Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 05-05-2021
Aflevering 18
RubriekVooraf
TitelDe overheid behoeft de besten, maar krijgt zij die nog wel?
CiteertitelNJB 2021/1319
SamenvattingDe overheid behoeft de besten; zij moet aantrekken en opkweken de bekwaamsten onder de jongeren; haar mensen moeten het in kennis maar ook in levenshouding en beschaving kunnen opnemen tegen de leidende figuren uit de maatschappij; het zou noodlottig zijn voor de publieke zaak, zo de overheid zich tevreden zou stellen met degenen, die elders niet aan de slag konden komen of mislukten.í (C.H.F. Polak 1957, geciteerd in NJB 2018/1044)
Auteur(s)T. Barkhuysen
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelDe legitimiteit van het algoritmisch bestuur: Een systematisch overzicht van bedreigingen en oplossingsrichtingen
CiteertitelNJB 2021/1320
SamenvattingHet gebruik van algoritmen door overheden leidt tot rechtsstatelijke zorgen die variŽren van het risico op discriminatie tot aantasting van de trias politica. Het juridisch, ethisch en sociaalwetenschappelijk onderzoek naar deze zorgen heeft geleid tot een rijk Ė maar ook gefragmenteerd Ė palet aan relevante inzichten. Dit artikel biedt een systematisch overzicht van wat het gebruik van algoritmen door de overheid betekent voor de legitimiteit van het staatsbestuur.
Auteur(s)A. Meijer , S. Grimmelikhuijsen , M. Bovens
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelHet EVRM als anker om een nieuwe toeslagenaffaire te voorkomen
CiteertitelNJB 2021/1321
SamenvattingHad een adequate toetsing aan het EVRM de toeslagenaffaire deels kunnen voorkomen door de spijkerharde alles-of-niets-benadering aan banden te leggen? Dit artikel beantwoordt deze vraag bevestigend door te betogen dat verschillende EVRM-bepalingen een verdragsrechtelijke basis bieden om de proportionaliteit van een dergelijke benadering te toetsen.
Auteur(s)A.A. al Khatib , T. Linders
LinkVolledige tekst artikel (Stibbe.com)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelDe Catshuisregeling voor de kinderopvangtoeslagaffaire oftewel wťťr systeemfalen
CiteertitelNJB 2021/1322
SamenvattingDe Catshuisregeling voor gedupeerde ouders van de kinderopvangtoeslagaffaire stemt in het geheel niet positief. De doelstelling, een snelle genoegdoening, is voor het merendeel van de ouders buiten bereik.
Auteur(s)J. van de Bunt
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPraktijk
TitelRaadsleden, wethouders en ambtenaren: Pas op voor een toeslagenaffaire in het sociaal domein!
CiteertitelNJB 2021/1323
SamenvattingIn de manier waarop raadsleden, wethouders en ambtenaren omgaan met resultaatgericht indiceren, de inkomenstoets jeugdhulp en het abonnementstarief ontwaart de cynicus een patroon. Die stelt dat financiŽle belangen van de eigen gemeentelijke organisatie voorrang krijgen boven de belangen van kwetsbare burgers.
Auteur(s)T. Robbe
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 07-07-2020, 5294/14
CiteertitelNJB 2021/1324
SamenvattingImpact on individual shareholders of legislation putting banks under central supervising authorities and resulting in significant loss of their operational autonomy. Case of Albert and others v. Hungary.
UitspraakECLI:CE:ECHR:2020:0707JUD000529414
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 21-01-2021, 38263/08
CiteertitelNJB 2021/1325
SamenvattingJurisdiction not established during the active phase of hostilities. Case of Georgia v. Russia (II).
UitspraakECLI:CE:ECHR:2021:0121JUD003826308
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 16-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1326
SamenvattingKoopovereenkomst registergoed.
Samenvatting (Bron)Overeenkomstenrecht. Koopovereenkomst registergoed. Gelijktijdige uitvoering wederzijdse verplichtingen koper en verkoper. Art. 7:26 lid 3 BW. Art. 25 Wet op het Notarisambt. Taak notaris en functie kwaliteitsrekening. Mag de notaris de op de kwaliteitsrekening gestorte koopsom aan de verkoper uitbetalen indien bij de narecherche is vastgesteld dat de levering vrij en onbezwaard heeft plaatsgevonden, maar tegen het moment van uitbetaling aan de notaris is gebleken dat geen eigendomsoverdracht is bewerkstelligd? Vgl. HR 30 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4140 (Baarns beslag).
UitspraakECLI:NL:HR:2021:588
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 16-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1327
SamenvattingGeschil over vraag wie eigenaar is van de echtelijke woning.
Samenvatting (Bron)Gevoegde zaken 19/05481 en 19/05489. Procesrecht. Huwelijksvermogensrecht. Cassatieberoep van de ene partij tegen deelbeschikking; klachten tegen eindbeschikkingdeel? Geldt voor ontvankelijkheid van op dezelfde dag ingesteld zelfstandig cassatieberoep van de andere partij hetzelfde als bij incidenteel cassatieberoep (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7705)? Geschil over vraag wie eigenaar is van de echtelijke woning. Veroordeling tot betaling gebruiksvergoeding voor voortgezet gebruik echtelijke woning na echtscheiding; is die veroordeling onvoorwaardelijk? HR vraagt nadere conclusie A-G in de zaak 19/05489.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:584
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 16-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1328
SamenvattingVernietiging ontslag en herstel arbeidsovereenkomst?
