Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 14-07-2021
Aflevering 27
RubriekVooraf
TitelContractsvrijheid tussen ondernemers op de tocht?
CiteertitelNJB 2021/1974
SamenvattingVoor contractenmakers is het in beginsel in Nederland heerlijk toeven. Omdat in business to business-situaties (B2B) vrijwel ons gehele contractenrecht van regelend recht is, kunnen zij de pen daar in beginsel vrijelijk laten bewegen. Dat dit niet steeds heel evenwichtige contracten meebrengt, kan de pret niet drukken. Integendeel, er is voor veel contractenmakers geen zaliger ervaring dan het scheppen (en later nog eens lekker doorbladeren) van een zorgvuldig dichtgetimmerde contractuele constructie ter bescherming (en meerdere eer en glorie) van de belangen van de eigen partij. Ach, en als het te gortig wordt, dan schiet de redelijkheid en billijkheid in zijn verschillende vormen wel te hulp.
Auteur(s)C.E. Drion
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPraktijk
TitelMilieuorganisaties in beroep: Toegang tot de rechter vanuit empirisch perspectief
CiteertitelNJB 2021/1975
SamenvattingHet Verdrag van Aarhus strekt onder andere tot het waarborgen van Ďruime toegangí tot de rechter bij milieuaangelegenheden voor milieuorganisaties, om hiermee de uitvoering en handhaving van milieuwetgeving te bevorderen. Op basis van bestaande theoretische literatuur en een kwalitatief onderzoek onder 35 Nederlandse milieuorganisaties analyseert dit artikel wat voor milieuorganisaties eigenlijk de factoren zijn die de toegang tot de rechter bepalen.
Auteur(s)E. Alblas , S. Kingston
LinkVolledige tekst verdrag (wetten.overheid.nl)
LinkVolledige tekst artikel (rug.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelBestuursorganen in nood: Uitdagingen voor het openbaar bestuur na het arrest van het Europees Hof van Justitie van 14 januari 2021 over de personen- en onderdelenfuik in het Nederlands bestuursprocesrecht
CiteertitelNJB 2021/1976
SamenvattingDeze bijdrage gaat over de gevolgen van het Varkens in Nood-arrest voor het bestuur. Welke risicoís loopt het bestuur door het oordeel dat deelname aan de uitgebreide procedure een facultatief karakter heeft gekregen, in ieder geval voor milieuverenigingen die het niet eens zijn met het ter inzage gelegde plan voor het nemen van een omgevingsrechtelijk besluit? Dit heeft voor het bestuur serieuze risicoís, gezien de extra kans op vernietiging van het bestreden besluit wegens een niet tijdig onderkend gebrek.
Auteur(s)R. Koenraad
UitspraakECLI:EU:C:2021:7
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelUrgenda in Frankrijk, of de Zaak van de Eeuw
CiteertitelNJB 2021/1977
SamenvattingĎOnsí Urgenda-arrest was van meet af aan algemeen bekend in kringen van milieuorganisaties, ook internationaal. In diverse landen zijn bij de rechter klimaatzaken tegen de overheid aanhangig gemaakt. Ook in Frankrijk, waar Urgenda veel aandacht heeft gekregen, in de dagbladpers en in de juridische literatuur. De voorloper van de Franse jurisprudentie over klimaatzaken, Amis de la Terre-France I, dateert van 2018, dus van vůůr het Urgenda-arrest; maar het inleidende verzoek was van na het rechtbankvonnis inzake Urgenda. Daarna volgden enkele echte klimaatzaken. Hoe verliepen de ontwikkelingen in Frankrijk?
Auteur(s)W. Konijnenbelt
LinkVolledige tekst uitspraak (Amis de la Terre-France I, conseil-etat.fr)
LinkVolledige tekst uitspraak (Amis de la Terre-France II, conseil-etat.fr)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelEen stem voor burgers in de strijd tegen klimaatverandering: Een verkenning van de mogelijkheden voor wettelijke inkadering van een nationaal burgerberaad over het klimaat
CiteertitelNJB 2021/1978
SamenvattingEen nationaal burgerberaad over het klimaat kan een mogelijke remedie vormen voor het huidige gebrek aan draagkracht en draagvlak in het klimaatbeleid. Het kan het publieke vertrouwen in het klimaatbeleid vergroten en ervoor zorgen dat het publiek open staat voor de te implementeren maatregelen. Een en ander hangt wel af van het waarborgen van de representativiteit van een burgerberaad. Om te winnen aan daadkracht en draagkracht om tot de benodigde klimaatmaatregelen te komen is het noodzakelijk dat er vooraf duidelijkheid bestaat over wat er gebeurt met implementatie van de uitkomsten van een burgerberaad.
