertitelJB 2020/109
SamenvattingHandhavingsverzoek, Verzoek van belanghebbende, IdeŽle rechtspersoon, Feitelijke werkzaamheden, Soortenbescherming.
Samenvatting (Bron)Bij brief van 9 januari 2018 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan Stichting Leefbaar Buitengebied meegedeeld dat haar verzoek om handhaving niet in behandeling wordt genomen. Stichting Leefbaar Buitengebied heeft het college bij brief van 5 januari 2018 verzocht handhavend op te treden tegen de drijver die schadelijke effecten veroorzaakt op de populatie vleermuizen en roeken wegens de kap van populieren in Almelo op de locatie bekend als locatie Vislust en Hubregtse aan de Schuilenburgsingel en Bieskolksingel. Het college heeft het verzoek om handhaving buiten behandeling gelaten omdat Stichting Leefbaar Buitengebied volgens hem geen belanghebbende is.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:1082
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 15-04-2020
CiteertitelJB 2020/110
SamenvattingSpoedeisende bestuursdwang, Overtreder, Kostenverhaal, Faillissement, Curator, Boedelschulden.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 22 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oldambt aan [appellant] meegedeeld dat het spoedeisende bestuursdwang zal toepassen door hekken te plaatsen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Finsterwolde en dat de kosten daarvan op hem zullen worden verhaald. Het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Finsterwolde was ten tijde van de toepassing van de bestuursdwang eigendom van [bedrijf]. Op 29 mei 2018 heeft de rechtbank het faillissement van [bedrijf] uitgesproken. [appellant] is als curator aangewezen. Nadat door het gedeeltelijk instorten van een gebouw op dit perceel een gevaarlijke situatie ontstond, heeft het college vanwege overtreding van de Woningwet besloten bestuursdwang toe te passen. Dit besluit is geadresseerd aan [appellant]. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar is door het college ongegrond verklaard.
Annotator Redactie
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:1063
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 15-04-2020
CiteertitelJB 2020/111
SamenvattingAfwijzing aanvraag om aanwijzing als hulpverleningsdienst, Appellabel besluit.
Samenvatting (Bron)Bij brief van 14 februari 2018 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister van VWS) een aanvraag van Medical Emergency Transport tot aanwijzing als hulpverleningsdienst als bedoeld in de Regeling optische en geluidssignalen 2009 afgewezen. Bij besluit van 30 oktober 2018 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat het door MET daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. MET verzorgt spoedtransporten en regulier vervoer voor medici en medisch materiaal. De voertuigen van MET zijn uitgerust met optische en geluidssignalen. MET heeft op 21 december 2016 een aanvraag bij de minister van VWS ingediend om als hulpverleningsdienst als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Regeling te worden aangewezen. In de aanvraag is naar voren gebracht dat het MET is toegestaan met voorrangssignalen te rijden volgens een brief van de minister van VWS van 30 oktober 2013, maar dat de positie van MET onduidelijk is voor handhavende instanties,
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:1067
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 22-04-2020
CiteertitelJB 2020/112
SamenvattingRelativiteit.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 2 april 2019 heeft de raad van de gemeente Schagen het bestemmingsplan "[locatie 1] te Callantsoog" vastgesteld. Het plan voorziet in de realisering van een enkele woning op het perceel [locatie 1] te Callantsoog. Het perceel ligt aan de noordoostelijke rand van Callantsoog en had onder het hiervoor geldende plan een tuinbestemming waar hoofdgebouwen niet waren toegestaan. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen in de directe omgeving en kunnen zich niet verenigen met het plan.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:1110
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 22-04-2020
CiteertitelJB 2020/113
SamenvattingBestuurlijke boete, Melding woonfraude, Proportionaliteit boete, Ernst en verwijtbaarheid overtreding, Matiging door rechtbank.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 25 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een bestuurlijke boete opgelegd van 18.000,-. Naar aanleiding van een melding "woonfraude" van 18 oktober 2017, hebben toezichthouders van de gemeente Amsterdam op 8 mei 2018 de woning op het adres [locatie] te Amsterdam bezocht. Uit dit bezoek is gebleken dat daar vijf personen woonden. De vijf personen kenden elkaar niet voordat ze het huurcontract aangingen. De woning heeft een gemeenschappelijke keuken, vijf slaapkamers, een douche en een toilet. Van deze controle is een op ambtsbelofte opgemaakt rapport van 9 mei 2018 opgesteld. Volgens het college hebben [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] de woning omgezet van zelfstandige woonruimte naar onzelfstandige woonruimte.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:1127
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCentrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 12-03-2020
CiteertitelJB 2020/114
SamenvattingBewijslastverdeling.
