Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 08-10-2020
Aflevering 34
RubriekVooraf
TitelComplottheorieën
CiteertitelNJB 2020/2299
SamenvattingAls het waar is dat de heftigste complottheorieën samenhangen met angstgevoelens, gevoelens van onrecht, zich stelselmatig genegeerd of zelfs vermorzeld voelen, dan is het zaak om de aanhangers van dergelijke theorieën niet te behandelen als zotten of in algemene zin systematisch te negeren.
Auteur(s)C.E. Drion
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelDe angst voor bange bestuurders ontrafeld
CiteertitelNJB 2020/2300
SamenvattingHet zogenoemde bange bestuurders-argument vormt de hoeksteen voor een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime voor bestuurders. Dit argument komt erop neer, dat (te) veel aansprakelijkheid ertoe leidt dat bonafide bestuurders zich in onwenselijke mate risicomijdend zullen gedragen, en daarom zou voor bestuurders een hogere aansprakelijkheidsdrempel nodig zijn. In deze bijdrage wordt het bange bestuurders-argument ontrafeld, om te bezien of dit wel kan rechtvaardigen dat bestuurders jegens derden aanvullend worden beschermd tegen aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Daarbij worden de aannames die ten grondslag liggen aan het bange bestuurders-argument tegen het licht gehouden.
Auteur(s)T.R. Bleeker
LinkVolledige tekst artikel (UU.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPraktijk
TitelAandachtspunten bij het gebruik van de videoconferentie in civiele procedures
CiteertitelNJB 2020/2301
SamenvattingDe videoconferentie wordt al geruime tijd besproken in de civielrechtelijke literatuur. Desondanks blijft het gebruik van dit middel door de Nederlandse burgerlijke rechter beperkt, zeker wanneer men dit beziet vanuit een rechtsvergelijkend perspectief. In dit artikel bespreekt de auteur daarom hoe de videoconferentie zich verhoudt tot de andere methoden op basis waarvan de civiele rechter een persoon op afstand kan horen. Ook gaat hij in op verschillende redenen die de terughoudendheid onder Nederlandse civiele rechters kunnen verklaren. Tot slot presenteert de auteur een aantal punten waarmee rechters rekening dienen te houden, indien zij een videoconferentie willen gelasten.
Auteur(s)R. Jansen
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelEinde van het papieren plafond?
CiteertitelNJB 2020/2302
SamenvattingMet de Tijdelijke Noodwet Covid-19 erkent de Nederlandse wetgever dat meer zaken digitaal zullen moeten worden afgehandeld. Het civiele rechtsverkeer komt er echter bekaaid van af. Nog steeds trekt de wet papier voor en stelt zij digitaal zakendoen achter. Desondanks verdringt het digitaal zakelijk verkeer het fysieke verkeer. Zaken doet men in deze tijden massaal online. Contracten worden op afstand gesloten, besprekingen worden via (video)telefoon gehouden, documenten worden gemaild. Tot enorme problemen lijkt dit in de praktijk niet te leiden, maar juridisch zijn er wel degelijk onzekerheden, met name ten aanzien van rechtsgevolgen. Geeft corona de wetgever dan eindelijk het zetje om het papieren plafond te doorbreken? De Tijdelijke Noodwet COVID-19 geeft gemengde signalen.
Auteur(s)P.G. van der Putt , P. Polter
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelReactie op het artikel van Tom Cammelbeeck ‘De Tweede Kamer en de minister moeten de lokale democratie respecteren’ (NJB 2020/1810, afl. 28)
CiteertitelNJB 2020/2303
SamenvattingIn zijn artikel ‘De corona-verordeningen zijn onverbindend’ (website ‘Verderdenken.nl’ van CPO RU) heeft Hennekens de Wet veiligheidsregio’s een staatsrechtelijk krot genoemd. Het artikel van Tom Cammelbeeck vormt voor de schrijver aanleiding na te gaan of zijn standpunt juist is dat de Tweede Kamer en de minister de lokale democratie moeten respecteren in het huidige kader van de Wet veiligheidsregio’s.