Samenvatting (Bron)Arbeidsrecht. Art. 7:678 BW. Ontslag op staande voet. Vernietiging ontslag en herstel arbeidsovereenkomst? Dringende reden voor werkgever? Aard en ernst gedrag werknemer; ongeoorloofde afwezigheid? Handelwijze werkgever. HR 12 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2849.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:596
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 16-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1329
SamenvattingTerugbetalingsverplichting alimentatiegerechtigde?
Samenvatting (Bron)Alimentatie. Terugbetaling van te veel ontvangen kinderalimentatie? Moet gebruiksvergoeding voor voormalige echtelijke woning worden betrokken bij bepaling van behoefte? Betekenis van exploitatielasten van buitenlandse woning bij bepaling van behoefte. Indexering van partneralimentatie. Grenzen van de rechtsstrijd.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:594
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 16-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1330
SamenvattingKinderalimentatie.
Samenvatting (Bron)Familierecht. Kinderalimentatie. Kan bij berekening draagkracht van onderhoudsplichtige worden uitgegaan van forfaitaire woonlast?
UitspraakECLI:NL:HR:2021:586
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 13-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1331
SamenvattingHeeft hof ten onrechte geen keuze gemaakt tussen gewoon witwassen en gewoon schuldwitwassen?
Samenvatting (Bron)(Eenvoudig) (schuld)witwassen van mapje met pasjes, art. 420bis lid 1 onder b, 420bis.1, 420quater lid 1 onder b en 420quater.1 Sr. Heeft hof ten onrechte geen keuze gemaakt tussen gewoon witwassen en gewoon schuldwitwassen? HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2016:2842 m.b.t. onderscheid tussen eenvoudig (schuld)witwassen en gewoon (schuld)witwassen en uit ECLI:NL:HR:2011:BO6691 m.b.t. voorwaarden waaronder alternatieve tll. toelaatbaar is. In tll. zijn 4 alternatieven omschreven: witwassen, eenvoudig witwassen, schuldwitwassen dan wel eenvoudig schuldwitwassen. Door bewezen te verklaren dat voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf (en niet uit enig eigen misdrijf) en dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk (en niet uitsluitend onmiddellijk) afkomstig waren uit enig misdrijf, heeft hof in bewezenverklaring keuze gemaakt tussen eenvoudig (schuld)witwassen en gewoon (schuld)witwassen. Maar door in het midden te laten of verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig waren, heeft hof in bewezenverklaring geen keuze gemaakt tussen gewoon witwassen en gewoon schuldwitwassen. Die keuze had niet achterwege mogen blijven, omdat in art. 420bis Sr tegen gewoon witwassen bedreigde gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaren hoger is dan in art. 420quater Sr op gewoon schuldwitwassen gestelde gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaren. Volgt partiŽle vernietiging (t.a.v. feit 2 en strafoplegging) en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:569
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 13-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1332
SamenvattingAanhoudingsverzoek gemachtigde raadsman.
Samenvatting (Bron)Medeplichtigheid aan bedrijfsmatige hennepteelt (art. 3.B jo. art. 11.3 Opiumwet) en witwassen van geld afkomstig uit crimineel circuit (art. 420bis.1.b Sr). Aanhoudingsverzoek gemachtigde raadsman ttz. in h.b. op de grond dat verdachte voorafgaand aan tz. aanwezig was in openbare ruimte voor zittingszaal, hij opeens naar buiten is gegaan omdat hij frisse lucht nodig had en hij na terugkeer heeft medegedeeld dat het echt niet meer ging, door hof afgewezen met overweging dat niet aannemelijk is dat verdachte niet ttz. kon verschijnen, nu verdachte op tijd aanwezig was in paleis van justitie en niet is gebleken wat er precies met hem aan de hand was en waarom hij is vertrokken. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2020:1896 m.b.t. beoordelingskader aanhoudingsverzoeken. Aan aanhoudingsverzoek is omstandigheid ten grondslag gelegd dat verdachte, die tijdig voor zitting aanwezig was in gerechtsgebouw, enige tijd naar buiten is gegaan omdat hij frisse lucht nodig had en vervolgens tegen raadsman heeft gezegd dat het echt niet meer ging. Hof heeft aanhoudingsverzoek afgewezen omdat het niet aannemelijk achtte dat verdachte niet ttz. kon verschijnen, nu hij op tijd in gerechtsgebouw aanwezig was en niet is gebleken wat precies met hem aan de hand was en waarom hij vertrokken is. Daarin ligt als s hofs oordeel besloten dat omstandigheid die aan aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk, in aanmerking genomen dat aanhoudingsverzoek een omstandigheid betreft die zich kennelijk onverwacht aandiende en hof niet gelegenheid heeft geboden (al dan niet na korte onderbreking van onderzoek ttz.) verzoek nader te onderbouwen. Hof heeft daarnaast ook niet blijk gegeven van belangenafweging die (als ervan zou worden uitgegaan dat aan aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheid juist is) afwijzing van verzoek kan dragen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:567
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 13-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1333
SamenvattingKon hof bij strafoplegging betrekken dat verdachte het bij herhaling voor elkaar krijgt op deze manier bij justitie in beeld te geraken?
