AB Rechtspraak Bestuursrecht

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift AB Rechtspraak Bestuursrecht
Datum 09-04-2021
Aflevering 15
RubriekHof van Justitie van de Europese Unie
TitelHof van Justitie van de Europese Unie 17-12-2020, C-336/19
CiteertitelAB 2021/113
SamenvattingVrijheid om godsdienst te belijden. Gedifferentieerde behandeling ten aanzien van het ritueel slachten en het doden van dieren bij de jacht, de visvangst en culturele of sportieve activiteiten.
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 december 2020.#Centraal Isra?litisch Consistorie van Belgi? e.a. e.a. tegen LI e.a.#Prejudici?le verwijzing - Bescherming van dieren bij het doden - Verordening (EG) nr. 1099/2009 - Artikel 4, lid 1 - Verplichting om dieren v??r het doden te bedwelmen - Artikel 4, lid 4 - Uitzondering voor rituele slachtingen - Artikel 26, lid 2 - Mogelijkheid voor de lidstaten om nationale voorschriften vast te stellen om dieren uitgebreider te beschermen bij rituele slachtingen - Uitlegging - Nationale regeling waarbij voor rituele slachtingen omkeerbare bedwelming wordt opgelegd die niet tot de dood kan leiden - Artikel 13 VWEU - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 10 - Vrijheid van godsdienst - Vrijheid om zijn godsdienst te belijden - Beperking - Evenredigheid - Geen consensus tussen de lidstaten van de Europese Unie - Beoordelingsmarge van de lidstaten - Subsidiariteitsbeginsel - Geldigheid - Gedifferentieerde behandeling ten aanzien van het ritueel slachten en het doden van dieren bij de jacht, de visvangst en culturele of sportieve activiteiten - Geen discriminatie - Artikelen 20, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten.#Zaak C-336/19.
AnnotatorP.B.C.D.F. van Sasse van IJsselt
UitspraakECLI:EU:C:2020:1031
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
TitelRaad van State 24-02-2021
CiteertitelAB 2021/114
SamenvattingWob. AFM. Rentederivaten.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 20 december 2018 heeft de Stichting Autoriteit FinanciŽle Markten het verzoek van [appellante] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur afgewezen. De AFM heeft in 2013 vastgesteld dat verschillende banken bij het adviseren over en het aangaan van rentederivaten de belangen van MKB-klanten onvoldoende in acht hebben genomen. Vervolgens bleken eind 2015 de herbeoordelingen door de banken ook onder de maat. Op advies van de AFM is daarom begin 2016 de zogenoemde Derivatencommissie, bestaande uit drie deskundigen, aangesteld om een herstelkader overeen te komen met de banken. De Derivatencommissie heeft vervolgens het "Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB" vastgesteld. In het Uniform Herstelkader is opgenomen dat de deelnemende banken een coulancevergoeding aanbieden aan de MKB-klanten die binnen het bereik van het Herstelkader vallen.
AnnotatorP.J. Stolk
UitspraakECLI:NL:RVS:2021:391
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
TitelRaad van State 18-11-2020
CiteertitelAB 2021/115
SamenvattingOvertreding van artikel 25, eerste lid, van de Drank- en Horecawet?
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 4 september 2018 heeft de burgemeester Breda Nightflight gelast het gebruik van het pand Nijverheidssingel 311 in Breda met ingang van 12 september 2018 gedurende ťťn maand te staken en gestaakt te houden. Breda Nightflight is een hostel dat wordt geŽxploiteerd door [gemachtigde]. Zij heeft een aantal kleine kamers en twee grotere waar vaak groepen verblijven. In ťťn van die grotere kamers hebben inspecteurs op 23 juni 2018 gesloten flessen en blikjes zwak- en sterk-alcoholhoudende drank gevonden. De burgemeester vindt dit een overtreding van artikel 25, eerste lid, van de Drank- en Horecawet. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 25, eerste lid, van de DHW alleen wordt overtreden als de gevonden alcoholhoudende drank toebehoort aan degene die de ruimte voor het publiek geopend houdt. Dat was in dit geval niet het geval, omdat de drank door de gasten van Breda Nightflight was meegebracht. De burgemeester komt in hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank.
AnnotatorW.S. Zorg , Z. Farafonow
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:2742
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCentrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 01-02-2021
CiteertitelAB 2021/116
SamenvattingWIA. WGA-uitkering ten onrechte beŽindigd.