Auteur(s)H.Ph.J.A.M. Hennekens
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekNaschrift
TitelNaschrift
CiteertitelNJB 2020/2304
SamenvattingIn zijn eerdere artikel ‘De Tweede Kamer en de minister moeten de lokale democratie respecteren’ (NJB 2020/1810, afl. 28) heeft de schrijver zijn visie gegeven op het wettelijk stelsel van het eenhoofdig bovenlokaal gezag, met als aanleiding de antiracismedemonstratie in Amsterdam. Dat die demonstratie in coronatijd plaatsvond was voor mijn beschouwing alleen relevant omdat toen onduidelijkheden aan het licht kwamen. Volgens Cammelbeeck heeft de reactie van de heer Hennekens op dat artikel een ander vertrekpunt.
Auteur(s)T.D. Cammelbeeck
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 14-05-2020, 24720/13
CiteertitelNJB 2020/2305
SamenvattingMensenrechten. Ontruiming woonwagenkamp. Hirtu en anderen/Frankrijk
UitspraakECLI:CE:ECHR:2020:0514JUD002472013
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelEHRM, 00-00-0000, 0/00
CiteertitelNJB 2020/2306
SamenvattingMensenrechten. Reisdocumenten. Afgewezen visa-aanvraag. M.N. e.a./België
UitspraakECLI:CE:ECHR:2020:0505DEC000359918
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 25-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2307
SamenvattingTimeshare-overeenkomsten Sint-Maarten.
Samenvatting (Bron)Caribische zaak. Huurrecht. Concordantiebeginsel. Timeshare-overeenkomsten. Is art. 7:226 BWSM ("koop breekt geen huur") ook van toepassing wanneer sprake is van eigendomsoverdracht door een ander dan de verhuurder? Anticipatie mogelijk op Ontwerp Timeshare Ordinance? Is de verkrijger die niet de verhuurder is, gehouden de gebruiksrechten van de timeshare-nemers te eerbiedigen?
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1499
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 25-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2308
SamenvattingOverheidsaansprakelijkheid voor vernietigde besluiten.
Samenvatting (Bron)Overheidsprivaatrecht. Besluitaansprakelijkheid. Causaal verband. Vernietiging exploitatievergunning op beroep van concurrent wegens gebrek in verordening waarop de vergunning berust. Stelplicht en bewijslast condicio sine qua non-verband. Mogelijkheden tot afwijking hiervan.
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1510
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 25-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2309
SamenvattingVordering tot schadevergoeding van gewezen verdachte op de grond dat van zijn onschuld is gebleken. Prejudiciële vragen.
Samenvatting (Bron)Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Vordering tot schadevergoeding van gewezen verdachte op grond dat van zijn onschuld is gebleken. Is het gebleken onschuld-criterium in strijd met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM?
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1526
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 25-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2310
SamenvattingZorgmachtiging.
Samenvatting (Bron)Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Zorgmachtiging. Kan ambulante verplichte zorg gecombineerd worden met voorwaardelijke verplichte zorg bestaande in opname in een accommodatie? Is nieuwe medische verklaring vereist als de zorgverantwoordelijke tijdens de geldigheidsduur van de zorgmachtiging besluit betrokkene te doen opnemen in een accomodatie?
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1508
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 25-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2311
SamenvattingZitting in coronatijd.
Samenvatting (Bron)Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Machtiging tot voortzetting crisismaatregel (art. 7:8 Wvggz). Beperkingen vanwege COVID-19. Mocht psychiater bij zijn onderzoek volstaan met telefonisch contact met betrokkene? Mocht de rechtbank het verzoek telefonisch behandelen? Art. 5 EVRM; art. 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid.
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1509
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 25-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2312
SamenvattingYukos. Bevoegdheidsincident.
Samenvatting (Bron)Arbitrage. Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis. Art. 1066 (oud) Rv. Bevoegde rechter m.b.t. verzoek tot schorsing arbitraal vonnis, resp. tot zekerheidsstelling, hangende cassatieberoep.
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1511
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 22-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2313
SamenvattingSeksueel binnendringen van het lichaam.