Samenvatting (Bron)Medeplegen nachtelijke woninginbraak (art. 311.1 Sr). Strafmotivering (gevangenisstraf van 4 maanden), verwijzing naar niet tenlastegelegde feiten. Kon hof bij strafoplegging betrekken dat verdachte het bij herhaling voor elkaar krijgt op deze manier bij justitie in beeld te geraken? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BM9968 en ECLI:NL:HR:2017:2391 m.b.t. voorwaarden waaronder bij strafoplegging rekening kan worden gehouden met niet tlgd. feit. Hof heeft in strafmotivering als relevante omstandigheid benoemd dat verdachte het bij herhaling voor elkaar krijgt (...) bij justitie in beeld te geraken. Daarbij heeft hof acht geslagen op eerdere onherroepelijke veroordelingen en daarnaast in aanmerking genomen dat verdachte inmiddels opnieuw bij justitie in beeld [is] wegens (mogelijke) betrokkenheid bij soortgelijke delicten. Hof heeft daarmee feiten in strafmotivering betrokken waarvoor verdachte op het moment waarop hof arrest wees, niet onherroepelijk was veroordeeld. Strafmotivering voldoet in zoverre niet aan eisen die daaraan worden gesteld. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Hof heeft immers tevens overwogen dat het deze nieuwe verdenkingen op zichzelf niet in strafverzwarende zin laat meewerken. Daarin ligt als s hofs niet onbegrijpelijke oordeel besloten dat eerdere onherroepelijke veroordelingen zelfstandig aanleiding geven tot strafverzwaring. Volgt verwerping. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:566
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 13-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1334
SamenvattingKon hof zonder instemming van verdachte gebruik maken van verouderd PBC-rapport met TBS-advies, terwijl nieuw PBC-rapport geen TBS-advies bevat?
Samenvatting (Bron)Bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285.1 Sr), mishandeling (art. 300 Sr), vernieling, meermalen gepleegd (art. 350.1 Sr) en belaging (art. 285b Sr) gericht tegen ex-vriendin van verdachte en haar vader. Oplegging TBS met dwangverpleging, art. 37 (oud) en 37a (oud) Sr. 1. Overige adviezen en rapporten over persoonlijkheid van verdachte a.b.i. art. 37a.4 (oud) Sr. Kon hof zonder instemming van verdachte gebruik maken van verouderd PBC-rapport met TBS-advies, terwijl nieuw PBC-rapport geen TBS-advies bevat? 2. omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BF3162 m.b.t. oplegging TBS zonder daartoe strekkend advies van deskundige. Opvatting dat hof bij zijn beslissing tot oplegging van TBS een advies dat eerder dan een jaar voor aanvang van tz. in h.b. is gedagtekend niet zonder instemming van verdachte mag gebruiken als overige adviezen en rapporten die over persoonlijkheid van verdachte zijn uitgebracht in de zin van art. 37a.4 (oud) Sr en dat eerder advies bovendien niet mag worden gevolgd indien het wezenlijk afwijkt van advies dat wel aan actualiteitsvereiste van art. 37.2 (oud) Sr voldoet, vindt mede gelet op tekst van art. 37 (oud) Sr en 37a (oud) Sr en wat hiervoor is vooropgesteld geen steun in het recht. Beslissing tot oplegging TBS is toereikend is gemotiveerd, in aanmerking genomen dat hof zich heeft aangesloten bij conclusies van PBC-rapport uit 2016 en daarbij niet onbegrijpelijk heeft uiteengezet waarom het niet conclusies in PBC-rapport uit 2018 heeft gevolgd. Ad 2. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:575
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 13-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1335
SamenvattingHeeft hof ten onrechte geoordeeld dat een geschorst bevel bewaring van rechtswege eindigt op dag na vonnis van rechtbank?