Auteur(s)C. van Es , K. Hagen , I. Bakker
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReactie
TitelEen fiscale status aparte
CiteertitelNJB 2021/1979
SamenvattingIn zijn Opinie (NJB 2021/1714, afl. 24, p. 1960) pleit Philippe Albert voor een status aparte voor het belastingrecht binnen het bestuursrecht. Tja, Prediker (1:9) schreef al: ĎHetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.í
Auteur(s)J. Ilsink
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 25 mei 2021, 35252/08
CiteertitelNJB 2021/1981
SamenvattingArt 8 ē Private life ē Convention compliance of secret surveillance regime including bulk interception of communications and intelligence sharing. Case of Centrum fŲr Rattvisa v. Sweden
UitspraakECLI:CE:ECHR:2021:0525JUD003525208
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - HvJ EU
TitelHvJ EU 20 mei 2021, C120/19
CiteertitelNJB 2021/1982
SamenvattingAutoriteit van een lidstaat die een tankstation verplicht om zich slechts van vloeibaar petroleumgas (lpg) te laten bevoorraden door tankwagens die zijn voorzien van een bijzondere, hittewerende bekleding die niet is voorgeschreven door de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR)
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Derde kamer) van 20 mei 2021.#X tegen College van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend en Tamoil Nederland BV.#Prejudici?le verwijzing - Vervoer van gevaarlijke goederen over land - Richtlijn 2008/68/EG - Artikel 5, lid 1 - Begrip ,constructievoorschrift' - Verbod om strengere constructievoorschriften vast te stellen - Autoriteit van een lidstaat die een tankstation verplicht om zich slechts van vloeibaar petroleumgas (lpg) te laten bevoorraden door tankwagens die zijn voorzien van een bijzondere, hittewerende bekleding die niet is voorgeschreven door de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) - Onrechtmatigheid - Besluit waartegen een categorie rechtzoekenden niet in rechte kan opkomen - Strikt afgebakende mogelijkheid om te verkrijgen dat een dergelijk besluit nietig wordt verklaard in geval van kennelijke strijdigheid met het Unierecht - Rechtzekerheidsbeginsel - Doeltreffendheidsbeginsel.#Zaak C-120/19.
UitspraakECLI:EU:C:2021:398
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 25-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1983
SamenvattingVerkrijging van het Nederlanderschap.
Samenvatting (Bron)Nationaliteitsrecht. Art. 4 RWN. Verkrijging van het Nederlanderschap door bekrachtiging van een nietige erkenning?
UitspraakECLI:NL:HR:2021:1007
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 25-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1984
SamenvattingGedeeltelijke gezagsoverheveling.
Samenvatting (Bron)Jeugdrecht. Geschillenregeling. Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing. Gedeeltelijke gezagsoverheveling. Doorbreking en reikwijdte rechtsmiddelenverbod. Art. 1:262b, 1:263, 1:264, 1:265e BW, art. 807 Rv.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:1003
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 25-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1985
SamenvattingZorgmachtiging.
Samenvatting (Bron)Wvggz. Zorgmachtiging. Rechtbank heeft in zorgmachtiging een vorm van verplichte zorg opgenomen, waar de officier van justitie niet om had verzocht. Klacht over de toelaatbaarheid hiervan.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:1004
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 22-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1986
SamenvattingBeroep op noodweer(exces). Had verdachte een reŽle en redelijke mogelijkheid om zich aan aanranding te onttrekken?