Samenvatting (Bron)Seksueel binnendringen bij toentertijd 21-jarige vrouw die door nuttigen van grote hoeveelheid alcoholgebruik in staat van lichamelijke onmacht verkeert, art. 243 Sr. 1. Bewijsklachten. Verkeerde aangeefster in staat van lichamelijke onmacht en had verdachte daarvan wetenschap? 2. Onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen iPhone, waarop seksfoto’s en -filmpjes zijn opgeslagen die verdachte van aangeefster heeft gemaakt toen zij in onmachtige toestand naakt op bed lag, art. 36c.2 en 36c.3 Sr. Is telefoon vatbaar voor onttrekking aan het verkeer op de grond dat niet tlgd. feit van art. 139f (oud) Sr met behulp van die telefoon is begaan? Ad 1. Oordeel hof dat uit bewijsvoering kan worden afgeleid dat aangeefster heeft verkeerd in toestand van lichamelijke onmacht door nuttigen van grote hoeveelheid alcohol, en dat verdachte van die toestand weet had, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Aan begrijpelijkheid oordeel hof dat aangeefster heeft verkeerd in toestand van lichamelijke onmacht doet niet af dat hof ook vaststellingen heeft gedaan die het “passend” acht “bij staat van verminderd bewustzijn”. Ad 2. In gevallen waarin onttrekking aan het verkeer wordt bevolen bij rechterlijke uitspraak a.b.i. art. 36b.1.1, 36b.1.2 en 36b.1.3 Sr, wordt met ‘feit’ in art. 36c Sr gedoeld op rechterlijke uitspraak over een ex art. 261 Sv tlgd. feit (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BG3504). Oordeel hof dat iPhone vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer omdat “met behulp daarvan door verdachte het strafbare feit a.b.i. art. 139f.1 Sr is begaan”, geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting. Nu geen van de aan verdachte tlgd. feiten is toegesneden op art. 139f.1 (oud) Sr, heeft hof miskend wat hiervoor is overwogen en onjuiste uitleg gegeven aan term ’voorwerp met betrekking tot welke, of met behulp van welke, het feit is begaan’ a.b.i. art. 36c.2 en 36c.3 Sr. Volgt partiële vernietiging t.a.v. onttrekking aan het verkeer (zonder terugwijzing).
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1457
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 22-09-2020
CiteertitelNJB 2020/23
SamenvattingUnus testis, nullus testis.
Samenvatting (Bron)Medeplegen poging tot afpersing, art. 317 Sr. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangever voldoende steun in waarneming van moeder van aangever? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452 m.b.t. bewijsminimum van art. 342.2 Sv. Hof heeft naast de verklaring van aangever waarin hij o.m. verklaart op 25 januari 2014 hard tegen gezicht te zijn geslagen door verdachte, voor bewijs gebruikt de verklaring van moeder van aangever, inhoudende o.m. de waarneming van blauw-geel gekleurd oog bij aangever op 25 januari 2014. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat voor bewijs gebruikte verklaring van aangever onvoldoende steun vindt in overig bewijsmateriaal. Van schending van art. 342.2 Sv is daarom geen sprake. Volgt verwerping. Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1459
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 22-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2314
SamenvattingUnus testis, nullus testis.
Samenvatting (Bron)Medeplegen poging tot afpersing, art. 317 Sr. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangever voldoende steun in waarneming van moeder van aangever? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452 m.b.t. bewijsminimum van art. 342.2 Sv. Hof heeft naast de verklaring van aangever waarin hij o.m. verklaart op 25 januari 2014 hard tegen gezicht te zijn geslagen door verdachte, voor bewijs gebruikt de verklaring van moeder van aangever, inhoudende o.m. de waarneming van blauw-geel gekleurd oog bij aangever op 25 januari 2014. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat voor bewijs gebruikte verklaring van aangever onvoldoende steun vindt in overig bewijsmateriaal. Van schending van art. 342.2 Sv is daarom geen sprake. Volgt verwerping. Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1459
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 22-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2315
SamenvattingOproeping van in het buitenland verblijvende verdachte.
Samenvatting (Bron)Uitkeringsfraude, art. 227b Sr. Betekening oproeping nadere tz. in h.b. Achterhaald adres verdachte in buitenland? Had oproeping ex art. 588.2 (oud) Sv moeten worden verzonden naar adres van verdachte in Ghana, hoewel niet gemachtigde raadsman op eerdere tz. heeft medegedeeld dat verdachte daar niet meer woont? Oproeping nadere tz. in h.b. is uitgereikt aan griffier omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was en verzonden naar 2 adressen in Nederland, terwijl ID-staten SKDB inhouden dat adres van verdachte adres in Ghana is, waarna verdachte bij verstek is veroordeeld. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163 m.b.t. betekening i.g.v. adres van verdachte in het buitenland. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit ID-staten SKDB kan worden afgeleid dat van verdachte t.t.v. betekening van oproeping om te verschijnen op nadere tz. in h.b. adres in Ghana bekend was en niet blijkt dat oproeping ex art. 588.2 (oud) Sv is verzonden naar dit adres in het buitenland, is ’s hofs oordeel dat oproeping rechtsgeldig is betekend, niet toereikend gemotiveerd. Enkele omstandigheid dat niet-gemachtigde raadsman van verdachte op eerdere ttz. in h.b. heeft medegedeeld dat adres van verdachte in Ghana niet meer actueel is en dat verdachte niet meer op dat adres in Ghana hoeft te worden opgeroepen, doet daaraan niet af. HR verklaart oproeping nadere tz. in h.b. nietig. CAG: Middel slaagt, omdat voor nadere tz. ten onrechte oproeping i.p.v. appeldagvaarding is uitgegaan.