Samenvatting (Bron)OM-cassatie tegen beschikking hof waarbij AG bij het hof n-o is verklaard in zijn vorderingen om de schorsing van een bevel tot bewaring op te heffen en vervolgens de gevangenhouding te bevelen. Middel klaagt dat (1) hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een geschorst bevel bewaring van rechtswege eindigt op dag na vonnis van rechtbank en (2) over oordeel hof dat wet geen rechtsingang biedt om gevangenhouding te gelasten in het geval dat verdachte zich in bewaring bevindt na aantekening van beroep tegen einduitspraak. HR: Ad 1. Over beŽindiging van voorlopige hechtenis i.v.m. einduitspraak in eerste aanleg bepaalt wet slechts dat rechtbank een bevel tot voorlopige hechtenis, dus ook een geschorst bevel tot bewaring, dient op te heffen in de gevallen a.b.i. art. 72.3 en 4 Sv. Oordeel hof dat een geschorst bevel tot bewaring als zodanig van rechtswege eindigt op dag na vonnis, strookt daarmee niet. Ad 2. Uit wettelijk stelsel vloeit als uitgangspunt voort dat na het instellen van h.b. de hoger beroepsrechter bevoegde instantie is m.b.t. beslissingen over voorlopige hechtenis, dus ook over opheffing van een schorsing van de bewaring. Art. 75.1 Sv bepaalt, in overeenstemming met zojuist genoemde uitgangspunt, dat bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel de verlenging daarvan na aantekening van beroep tegen einduitspraak worden gegeven door rechter in hoogste feitelijke aanleg. Uit deze bepaling volgt daarom dat rechter in hoogste feitelijke aanleg een bevel gevangenhouding kan geven, ook in het uitzonderlijke geval dat een verdachte zich in dit stadium in bewaring bevindt. Omstandigheid dat art. 75.1 Sv niet art. 65.1 Sv van overeenkomstige toepassing verklaart, maakt dit niet anders. In geval bewaring van verdachte is geschorst, heft hof deze schorsing op alvorens het bevel tot gevangenhouding te geven, omdat uit art. 65.1 Sv volgt dat alleen van een verdachte die zich in bewaring bevindt de gevangenhouding kan worden bevolen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:516
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1336
SamenvattingIs voldaan aan de eisen gesteld in richtlijn betreffende het recht op informatie in strafprocedures en art. 6 EVRM, zodat zich geen vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv heeft voorgedaan in relatie tot het informeren van verdachte over de redenen voor zijn aanhouding en het feit waarvan hij werd verdacht?
Samenvatting (Bron)Omkoping van ambtenaar (rijexaminator in dienst CBR) met als doel kandidaten van rijschool van verdachte te laten slagen voor rijexamen (meermalen gepleegd), art. 177.1 Sr. Is verdachte voldoende geÔnformeerd over redenen voor zijn aanhouding en feit waarvan hij wordt verdacht? Hof heeft geoordeeld dat is voldaan aan eisen gesteld in Richtlijn2012/13/EU betreffende recht op informatie in strafprocedures en art. 6 EVRM en dat zich daarom geen vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv heeft voorgedaan in relatie tot informeren van verdachte over redenen voor zijn aanhouding en feit waarvan hij werd verdacht. Hoewel t.t.v. aanhouding van verdachte implementatietermijn van Richtlijn was verstreken maar art. 27c.1 Sv waarin dit informatierecht is geÔmplementeerd pas op 1-1-2015 in werking is getreden, heeft hof zaak terecht beoordeeld met inachtneming van Richtlijn, omdat art. 6 Richtlijn onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is. HR geeft inhoud en strekking van Richtlijn weer en overweegt dat de in art. 6.2 Richtlijn bedoelde informatie over redenen voor aanhouding en over feit van verdenking op het moment van verstrekking nog globaal van aard mag zijn maar dat dit niet wegneemt dat het verdachte en zijn raadsman vrijstaat verzoek te doen aanvullende informatie te verstrekken of nadere toelichting te verschaffen over redenen voor aanhouding en/of feit waarvan hij wordt verdacht. In het geval dat niet kan worden vastgesteld dat de aan verdachte bij zijn aanhouding verstrekte informatie hem redelijkerwijze in staat stelde te begrijpen van welk concreet strafbaar feit hij wordt verdacht, volgt daaruit op zichzelf nog niet dat uitoefening van recht op consultatiebijstand en/of verhoorbijstand is beperkt. Dit geldt in gelijke mate voor het op 1-1-2015 in werking getreden art. 27c.1 Sv. s Hofs oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv getuigt, gelet op wat is vooropgesteld, niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Enkele omstandigheid dat in p-v van aanhouding is volstaan met het vermelden van artikelnummer maakt dit niet anders gelet op overige door hof vastgestelde f&o. HR merkt op dat het aanbeveling kan verdienen in p-v van aanhouding de aan verdachte medegedeelde reden van aanhouding precies te vermelden. Daarbij zal enkele mededeling van artikelnummer doorgaans niet erg informatief zijn, terwijl wettelijke of gangbare kwalificatie onder omstandigheden wel informatief kan zijn. Volgt verwerping. Samenhang met 20/00051 P (niet gepubliceerd, art. 81.1 RO).
UitspraakECLI:NL:HR:2021:593
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1337
SamenvattingNemo tenetur. Opsporingsambtenaar komt bij verdachte aan de deur om hem te herinneren aan zijn betalingsverplichting, voortvloeiende uit eerdere veroordeling en dat bij niet-betaling aanhouding dreigt. Verdachte overhandigt de opsporingsambtenaar een cash geldbedrag, waarna hij uiteindelijk wordt vervolgd en veroordeeld wegens witwassen.