Samenvatting (Bron)Handhaving weigering Wajong-uitkering. Het Uwv heeft zijn standpunt kunnen baseren op de omstandigheid dat appellant zijn VWO met goede resultaten heeft afgerond en in militaire dienst is geweest, waarbij hij zijn vrachtwagenrijbewijs heeft gehaald. Ook heeft het Uwv het arbeidsverleden van appellant na zijn zeventiende en achttiende jaar van belang kunnen achten. Het enkele feit dat bij de beoordeling in 2000 geen arbeidskundige was betrokken, maakt dit niet anders. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:681
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCentrale Raad van Beroep 25-03-2020
CiteertitelJB 2020/115
SamenvattingSocialezekerheidsrecht, Schadevergoeding, Causaal verband, Bewijslast, ĎEigen keuzeí problematiek.
Samenvatting (Bron)Verzoek om schadevergoeding na tussenuitspraak en nieuwe besluit op bezwaar, waarbij volledig aan bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Bij toetsing gestelde schade wordt aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht, vaste rechtspraak. Bewijs causaal verband ligt bij appellant. Het causaal verband tussen de gestelde schade en de onrechtmatige besluiten, in de zin van een conditio sine qua non-verband, is niet aannemelijk gemaakt. Verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. Uwv veroordeeld in proceskosten.
AnnotatorC.N.J. Kortmann
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:754
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCentrale Raad van Beroep 25-03-2020
CiteertitelJB 2020/116
SamenvattingFraude-onderzoek, Waarnemingen, Wettelijke grondslag, Inbreuk op privťleven.
Samenvatting (Bron)De Raad leidt uit het wettelijk kader af dat het zorgkantoor belast is met de controle van de aan de verzekerde verleende zorg en de besteding van de pgbs en fraudeonderzoek. De Raad is van oordeel dat dit samenstel van bepalingen is aan te merken als een toereikende wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM voor het verrichten van fysieke waarnemingen in het kader van deze taken. Het betoog van betrokkenen dat de vermelde waarnemingen als stelselmatig moeten worden aangemerkt, waarvoor een nauwkeurige wettelijke basis is vereist, volgt de Raad niet. Met de waarnemingen kon geen min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van betrokkenen worden verkregen. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het vermelde samenstel van bepalingen eveneens een toereikende wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM biedt voor het ondersteunende gebruik van de camera bij de waarnemingen. Vervolgens moet de Raad de vraag beantwoorden of de inbreuk op het recht op privťleven voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De hoger beroepen slagen en de aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:768
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCentrale Raad van Beroep 26-03-2020
CiteertitelJB 2020/117
SamenvattingTerugkomen van eerder besluit, FinanciŽle aanspraken vervallen na vijf jaar.
Samenvatting (Bron)Ingangsdatum toekenning Wajong-uitkering. Vijfjarenregel. Geen bijzondere omstandigheden. Proceskostenveroordeling.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:811
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCentrale Raad van Beroep 31-03-2020
CiteertitelJB 2020/118
SamenvattingDringende redenen om van terugvordering af te zien.
Samenvatting (Bron)De psychische gesteldheid van appellante ten tijde van het bestreden besluit is reden om geheel van terugvordering af te zien.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:832
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCentrale Raad van Beroep 16-04-2020
CiteertitelJB 2020/119
SamenvattingBuitenwettelijk begunstigend beleid, Toetsingsmaatstaf bestuursrechter.
Samenvatting (Bron)Gelet op de achtergrond van de Uitkeringsregeling Backpay deelt de Raad niet het standpunt van appellant dat op de Nederlandse Staat in juridische zin de verplichting rust tot betaling van de tijdens de Japanse bezetting niet uitbetaalde salarissen. Dit volgt ook niet uit de hiervoor vermelde volledige naam van de Uitkeringsregeling Backpay. De Uitkeringsregeling Backpay vindt geen grondslag in enig wettelijk voorschrift en heeft daarmee het karakter van buitenwettelijk, begunstigend beleid. Beperkte rechterlijke toetsing. De Raad stelt vast dat de minister de aanvraag van appellant in overeenstemming met het in de Uitkeringsregeling Backpay neergelegde beleid heeft afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de belanghebbende - de grootvader van appellant, [naam grootvader] - op 15 augustus 2015 in leven was. Beleid minister is redelijk, vaste rechtspraak en er is verder geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zijn beleid niet consistent heeft toegepast. Geen aanleiding voor een meer indringende toetsingsmaatstaf nu sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid. Van schending van fundamentele rechten, in het bijzonder een schending van het discriminatieverbod, is in dit geval geen sprake. Geen aanleiding om, zoals namens appellant is verzocht, prejudicieel advies in te winnen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Ook de stelling dat een belangenafweging op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb had moeten plaatsvinden, wordt niet gevolgd.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:964
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 14-04-2020
CiteertitelJB 2020/120
SamenvattingVerzet.
Samenvatting (Bron)Verzet gegrond.
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:249
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 21-04-2020
CiteertitelJB 2020/121
SamenvattingBevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, Besluiten op grond van de AVG.
Samenvatting (Bron)Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Voor besluiten van de Kamer van Koophandel op grond van de AVG is niet het College maar de rechtbank (met hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak) bevoegd. Kennelijke omissie wetgever. Wetshistorische en wetssystematische motivering College. Onbevoegdverklaring College en doorzending aan bevoegde rechtbank.
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:297
Artikel aanvragenVia Praktizijn