Samenvatting (Bron)Poging tot zware mishandeling door met mes in schouder te steken, art. 302 Sr. Beroep op noodweer(exces). Had verdachte een reŽle en redelijke mogelijkheid om zich aan aanranding te onttrekken? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. subsidiariteitseis en onttrekkingsvereiste. Vaststellingen hof houden in dat verdachte achtereenvolgens door twee verschillende personen, onder wie aangever, is aangevallen, waarbij verdachte o.m. meer is gestompt in het gezicht en dat verdachte, voorafgaand aan door hem gebruikte geweld, heeft geprobeerd zich aan de confrontatie te onttrekken door achteruitlopend weg te gaan, maar aangever verdachte bleef volgen en aanvallen, o.m. door verdachte tegen diens benen te schoppen. Hof heeft in de kern aan verwerping beroep op noodweer(exces) ten grondslag gelegd dat geen sprake is geweest van noodzaak tot verdediging omdat verdachte zich aan aanranding had kunnen en moeten onttrekken door bijvoorbeeld te vluchten en dat dit in de gegeven omstandigheden ook van hem [kon] worden gevergd. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk in het licht van wat hof heeft vastgesteld over pogingen die verdachte, voorafgaand aan het door hem gebruikte geweld, heeft gedaan om zich te onttrekken aan de confrontatie door achteruit te lopen. Verwerping beroep op noodweer(exces) is dus ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:934
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 22-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1987
SamenvattingSchending van consultatierecht nu verdachte voor zijn inverzekeringstelling geen raadsman heeft kunnen raadplegen?
Samenvatting (Bron)Openlijke geweldpleging in uitgaansgelegenheid in Amsterdam, art. 141 Sr. 1. Salduz. Schending van consultatierecht nu verdachte voor zijn inverzekeringstelling geen raadsman heeft kunnen raadplegen? 2. Afwijzing van ttz. gedaan voorwaardelijk getuigenverzoek, omdat noodzaak niet is gebleken. Afwijzing in arrest toereikend gemotiveerd? Ad 1. O.g.v. HR:2009:BH3079 en HR:2015:3608 had hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of verdachte is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat vůůr eerste politieverhoor en of hem gelegenheid is geboden van dat recht gebruik te maken dan wel of hij daarvan ondubbelzinnig afstand heeft gedaan. Omdat hof dat heeft nagelaten, is verwerping van verweer ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 (post-Keskin) m.b.t. beoordeling van getuigenverzoeken door feitenrechter in situatie dat verzoek betrekking heeft op getuige t.a.v. wie verdediging ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl getuige al - in vooronderzoek of anderszins - belastende verklaring heeft afgelegd. Hof heeft voorwaardelijk verzoek tot horen getuige bij arrest afgewezen omdat, mede gelet op onderbouwing van verzoek, noodzaak daartoe niet is gebleken. Dit oordeel is niet z.m. begrijpelijk, omdat aan verzoek ten grondslag is gelegd dat strekking van eerder door getuige afgelegde en in dossier gevoegde verklaring belastend is voor verdachte, dat verdachte om meerdere redenen juistheid van waarneming van tll. gedraging van verdachte door getuige betwist en dat getuige cruciale getuige is omdat hij enige getuige is die heeft gezegd dat hij daders zou kunnen herkennen. HR neemt hierbij in aanmerking dat hof, zowel wat betreft het tegen getuige uitgeoefende geweld als signalement van personen die deelnamen aan vechtpartij in uitgaansgelegenheid, voor bewijs gebruik heeft gemaakt van getuigenverklaring, zonder dat de verdediging getuige heeft kunnen ondervragen, terwijl hof niet blijk ervan heeft gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met 19/02625.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:959
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 22-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1988
SamenvattingAdequate rechtsbijstand aan verdachte voorafgaand en tijdens haar verhoor in Spanje als verdachte in Nederlandse strafzaak?