Samenvatting (Bron)Witwassen door geldbedrag ( 15.000) te overhandigen aan opsporingsambtenaar, die bij verdachte aan de deur komt om hem te herinneren aan betalingsverplichting (met bijbehorende vervangende hechtenis) die voortvloeit uit eerdere veroordeling, art. 420bis.1.b Sr. Verweer dat nemo tenetur-beginsel is geschonden. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BP6144 m.b.t. de vraag wanneer in een strafrechtelijke procedure het nemo tenetur-beginsel is geschonden. s Hofs oordeel dat vanwege eerder opgelegde schadevergoedingsmaatregel door justitie op verdachte wel druk is uitgeoefend om te betalen maar dat t.a.v. door verdachte overhandigd contant geldbedrag geen sprake is geweest van schending van nemo tenetur-beginsel, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt HR i.h.b. in aanmerking dat mededeling van opsporingsambtenaar aan verdachte wel kan worden opgevat als klemmende herinnering aan diens resterende verplichting tot betaling van schadevergoeding en daarbij door rechter opgelegde schadevergoedingsmaatregel die bij niet-betaling kan leiden tot tul van vervangende hechtenis maar dat deze mededeling niet tot gevolg heeft dat verdachte werd gedwongen op dat moment een uit enig misdrijf afkomstig geldbedrag aan hem te overhandigen. Dat brengt mee dat het recht van verdachte om zichzelf niet te belasten niet van zijn betekenis is ontdaan. Volgt verwerping. Vervolg op HR:2016:2188 (beklagzaak).
UitspraakECLI:NL:HR:2021:515
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1338
SamenvattingPost-Keskin: HR gaat in op het arrest van het EHRM van 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2021:0119JUD000220516) en de betekenis van die uitspraak voor de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de Nederlandse strafrechter en voor het gebruik van verklaringen van getuigen voor het bewijs in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen.
Samenvatting (Bron)Post-Keskin zaak. Mishandeling van fietsenmaker, art. 300.1 Sr. 1. HR gaat in op uitspraak van EHRM in zaak Keskin tegen Nederland (nr. 2205/16) en betekenis van die uitspraak voor beoordeling van verzoeken tot oproepen en horen van getuigen door Nederlandse strafrechter en voor gebruik van verklaringen van getuigen voor bewijs in gevallen waarin verdediging niet behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ondervragingsrecht uit te oefenen. 2. Afwijzing van ttz. in h.b. gedaan getuigenverzoek (aangever en ander). Ad 1. HR bespreekt zijn eerdere rechtspraak (HR:2014:1496 en HR:2017:1015), uitspraak van EHRM in zaak Keskin en enkele uitgangspunten van Nederlands stelsel m.b.t. oproepen en horen van getuigen. Vervolgens zet HR uiteen dat uitspraak van EHRM in zaak Keskin aanleiding geeft tot bijstellen van eisen die in eerdere rechtspraak door HR zijn geformuleerd over onderbouwing van verzoeken van verdediging tot oproepen en horen van getuigen. Ten slotte maakt HR enkele opmerkingen over bieden van gelegenheid voor uitoefening van ondervragingsrecht en beoordeling van overall fairness van procedure. Uitspraak van EHRM heeft tot gevolg dat in gevallen waarin getuige een verklaring met belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld, zodat van verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. In die gevallen zal indringender dan voorheen vraag onder ogen moeten worden gezien of ondervragingsgelegenheid kan en moet worden gerealiseerd. Daarnaast onderstreept uitspraak van EHRM het belang dat rechter, alvorens bewezenverklaring wordt aangenomen mede o.g.v. verklaring van niet-ondervraagde getuige, nagaat of procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Uit uitspraak van EHRM volgt echter niet dat ondervragingsrecht met zich brengt dat verzoek van verdediging tot horen van getuige die verklaring met belastende strekking heeft afgelegd, steeds voor toewijzing in aanmerking komt, ongeacht desbetreffende factoren en gewicht van die verklaring in het licht van overige resultaten van strafvorderlijk onderzoek. Ad 2. Hof heeft verzoek tot horen van A en B als getuigen afgewezen omdat, gelet op onderbouwing van dat verzoek en tijdsverloop sinds pleegdatum van tlgd. feit, horen van deze getuigen niet noodzakelijk is. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, omdat aan dat verzoek ten grondslag is gelegd dat strekking van eerder door A en B afgelegde en in dossier gevoegde verklaringen belastend is voor verdachte en dat verdachte de juistheid van de waarneming van tlgd. gedraging van verdachte door die getuigen (om meerdere redenen) betwist. HR neemt hierbij in aanmerking dat hof bewezenverklaring heeft aangenomen o.g.v. uitsluitend door verdachte betwiste verklaringen van A en B zonder dat verdediging deze getuigen heeft kunnen ondervragen, terwijl hof geen blijk ervan heeft gegeven te hebben nagegaan of procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:576
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1339
SamenvattingBehoort art. 12.3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek a.b.i. art. 8.5 WVW 1994 is omringd?