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1466
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 22-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2316
SamenvattingUitreiking dagvaarding.
Samenvatting (Bron)Beschadiging taxi, art. 350.1 Sr. 1. Betekening dagvaarding in h.b. bij in Nederland verblijvende vreemdeling. Heeft hof nagelaten te onderzoeken of verdachte verbleef in accommodatie bestemd voor tijdelijke opvang van vreemdelingen? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. Appeldagvaarding is uitgereikt aan griffier, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, waarna verdachte bij verstek is veroordeeld. O.g.v. art. 588.1.3 Sv, dat in deze zaak van toepassing is, wordt dagvaarding uitgereikt aan griffier indien geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in BRP en er ook geen feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van feitelijke woon- of verblijfplaats kan echter o.m. niet worden aangenomen, indien ernstig vermoeden bestaat dat verdachte een vreemdeling is die o.g.v. art. 2.6.1 Wet BRP jo. art. 21.1.f Besluit BRP niet in aanmerking komt voor inschrijving als ingezetene in BRP en niet d.m.v. voor OM toegankelijk registratiesysteem is onderzocht of hij verblijft in een door Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen. Indien bij dat onderzoek verblijfplaats in zo’n accommodatie aan het licht komt, moet die worden aangemerkt als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD5163). Uit art. 2.6.1 Wet BRP jo. art. 21.1.f Besluit BRP volgt dat vreemdeling die geen toelating heeft tot Nederland en verblijft in een door Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen, gedurende eerste zes maanden van verblijf in Nederland niet in aanmerking komt voor inschrijving in BRP. Hof heeft geoordeeld dat dagvaarding geldig is betekend. Daarbij heeft hof kennelijk geoordeeld dat niet hiervoor bedoeld ernstig vermoeden bestond. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Omstandigheid dat ID-staat SKDB V-nummer (vreemdelingennummer) van verdachte vermeldt en inhoudt dat verdachte geen verblijfstitel (meer) heeft, biedt onvoldoende grond voor dat ernstige vermoeden, in aanmerking genomen dat uit stukken van geding moet worden afgeleid dat verdachte t.t.v. van betekening van appeldagvaarding al langer dan zes maanden in Nederland verbleef. HR merkt op dat art. 588 (oud) Sv bij gedeeltelijke inwerkingtreding op 1-1-2020 van Wet USB is vervangen door art. 36e Sv. Met die wijziging is in art. 588.1.b.3 (oud) Sv voorgeschreven uitreiking aan griffier indien geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in BRP en ook geen feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, vervallen. Dat heeft in hiervoor overwogene geen wijziging gebracht. Indien thans hiervoor beschreven ernstig vermoeden bestaat, kan niet worden aangenomen dat geen uitreiking o.g.v. art. 36e.1.b.2 Sv heeft kunnen plaatsvinden vanwege onbekendheid van feitelijke woon- of verblijfplaats, als niet hiervoor bedoeld onderzoek heeft plaatsgevonden. Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichtingen opgelegd om aan Staat t.b.v. in arrest genoemde slachtoffer in arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest telkens genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1461
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 22-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2317
SamenvattingRedelijke termijn in cassatiefase.
