Gemeentestem

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Gemeentestem
Datum 01-12-2020
Aflevering 7514
RubriekRedactioneel
TitelDe noodzaak van noodwetgeving …
CiteertitelGst. 2020/142
SamenvattingDe noodverordening is echter niet geschikt om een langdurige virusuitbraak te bestrijden. De verordeningen laten bovendien geen afwijking van de Grondwet toe (vgl. de verbazingwekkende mondkapjesdiscussie). Het is daarom zeer verstandig de noodverordeningen te vervangen door een wet in formele zin. Die weg is gevolgd. De Tijdelijke wet maatregelen COVID-19 (de ‘Coronawet’, niet te verwarren met de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) voorziet in een stelsel van gelede normstelling. Deze wet biedt ook een basis voor het verplichten van mondkapjes.
Auteur(s)R.J.N. Schlössels
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelOnopzettelijk en toch opzettelijk
CiteertitelGst. 2020/143
SamenvattingIn de bestuurswetenschap geldt de vergunning als een veelzijdig instrument waarmee een activiteit kan worden gecontroleerd die in beginsel niet onaanvaardbaar is, maar waaraan eventueel voorwaarden moeten kunnen worden verbonden. Een ontheffing onderscheidt zich van de vergunning in die zin dat bij een vergunning het niet de intentie is om de voorgenomen activiteit te verbieden, maar om te reguleren, terwijl bij een ontheffing het uitgangspunt is dat de activiteit wordt verboden, maar dat in bijzondere situaties van dit uitgangspunt onder voorwaarden kan worden afgeweken. Bij de ontheffing is sprake van een hogere gunfactor dan bij de vergunning; reden om zuinig te zijn met deze rechtsfiguur. Voor zowel de vergunning als de ontheffing geldt het legaliteitsvereiste, dus een wettelijke grondslag.
Auteur(s)J.W. van Zundert
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelDe Omgevingswet als olifant in de porseleinkast: over haar verhouding tot gemeentelijke autonome regelgeving
CiteertitelGst. 2020/144
SamenvattingOp het eerste gezicht past de Omgevingswet in een trend van grootschalige decentralisaties aan gemeenten. Zij zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wmo 2015, ook wel aangeduid als het sociaal domein. De Omgevingswet betreft het fysieke domein en beoogt te bewerkstelligen dat afwegingen omtrent de fysieke leefomgeving (ruimtelijke ordening, natuur, bodem, lucht, geluid) vooral op gemeentelijk niveau worden gemaakt. Het beginsel dat wat decentraal kan, decentraal moet (subsidiariteitsbeginsel) is expliciet verankerd in de wet.
Auteur(s)M.A.D.W. de Jong , J.L.W. Broeksteeg
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelDe Omgevingswet: (bijna-)afschaffing van de autonome verordeningsbevoegdheid en andere redenen om deze wet niet in te voeren
CiteertitelGst. 2020/145
SamenvattingWist u al dat het de bedoeling is dat de autonome regelgevende bevoegdheid binnenkort nagenoeg geheel wordt afgeschaft, zonder dat de Grondwet daartoe wordt herzien? Dat zou een consequentie zijn van de Omgevingswet en het daarop gebaseerde Omgevingsbesluit, als die in werking treden.
Auteur(s)J.M.H.F. Teunissen
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelRaad van State 30-09-2020
CiteertitelGst. 2020/146
SamenvattingExtern salderen: inzet 70% is te hoog. Reductie van de depositie na toepassing van extern salderen is, zoals provinciale staten terecht stellen, geen voorwaarde om extern salderen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling te betrekken.
Samenvatting (Bron)Bij uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3836, heeft de Afdeling provinciale staten van Noord-Brabant opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 15 juli 2016 tot vaststelling van het inpassingsplan "Logistiek Park Moerdijk" te herstellen.De Afdeling heeft over het beroep van SBBM en VMM in 11.1 van de tussenuitspraak geoordeeld dat het inpassingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, omdat bij de vaststelling van het inpassingsplan niet kon worden verwezen naar de passende beoordeling die ten grondslag lag aan het Programma Aanpak Stikstof. Verder heeft de Afdeling overwogen dat de nieuwe passende beoordeling die provinciale staten in 2017 na de vaststelling van het inpassingsplan hebben laten opstellen geen aanleiding geeft tot het in stand laten van de rechtsgevolgen.
AnnotatorS.D.P. Kole
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:2318
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelRaad van State 19-08-2020
CiteertitelGst. 2020/147
SamenvattingLast onder dwangsom. Vervoer inbrekerswerktuigen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 18 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer een dwangsom van 2.500,- bij [wederpartij] ingevorderd. De politie heeft op 8 januari 2017 om 03.48 uur een melding gekregen dat bij Fietshandel Berger te Hoofddorp glasgerinkel was gehoord. De politie ging naar de opgegeven plaats en constateerde om 04:15 uur dat in de bosjes een breekijzer en zwarte handschoenen lagen. Volgens de politie behoorden deze toe aan [wederpartij] en heeft zij hem daarom aangehouden op verdenking van poging tot inbraak. Hiervan is op 8 januari 2017 een op ambtsbelofte getekend proces-verbaal opgemaakt. Bij besluit van 9 februari 2017 heeft het college vanwege deze feiten aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd. Deze last houdt in dat hij op een openbare plaats geen inbrekerswerktuigen mag vervoeren of bij zich mag hebben. Dat is verboden op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 2017 van de gemeente Haarlemmermeer.