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. rijden onder invloed van amfetamine en cannabis, art. 8.5 WVW 1994. Onderzoek a.b.i. art. 8.5 WVW 1994 niet uitgevoerd binnen vereiste anderhalf uur maar na 2 uur en 5 minuten. Behoort art. 12.3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer tot stelsel van strikte waarborgen? Van een onderzoek a.b.i. art. 8.5 WVW 1994 is slechts sprake indien waarborgen zijn nageleefd waarmee wetgever dat onderzoek met het oog op betrouwbaarheid van resultaten daarvan heeft omringd (vgl. HR:2020:1684). Aan de in art. 12.3 Besluit opgenomen termijnstelling (anderhalf uur) ligt blijkens toelichting daarop in de kern ten grondslag dat door tijdsverloop concentratie van de in art. 2 Besluit aangewezen stoffen in het bloed vermindert, waardoor langer durend tijdsverloop ertoe kan leiden dat de in het afgenomen bloed gemeten concentratie onder toegestane grenswaarde komt. Daarmee wordt risico steeds groter (...) dat bestuurder t.a.v. wie o.b.v. speekselonderzoek of onderzoek van psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties een verdenking van drugsgebruik is gerezen, n.a.v. bloedonderzoek vrijuit gaat. Dat betekent echter niet dat onderzoek waarbij eerst na verstrijken van tijdsbestek van anderhalf uur bloed is afgenomen, geen betrouwbaar resultaat geeft van de (voor bewezenverklaring beslissende) op dat moment in afgenomen bloed aanwezige concentratie van die stoffen. Daaruit volgt dat voorschrift niet rechtstreeks in verband staat met juistheid en betrouwbaarheid van resultaten van verricht onderzoek. s Hofs oordeel dat, nu verrichte bloedafname niet binnen het in art. 12.3 Besluit genoemde tijdsbestek is verricht, geen sprake is geweest van een onderzoek ex art. 8.5 WVW 1994 en dat daarom verdachte van het hem tlgd. moet worden vrijgesproken, is gelet op het voorgaande niet juist. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:621
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 14-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1340
SamenvattingOnder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 betogen zij dat artikel 6:13 van de Awb in zoverre buiten toepassing moet blijven.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft de raad van de gemeente Almelo het bestemmingsplan "Haghoek Rosarium Westeres" vastgesteld. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan "Haghoek Rosarium Westeres" blijkt dat de raad hiermee wil voorzien in een plan ter actualisatie van verschillende bestemmingsplannen, met een overwegend consoliderend karakter. [appellante sub 1] en anderen zijn eigenaren van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] in Almelo. [appellant sub 2] is eigenaar van de percelen [locatie 3] en [locatie 4] in Almelo. Aan de gronden van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] is in het plan de bestemming "Gemengd - 2" toegekend. [appellante sub 1] en anderen kunnen zich niet ermee verenigen dat in het plan het gebruik van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] voor de huisvesting van meer dan ťťn huishouden en kamerverhuur niet is toegestaan. [appellant sub 2] keert zich ook tegen de planregeling voor de percelen [locatie 1] en [locatie 2].
UitspraakECLI:NL:RVS:2021:786
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 14-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1341
SamenvattingElektronisch communiceren. Handhavend optreden tegen gebruik van rubbergranulaat als vulling voor kunstgrasvelden. Bodem.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 30 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Katwijk het verzoek van de stichting om handhavend op te treden tegen het gebruik van rubbergranulaat als vulling voor kunstgrasvelden in Katwijk afgewezen. De stichting heeft op 27 oktober 2019 het college verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van rubbergranulaat als vulling voor in totaal drie kunstgrasvelden bij de voetbalclubs KVV Quick Boys en VV Katwijk in Katwijk. De stichting heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat rubbergranulaat een bodemverontreinigende stof is en dat het gebruik hiervan als vulling op kunstgrasvelden in strijd is met artikel 13 van de Wet bodembescherming. Tegen het besluit van 30 januari 2020, waarbij het handhavingsverzoek is afgewezen, heeft de stichting op 11 maart 2020 zowel per post als digitaal, via DigiD, een nog niet van gronden voorzien bezwaarschrift ingediend.
UitspraakECLI:NL:RVS:2021:785
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 23-03-2021
CiteertitelNJB 2021/1342
SamenvattingBijstand. Niet verstrekken bankafschriften. Inlichtingenplicht.
Samenvatting (Bron)Intrekking en terugvordering, verzwegen bankrekening, niet verstrekken bankafschriften, recht niet vast te stellen. De enkele mogelijkheid dat de bankafschriften over de periode na 8 december 2014 aanwijzingen geven dat appellante in de periode daarvoor over inkomsten of vermogen beschikte, rechtvaardigt niet de conclusie dat appellante door die bankafschriften niet te verstrekken de inlichtingenverplichting heeft geschonden over die voorliggende periode. Dit betekent dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante door de bankafschriften over de periode na 8 december 2014 niet te verstrekken over de periode van 27 oktober 2010 tot 28 november 2014 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het recht op bijstand over de periode vanaf 1 januari 2015 is niet vast te stellen, omdat appellante de gevraagde bankafschriften over de periode na 8 december 2014 niet heeft verstrekt en geen inzicht kan geven in de besteding van het bedrag van 27.013,- in de periode na 1 januari 2015. Appellante krijgt niet alsnog de gelegenheid om de ontbrekende bankafschriften alsnog over te leggen. Dit zou in strijd komen met het belang van een goede procesorde. Zij heeft vanaf 11 december 2015 de gelegenheid gehad om die bankafschriften te verstrekken en hiervan telkens geen gebruik gemaakt.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2021:739
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 30-03-2021
CiteertitelNJB 2021/1343
SamenvattingBijstand. Intrekking en terugvordering i.v.m. niet melden op geld waardeerbare activiteiten.