Samenvatting (Bron)Medeplegen diefstal met geweld, art. 312.2.2 Sr. Redelijke termijn in cassatiefase is enige klacht die overblijft na intrekking ander middel. Voldoende belang verdachte? Middel klaagt terecht dat in cassatiefase redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door hof zijn ingezonden. Bovendien doet HR uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na instellen van cassatieberoep. Nu verzuim waarop ander cassatiemiddel zich richtte, na indiening van cassatieschriftuur is hersteld en dat als gevolg daarvan dit cassatiemiddel door verdachte is ingetrokken, is naar oordeel van HR i.c. geen sprake van situatie a.b.i. ECLI:NL:HR:2012:BX0146. Daarin heeft HR overwogen dat verdachte niet met succes kan klagen over overschrijding van redelijke termijn in cassatiefase indien verdachte kennelijk geen (cassatie)klachten heeft over bestreden uitspraak noch over behandeling van zaak door feitenrechter en hij tot op zekere hoogte door eigen proceshouding langer dan redelijk is onder dreiging van (verdere) strafvervolging moet leven. HR vermindert opgelegde taakstraf.
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1458
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 22-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2318
SamenvattingGrondslag voor een herziening./
Samenvatting (Bron)Herziening. Oplichting, meermalen gepleegd (art. 326 Sr) en zonder daartoe gerechtigd zijn titel van advocaat voeren, meermalen gepleegd (art. 436 Sr) door, zich valselijk voordoend als advocaat, rechtszaken van vreemdelingenrechtelijke aard aan te nemen en zich daarvoor te laten betalen. 1. Eisen waaraan aanvraag tot herziening moet voldoen. 2. Aangevoerd wordt dat aanvrager zou zijn vrijgesproken indien hof met “bovenvermelde f&o en ontlastende bewijsstukken” bekend zou zijn geweest. Art. 457.1.c Sv. 3. Aangevoerd wordt voorts dat in 2019 soortgelijk feit als feiten die hof heeft bewezenverklaard (periode 2010-2013) wegens niet-strafbaarheid daarvan is geseponeerd nadat aanvrager diverse stukken i.v.m. verleende rechtsbijstand had overgelegd. Art. 457.1.c Sv. Ad 1. Ex art. 460.2 Sv moet aanvraag gronden vermelden waarop deze berust. Aanvraag zal dus naar behoren gemotiveerd dienen te zijn. Alleen herzieningsaanvraag die aan deze motiveringseis voldoet, kan in behandeling worden genomen. Aanvraag die onvoldoende is gemotiveerd, is niet aanvraag als in wet bedoeld. Dit betekent dat indien aanvraag een beroep doet op met stukken onderbouwd gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv, (a) aanvraag een nauwkeurige omschrijving moet bevatten van dit gegeven (novum) en dat dus niet kan worden volstaan met verwijzing naar bijgevoegde stukken waaruit zo’n novum zou moeten blijken; (b) aanvraag de redenen moet vermelden waarom novum tot één van genoemde beslissingen zou hebben kunnen leiden; (c) aanvraag, indien deze ertoe strekt bewijsvoering aan te tasten, met voldoende precisie moet uiteenzetten (i) waarom bepaald onderdeel van bij aanvraag gevoegde stukken leidt tot ernstige twijfel aan juistheid van nauwkeurig aangeduid gedeelte van bewijsvoering, en (ii) waarom dat leidt tot ernstig vermoeden dat onderzoek van zaak, als dat gegeven toen bekend was geweest, zou hebben geleid tot vrijspraak. Alleen indien aanvraag aan deze eisen voldoet, kan HR beoordelen of aanvraag gegrond is. Ad 2. In aanvraag wordt kennelijk verwezen naar hetgeen in aanvraag is gesteld onder 1 t/m 6. Die rubrieken bevatten evenwel veelheid van bezwaren tegen ’s hofs arrest zonder dat wordt aangegeven met welke van die bezwaren hof ttz. al dan niet bekend was en zonder dat bezwaren met stukken zijn onderbouwd. In zoverre voldoet aanvraag niet aan eisen. Ad 3. Nu uit de bij aanvraag gevoegde uitnodiging van aanvrager voor politieverhoor en sepotmededeling echter niet meer kan worden opgemaakt dan dat aanvrager wegens niet-strafbaarheid van “fraude gepleegd op 20-12-2017 te Leiden” niet verder wordt vervolgd, voldoet aanvraag ook in zoverre niet aan eisen. Aanvraag n-o. Vervolg op 16/06326 (niet gepubliceerd, art. 80a RO).
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1451
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 25-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2319
SamenvattingRechtsvinding.
Samenvatting (Bron)Invordering; art. 33 Invorderingswet 1990. Aansprakelijkstelling gewezen bestuurder vof.