Samenvatting (Bron)WGA-uitkering ten onrechte beŽindigd. Uit de medische rapporten wordt vastgesteld dat in een periode van ongeveer drie-en-een-halve maand en op basis van vergelijkbare medische informatie met eenzelfde ziekteoorzaak, de ene arts van het Uwv appellante met ingang van 16 oktober 2017 belastbaar heeft geacht voor een normale werkweek van 8 uur per dag, 40 uur per week en de andere arts haar met ingang van 1 februari 2018 slechts belastbaar heeft geacht voor 4 uur per dag, 20 uur per week. Nu niet verwacht kan worden dat het Uwv deugdelijk kan onderbouwen dat appellante voor de periode van drie-en-een-halve-maand minder dan 35% arbeidsongeschikt is, zal het besluit van 15 augustus 2017 worden herroepen en wordt bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
AnnotatorA.C. Hendriks
UitspraakECLI:NL:CRVB:2021:224
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCentrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 29-12-2020
CiteertitelAB 2021/117
SamenvattingBijstand. E-mailbericht waarin staat dat een tweejarige hbo-opleiding met behoud van bijstand geen algemeen geaccepteerde arbeid is, die passend is om in het eigen levensonderhoud te voorzien, is niet gericht op rechtsgevolg, en dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Samenvatting (Bron)Procesbelang. Besluitbegrip. Ontbreken rechtsgevolg. Geen wettelijke grondslag voor weigeren toestemming volgen opleiding. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Appellante had procesbelang bij een beoordeling van de weigering van de toestemming voor het volgen van een opleiding. Dat appellante ten tijde van de aangevallen uitspraak tijdelijk was ontheven van de arbeidsverplichtingen, betekent niet dat wat zij wilde bereiken (ook na de ontheffing haar opleiding kunnen voortzetten) geen feitelijke betekenis had. Het e-mailbericht waarin staat dat een tweejarige hbo-opleiding met behoud van bijstand geen algemeen geaccepteerde arbeid is, die passend is om in het eigen levensonderhoud te voorzien, is niet gericht op rechtsgevolg, en dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het dagelijks bestuur was niet bevoegd om appellante op grond van artikel 10, eerste lid, van de PW, de Verordening, en de Beleidsregels toestemming te weigeren voor het (ver)volgen van een zelf gekozen en bekostigde opleiding.
AnnotatorL.J.A. Damen
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:3543
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCentrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 22-12-2020
CiteertitelAB 2021/118
SamenvattingBijstand. Appellanten hebben tijdens een gesprek een verklaring tot het intrekken van hun aanvraag om bijstand ondertekend. De schriftelijke bevestiging van die intrekking heeft geen rechtsgevolg, en is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.
Samenvatting (Bron)Appellanten hebben tijdens een gesprek een verklaring tot het intrekken van hun aanvraag om bijstand ondertekend. De schriftelijke bevestiging van die intrekking heeft geen rechtsgevolg, en is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Ook als het college de gemachtigde van appellanten had moeten uitnodigen voor het gesprek waarin de aanvraag is ingetrokken, kunnen appellanten aan de intrekking worden gehouden. De Raad verklaart zich onbevoegd ter zake het verzoek om schadevergoeding, omdat appellanten aan dat verzoek niet een in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb genoemde oorzaak ten grondslag hebben gelegd.
AnnotatorL.J.A. Damen
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:3522
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCentrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 07-12-2020
CiteertitelAB 2021/119
SamenvattingAOW. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing moet een gelegd beslag als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter dient zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag.
Samenvatting (Bron)Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter dient zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Mede gelet op het feit dat de rechtbank Amsterdam in de uitspraak reeds een instemmend oordeel heeft gegeven over de wijze van uitvoering van het beslag, bestaat er voor de Raad vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de Svb niet is gebleven binnen het kader van het beslag. De Svb heeft echter nagelaten het document in het geding te brengen waarmee door de gemeente Kerkrade op 9 augustus 2007 beslag is gelegd en niet ter zitting kunnen overleggen. Bij gebreke daarvan kan de voorzieningenrechter niet definitief vaststellen of de Svb bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. De aangevallen uitspraak zal naar verwachting in de bodemprocedure weliswaar niet in stand kunnen blijven, maar dat daarna de uiteindelijke uitkomst van de procedure niet aanmerkelijk anders zal zijn. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
AnnotatorL.J.A. Damen
UitspraakECLI:NL:CRVB:2020:3077
Artikel aanvragenVia Praktizijn