Samenvatting (Bron)Intrekking en terugvordering. Op geld waardeerbare activiteiten. Redelijkerwijs kunnen weten. Dringende redenen. Toeslagenaffaire-grond is tardief. Intrekking en terugvordering ivm niet melden op geld waardeerbare activiteiten. In de toekenningsbeschikking heeft het college appellant erop gewezen dat zij verplicht zijn alles te melden wat van invloed kan zijn op de mogelijkheden om aan het werk te gaan en op de aan hen verleende bijstand. Dat daarbij niet expliciet is vermeld dat op geld waardeerbare activiteiten onder de inlichtingenverplichting valt, betekent niet dat appellant, gelet op de aard en omvang van zijn activiteiten, redelijkerwijs niet kon weten dat hij van zijn werkzaamheden melding hoefde te doen bij het college. Geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2021:755
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 30-03-2021
CiteertitelNJB 2021/1344
SamenvattingBijstand. Schending inlichtingenplicht. Gezamenlijk hoofdverblijf in opvanghuis voor jonge moeders. Vrijwilligersovereenkomst. Kostendelersnorm
Samenvatting (Bron)Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijk hoofdverblijf in opvanghuis voor jonge moeders. Vrijwilligersovereenkomst. Kostendelersnorm. Onderhuur. CommerciŽle relatie. Onzorgvuldig onderzoek. Appellante huurde van een stichting als hoofdbewoonster en vrijwilligster een woonruimte in een opvanghuis voor jonge moeders (gezinswoning). Het college heeft de bijstand van appellante herzien en teruggevorderd omdat zij geen melding had gemaakt van de medebewoonsters, de jonge moeders, X en Z. Het college heeft terecht de conclusie getrokken dat Y en Z hun hoofdverblijf hadden in de gezinswoning. Het verblijf van Y en Z ligt in het verlengde van de begeleiding en dienstverlening door de stichting aan Y en Z, waarmee de verhuur van de woonruimte onlosmakelijk is verbonden met de dienstverlening van de stichting aan de bewoonsters. Bovendien waren de bewoonsters ingeschreven in de Brp en was er geen sprake van een zeer tijdelijk verblijf. De melding van de zorgbegeleider van appellante over haar situatie en de komst van medebewoonster Y in de gezinswoning is direct gericht aan de consulent van appellante en moet daarmee geacht worden te zijn gedaan namens appellante. In zoverre heeft appellante haar inlichtingenverplichting niet geschonden. Dat appellante een huurprijs betaalde die op grond van het beleid niet commercieel was, is in dit geval nog niet genoeg om de conclusie te kunnen dragen dat appellante geen commerciŽle huurrelatie had met de stichting. De door appellante en de door Y en Z aan de stichting betaalde huurprijs kan niet los worden gezien van de afspraken met en de voorwaarden van de stichting over de aard en de wijze waarop appellante en Y en Z in de gezinswoning verbleven. Appellante moest immers bepaalde prestaties voor de stichting leveren en Y en Z moesten de door de stichting aangeboden hulp en begeleiding aanvaarden. Er is dan ook geen sprake van een gangbare (onder)huurrelatie waarbij de prestatie van de (onder)huurder slechts bestaat uit het betalen van huur en de prestatie van de (onder)verhuurder slechts bestaat uit het ter beschikking stellen van de woonruimte. Hieruit volgt dat het college onvoldoende heeft onderzocht of sprake was van een door de wetgever bedoelde zakelijke relatie tussen de stichting en appellante enerzijds en de stichting en de medebewoonsters Y en Z anderzijds.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2021:772
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 30-03-2021
CiteertitelNJB 2021/1345
SamenvattingBijstand. Geen schending inlichtingenverplichting. Betrokkene was niet op de hoogte en hoefde dat ook niet te zijn dat zijn inwonende broer niet langer studeerde.