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1502
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 18-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2320
SamenvattingInkomsten uit tijdelijke verhuur.
Samenvatting (Bron)Artikel 3.111, lid 1 en lid 7, art. 3.113 Wet IB 2001. Eigenwoningregeling. Tijdelijke verhuur van aanhorigheid bij eigen woning.
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1448
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 18-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2321
SamenvattingDigitaal procederen.
Samenvatting (Bron)Digitaal procederen voor beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht (bestreden uitspraak op of na 15 april 2020 bekend gemaakt). Cassatieberoep per fax ingesteld. Verzuim niet hersteld. Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard (artikel 8:36a, lid 5, Awb).
UitspraakECLI:NL:HR:2020:1418
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 19-08-2020
CiteertitelNJB 2020/2322
SamenvattingLeerplichtwet.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 26 juni 2018 heeft de directeur het verzoek van [appellant] om verlof te verlenen voor zijn minderjarige dochters voor de periode van 22 oktober 2018 tot en met 2 november 2018, geweigerd. [appellant] exploiteert als eigenaar een sportshop in surfartikelen en badkleding in Domburg, een surfschool in Domburg en een watersportcentrum op camping De Paardenkreek in Kortgene. Omdat hij volgens hem wegens piekdrukte in zijn ondernemingen niet in de reguliere schoolvakanties op vakantie kan, wil hij buiten de schoolvakanties om met het gezin op vakantie. Om zijn dochters buiten de schoolvakanties mee te mogen nemen op vakantie, heeft hij toestemming nodig van de directeur van de school van zijn dochters. De directeur heeft die toestemming geweigerd en daar is [appellant] het mee oneens.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:2007
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 26-08-2020
CiteertitelNJB 2020/2323
SamenvattingPlanschadevergoeding.
Samenvatting (Bron)Bij afzonderlijke besluiten van 20 november 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oirschot aanvragen van [appellant A] en anderen om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. [appellant A] en anderen zijn de eigenaren van de woningen met bijbehorende ondergrond aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te Oirschot. Op 1 juni 2017 hebben zij afzonderlijk bij het college aanvragen ingediend om een tegemoetkoming in planschade in verband met de inwerkingtreding van het bij raadsbesluit van 20 december 2016 vastgestelde bestemmingsplan Lubberstraat fase II. Dit bestemmingsplan is de juridische grondslag voor woningbouw op een in de buurt van de percelen van [appellant A] en anderen gelegen gebied (hierna: het plangebied). [appellant A] en anderen stellen zich op het standpunt dat dit heeft geleid tot een waardevermindering van de woningen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:2030
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 26-08-2020
CiteertitelNJB 2020/2324
SamenvattingHinder van wegreconstructie.
Samenvatting (Bron)Bij tussenuitspraak van 30 oktober 2019 heeft de Afdeling de minister van Infrastructuur en Waterstaat opgedragen om binnen dertien weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van de overwegingen ervan het gebrek in het besluit van 5 oktober 2017 te herstellen en [appellante] en de Afdeling de uitkomst mee te delen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:2051
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 09-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2325
SamenvattingVerloop van besluitvorming over raadsvoorstel.
Samenvatting (Bron)Bij tussenuitspraak van 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:373, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Waalwijk opgedragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 11 oktober 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herziening centrumplan Waalwijk" te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 5 februari 2020, kort gezegd, overwogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat het plan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig is. De eerder voorziene doorsteek op de locatie, die met het voorliggende plan wordt wegbestemd, acht de raad immers nog steeds wenselijk, terwijl niet draagkrachtig is gemotiveerd dat het plan voor die doorsteek niet uitgevoerd kan worden. Daarom is het voorliggende plan in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vastgesteld. De raad is daarom opgedragen het voorliggende plan alsnog deugdelijk te motiveren, dan wel een ander besluit te nemen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:2179
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State 30-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2326
SamenvattingIn artikel 26 van de Awir is terugvordering niet imperatief voorgeschreven.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 13 april 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over de periode van 1 januari 2017 tot en met 8 oktober 2017 herzien en vastgesteld op een bedrag van € 4.739,00. De Afdeling heeft in de tussen partijen gewezen uitspraak van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1204, geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2017 bij besluit van 22 mei 2017, gehandhaafd bij het besluit van 8 juli 2017, heeft vastgesteld op een bedrag van € 6.832,00. De uren die [appellante] heeft besteed aan een postmaster opleiding zijn volgens de Afdeling terecht niet meegerekend. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2017 hierna verder verlaagd.