AnnotatorW.P. Adriaanse
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:2001
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelRaad van State 22-07-2020
CiteertitelGst. 2020/148
SamenvattingBestemmingsregeling evident in strijd met hogere regeling? Voor evidentie is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 7 november 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad [appellante] gelast te voorkomen dat er een (overdekte) vrijmarkt plaatsvindt in het bedrijfspand aan de [locatie 1] in Veghel. [appellante] is eigenaar van het pand op het perceel, waar in het verleden een bouwmarkt was gevestigd. Ingevolge het geldende bestemmingsplan "Veghel-West, herstelplan [locatie 1] en [locatie 2]" rust op het perceel de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel-bouwmarkt". Binnen deze bestemming is alleen detailhandel in de vorm van een bouwmarkt en productiegebonden detailhandel toegestaan. Op 6 en 7 oktober 2017 hebben toezichthouders van de gemeente een controle uitgevoerd op het perceel. Bij de controle op 7 oktober 2017 is gebleken dat in het pand een vrijmarkt plaatsvond. Het gebruik van het pand voor detailhandel in de vorm van een vrijmarkt is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan. Voor dit gebruik is geen vergunning verleend.
AnnotatorS.T.J. Olierook , F.A.R. van Vlijmen
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:1751
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelRaad van State 15-07-2020
CiteertitelGst. 2020/149
SamenvattingNadeelcompensatie en planschade afgewezen. Planologische situatie niet verslechterd.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 16 augustus 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland [appellante] een vergoeding van 20.434,00 als nadeelcompensatie voor het jaar 2012 toegekend en een aanvraag om tegemoetkoming in planschade afgewezen. Het geschil tussen partijen gaat over de hoogte van de toegekende nadeelcompensatie en de afwijzing van de aanvraag om tegemoetkoming in planschade. Op 13 april 2012 heeft [appellante] een aanvraag ingediend om nadeelcompensatie en tegemoetkoming in planschade in verband met de herontwikkeling van het Raadhuisplein. Volgens het college is de planologische situatie voor [appellante] niet verslechterd. De bereikbaarheid van het bedrijfspand is niet verminderd en de parkeervoorzieningen zijn eerder verbeterd dan verslechterd.
AnnotatorH.M. van Velsen , C. Lagerweij
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:1669
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelRaad van State 10-06-2020
CiteertitelGst. 2020/150
SamenvattingSinterklaas. Op grond van Wet openbare manifestaties mag bij vrees voor wanordelijkheden het recht tot betoging worden beperkt.
Samenvatting (Bron)De beslissing van 11 november 2016 heeft de burgemeester na overleg met de lokale driehoek genomen en houdt in een verbod om op 12 november 2016 tussen 6:00 uur en 18:00 uur in het centrum een betoging en/of samenkomst te houden in verband met de intocht van Sinterklaas. Daarnaast heeft de burgemeester meerdere aanwijzingen gegeven aan een ieder die een betoging of samenkomst wil houden in verband met de intocht van Sinterklaas, waaronder de aanwijzing dit niet te doen in het centrum van Rotterdam. Aanleiding voor dit verbod en de aanwijzingen is dat volgens de burgemeester uit informatie is gebleken dat linksgeoriënteerde partijen op 12 november 2016 naar Rotterdam wilden komen om tijdens de intocht van Sinterklaas in het centrum van Rotterdam actie te voeren, terwijl de burgemeester van die linksgeoriënteerde partijen geen kennisgeving voor een betoging of samenkomst heeft ontvangen.
AnnotatorB.J.P.G. Roozendaal , M. Buitenhuis
LinkVolledige tekst annotatie (AKD.eu)
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:1361
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelCentrale Raad van Beroep 17-06-2020
CiteertitelGst. 2020/151
SamenvattingInlichtingenplicht WW geschonden,
Samenvatting (Bron)Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. Met de rechtbank en onder verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank die aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd wordt geoordeeld dat appellante de op haar rustende inlichtingenplicht van artikel 25 van de WW heeft geschonden, zodat het Uwv op grond van artikel 22a en artikel 36 van de WW verplicht was om de uitkering te herzien en in te trekken en de te veel ontvangen uitkering terug te vorderen. Ook het oordeel van de rechtbank dat er in dit geval geen sprake is van een dringende reden om van herziening, intrekking en terugvordering af te zien, wordt onderschreven. Geen aanleiding bepaalde artikelen van de WW buiten toepassing te laten. Van bijzondere omstandigheden geen sprake. Van de aan appellante gestuurde brieven kan objectief bezien niet worden gezegd dat daarvan een zodanige druk tot antwoorden uitgaat, dat materieel sprake was van een verhoor. De cautieplicht gold dan ook niet toen het Uwv met de brieven van 11 en 25 juli 2017 om informatie verzocht. Zoals het Uwv in hoger beroep heeft bepleit, dient de boete te worden vastgesteld op 1.040,-. Dat is in dit geval passend en geboden.
AnnotatorH. Pennarts
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:1259
Artikel aanvragenVia Praktizijn