Samenvatting (Bron)Niet bevoegd tot opleggen boete. Geen schending inlichtingenverplichting. Betrokkene was niet op de hoogte en hoefde dat ook niet te zijn dat zijn inwonende broer niet langer studeerde. De enkele omstandigheid dat betrokkene geen melding heeft gemaakt van het beŽindigen van de studie van zijn inwonende broer, die daardoor als kosten delende medebewoner van appellant had moeten worden aangemerkt, brengt nog niet mee dat betrokkene zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het betrof hier niet de studie van appellant zelf en uit het beŽindigen van een studie door een medebewoner volgt nog niet dat appellant daarvan op de hoogte was of had kunnen en moeten zijn. In dit geval zijn geen feiten of omstandigheden waardoor appellant op de hoogte had kunnen en moeten zijn van het beŽindigen van de studie door zijn broer. Dit betekent dat appellant niet op de hoogte was of had kunnen en moeten zijn van het feit dat zijn broer, de medebewoner, was gestopt met zijn studie. De inlichtingenverplichting brengt niet de verplichting mee om afspraken met een medebewoner te maken over het melden van (veranderde) feiten en omstandigheden van deze medebewoner. Ook gaat de inlichtingenverplichting anders dan mogelijk uit de uitspraak van 9 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2232 kan worden afgeleid niet zover dat de bijstandsgerechtigde steeds en zonder concrete aanleiding de feiten en omstandigheden van derden, in dit geval de medebewoner, moet onderzoeken. Het college kan, anders dan een bijstandsgerechtigde, opgaven en inlichtingen van een medebewoner van de bijstandsgerechtigde verlangen, of bijvoorbeeld Suwinet raadplegen. Wel is een bijstandsgerechtigde verplicht desgevraagd de gegevens en documenten over de (gewijzigde) situatie van een medebewoner te verstrekken, voor zover hij daarover redelijkerwijs kan beschikken. Het college heeft appellant echter niet gevraagd naar gegevens van de medebewoners. Hieruit volgt dat het college niet heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college was daarom niet bevoegd om appellant een boete op te leggen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2021:804
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 08-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1346
SamenvattingNabestaandenuitkering terecht herzien. Polygamie.
Samenvatting (Bron)Nabestaandenuitkering terecht herzien. Polygamie. De Svb heeft op juiste gronden vastgesteld dat appellante op grond van artikel 23 van het NMV en artikel 27 van het Administratief Akkoord recht heeft op 50% van de nabestaandenuitkering. De inmenging in het eigendom is naar het oordeel van de Raad dan ook gerechtvaardigd en dus niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol. Het beroep op internationaalrechtelijke discriminatieverboden slaagt niet. Nu de Svb aan appellante geen toezegging heeft gedaan voor het geval sprake zou zijn van een polygame situatie, kan appellante zich niet met vrucht op het vertrouwensbeginsel beroepen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2021:803
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 12-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1347
SamenvattingWAO. Verzoek om wraking.
Samenvatting (Bron)De beslissingen om het vooronderzoek te sluiten, het onderzoek ter zitting te agenderen en daarvan geen uitstel te verlenen, zoals die in deze zaak zijn genomen, zijn procedurele beslissingen en kunnen alleen leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek indien die beslissingen in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die deze heeft gegeven. Van zodanige omstandigheden is op geen enkele wijze gebleken. Het verzoek om wraking dient daarom te worden afgewezen. Nu verzoeker reeds vůůr de zitting en zonder de bedoelde uiteenzetting te geven een verzoek om wraking heeft gedaan, wordt geconcludeerd dat verzoeker misbruik maakt van de mogelijkheid om een wrakingsverzoek in te dienen. Er is daarom aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2021:817
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 14-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1348
SamenvattingZW. De verzekeringsarts heeft het onwaarschijnlijk, maar niet uitgesloten, geacht dat de gedragingen van appellante (verduistering van een groot geldbedrag om koopverslaving te bekostigen) die de werkgever aanleiding hebben gegeven tot het ontslag op staande voet, voortkomen uit ziekte.
Samenvatting (Bron)Weigering ZW-uitkering toe te kennen vernietigd. Appellante was ziek toen zij ontslag op staande voet kreeg. De verzekeringsarts heeft het onwaarschijnlijk, maar niet uitgesloten, geacht dat de gedragingen van appellante (verduistering van een groot geldbedrag om koopverslaving te bekostigen) die de werkgever aanleiding hebben gegeven tot het ontslag op staande voet, voortkomen uit ziekte. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat van een benadeling als bedoeld in artikel 45, zevende lid, van de ZW in het geval van appellante geen sprake is.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2021:828
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 13-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1349
SamenvattingVerhaal kosten herinspectie. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de herinspectie plaatsgevond in het kader van een opgelegde last onder dwangsom en een aanvullende officiŽle controle was in de zin van artikel 28 van Verordening (EG) nr. 882/2004.
Samenvatting (Bron)Factuur voor kosten van een herinspectie. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de herinspectie plaatsgevond in het kader van een opgelegde last onder dwangsom en een aanvullende officiŽle controle was in de zin van artikel 28 van Verordening (EG) nr. 882/2004. Verweerder is ten onrechte tot verhaal van de kosten overgegaan. Wetsbepaling: Artikel 28 van Verordening (EG) nr. 882/2004 Artikel 5 en bijlage b, onderdeel p, van de Regeling NVWA-tarieven.
UitspraakECLI:NL:CBB:2021:393
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 13-04-2021
CiteertitelNJB 2021/1350
SamenvattingVoor de beantwoording van de vraag of Skal op grond van artikel 30 van Verordening 834/2007 bevoegd is om zonnebloempitten te decertificeren, is niet relevant of de in artikel 91 van Verordening 889/2008 beschreven procedure is gevolgd, alsmede of is voldaan aan de in dat artikel opgenomen materiŽle criteria
Samenvatting (Bron)Artikel 30 verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten.
UitspraakECLI:NL:CBB:2021:387
Artikel aanvragenVia Praktizijn