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:2324
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 17-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2327
SamenvattingNabestaandenuitkering.
Samenvatting (Bron)Anw-nabestaandenuitkering terecht geweigerd. Postmortale inseminatie. Geen sprake van schending van de in artikel 14 van het EVRM en de andere genoemde verdragsartikelen opgenomen discriminatieverboden. Niet gebleken dat met de weigering om een nabestaandenuitkering toe te kennen een inmenging heeft plaatsgevonden in het gezinsleven van appellante. De wetgever heeft, afgezien van de uitzondering in artikel 14, derde lid, van de Anw, voor situaties waarin de arbeidsgeschikte nabestaande op het moment van overlijden van de verzekerde geen zorgplicht heeft voor zijn kind, geen recht op nabestaandenuitkering willen doen ontstaan, ongeacht de oorzaak van het ontbreken van die zorgplicht.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:2215
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCentrale Raad van Beroep 17-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2328
SamenvattingGeen rechtstreeks beroep op basis van ILO-conventie 102.
Samenvatting (Bron)Niet in geschil is dat op grond van de toepasselijke nationale wettelijke bepalingen de pensioenpremies die door de voormalige werkgever van appellant zijn ingehouden buiten de berekening van het dagloon voor de WW dienen te worden gelaten. De Raad volgt de rechtbank in haar overweging dat deze wettelijke bepalingen en de strekking daarvan duidelijk zijn. De beroepsgrond slaagt dan ook niet. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op het Verdrag 102 betreffende minimum-normen van sociale zekerheid van 28 juni 1952 (ILO-conventie 102). De Raad wijst er in de eerste plaats op dat ILO-conventie 102 een instructiekarakter draagt en gericht is aan de verdragsluitende partijen, wat doorgaans in de weg zal staan aan de mogelijkheid van het inroepen van een rechtens afdwingbare aanspraak op een concrete prestatie in een individueel geval. Appellant kan dus geen rechtstreeks beroep doen op de bepalingen inzake werkloosheid in ILO-conventie 102. Het beroep op het EVRM kan niet slagen. Niet is gebleken dat er sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Het hoger beroep slaagt niet.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:2216
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCentrale Raad van Beroep 23-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2329
SamenvattingBeoordeling op grond van Wet WIA.
Samenvatting (Bron)Voor de vraag of betrokkene met ingang van 3 maart 2016 aanspraak kan maken op een WIA-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid is allereerst van belang dat die datum is gelegen binnen vijf jaar na 28 november 2011 en 17 december 2015. Het Uwv wordt niet gevolgd in het standpunt dat, gelet op de mogelijke toepasselijkheid van artikel 57 van de Wet WIA aan artikel 55 van die wet geen betekenis meer kan toekomen. Het Uwv heeft – naast het ten onrechte buiten beschouwing laten van een beoordeling op grond van artikel 55 van de Wet WIA – bij de beoordeling op grond van artikel 57 van de Wet WIA ten onrechte een vergelijking gemaakt tussen de klachten van betrokkene op 3 maart 2016 en de klachten van betrokkene op 17 december 2015, de datum waarop de WIA-uitkering is beëindigd. Het Uwv had voor de vraag of sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid per 3 maart 2016 de beperkingen, zoals opgenomen in de FML van 25 augustus 2015, moeten vergelijken met de beperkingen van betrokkene per 3 maart 2016 en daarna of sprake is van een zelfde ziekteoorzaak, op grond waarvan de WIA-uitkering, die is toegekend van 2 juli 2015 tot 17 december 2015, is genoten. Het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep achteraf heeft geconcludeerd dat deze ziekteoorzaak ten onrechte aan de WIA-uitkering ten grondslag heeft gelegen, doet niet af aan het feit dat de WIA-uitkering op grond van deze ziekteoorzaak is toegekend.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:2220
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 22-09-2020
CiteertitelNJB 2020/2330
SamenvattingElektriciteitswet 1998.
Samenvatting (Bron)Artikel 23, derde lid, E-wet Aansluitplicht Aansluitingen < 10 MVA 18 weken termijn Wetsuitleg
UitspraakECLI:NL:CBB:2020:649
Artikel aanvragenVia Praktizijn