Samenvatting (Bron)Medeplegen gewoontewitwassen (meermalen gepleegd) door grote geldbedragen te vervoeren binnen Europa, art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr. Adequate rechtsbijstand aan verdachte voorafgaand en tijdens haar verhoor in Spanje als verdachte in Nederlandse strafzaak? Art. 3.1 Richtlijn 2013/48/EU bepaalt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot advocaat, op zodanig moment en op zodanige wijze dat zij hun verdedigingsrechten in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Noch aan deze regeling noch aan andere rechtsregel kan verdachte recht ontlenen voorafgaand en tijdens verhoor te worden bijgestaan door Nederlandse advocaat, als i.v.m. Nederlands rechtshulpverzoek of door Nederland uitgevaardigd onderzoeksbevel verhoor van verdachte plaatsvindt in andere EU-lidstaat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten en verdachte wordt bijgestaan door advocaat uit land waar verhoor plaatsvindt. Hof heeft vastgesteld dat verdachte ingevolge Nederlands rechtshulpverzoek in Barcelona als verdachte is gehoord, zij volgens p-v van verhoor is gewezen op zwijgrecht en op recht om zich te laten bijstaan door advocaat en zij van recht op verhoorbijstand gebruik heeft gemaakt en tijdens verhoor door Spaanse advocaat is bijgestaan. Hof heeft verder vastgesteld dat advocaat t.t.v. politieverhoor niet te kennen heeft gegeven niet in staat te zijn adequate rechtsbijstand te verlenen en dat verdachte destijds niet heeft verklaard geen adequate rechtsbijstand te hebben ontvangen. Onder deze omstandigheden getuigt s hofs kennelijke oordeel dat verdachte niet is geschaad in recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM niet van onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Omstandigheid dat Spaanse advocaat geen specifieke kennis had van Nederlands strafprocesrecht, maakt dat niet anders. In aanmerking genomen wat hiervoor is overwogen, ziet HR geen aanleiding voor stellen van prejudiciŽle vragen aan HvJ EU m.b.t. uitleg van Richtlijn 2013/48/EU en art. 47 Handvest. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:962
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 22-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1989
SamenvattingInzet undercoveragent op luchtplaats politiebureau tijdens pauze van regulier politieverhoor van kwetsbare verdachte a.b.i. art. 28b.1 Sv. Stelselmatig informatie inwinnen, art. 126j Sv. Is verklaring van verdachte in strijd met verklaringsvrijheid afgelegd?
Samenvatting (Bron)Brandstichting in woning met dodelijke afloop, art. 157 Sr. Inzet undercoveragent op luchtplaats politiebureau tijdens pauze van regulier politieverhoor van kwetsbare verdachte a.b.i. art. 28b.1 Sv. Stelselmatig informatie inwinnen, art. 126j Sv. Is verklaring van verdachte in strijd met verklaringsvrijheid afgelegd? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2004:AN9195 m.b.t. toelaatbaarheid stelselmatig inwinnen van informatie door undercoveragent ingeval verdachte van zijn vrijheid is beroofd. Voor beoordeling of verklaringen van verdachte in strijd met verklaringsvrijheid zijn afgelegd, kan tevens persoon van verdachte van belang zijn, bijvoorbeeld als het (kennelijk) gaat om zogenoemd kwetsbare verdachte a.b.i. art. 28b.1 Sv. Persoon van verdachte kan i.h.b. van belang zijn bij beoordeling van mate van druk die van door niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar ondernomen activiteiten jegens verdachte kan zijn uitgegaan, en mate waarin handelingen en gedragingen van opsporingsambtenaar tot betreffende verklaringen van verdachte hebben geleid. Gelet op s hofs vaststellingen is oordeel dat niet zodanig inbreuk is gemaakt op verklaringsvrijheid van verdachte dat in strijd is gehandeld met art. 29 Sv en art. 6 EVRM niet z.m. begrijpelijk. Uit vaststellingen volgt immers dat als kwetsbaar aangemerkte verdachte bij herhaling beroep op haar zwijgrecht heeft gedaan, dat zij tijdens onderbreking van en dus direct volgend op politieverhoor is bevraagd door niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar, terwijl op dat moment waarborgen ontbraken die i.v.m. haar kwetsbaarheid bij politieverhoor waren getroffen (aanwezigheid van advocaat, audiovisuele registratie en volgen van verhoor door recherchepsycholoog), en dat opsporingsambtenaar opeenvolgende vragen heeft gesteld over betrokkenheid van verdachte bij tlgd. brandstichting en wijze waarop feit is begaan. Daarbij heeft hof onvoldoende blijk ervan gegeven persoon van verdachte te hebben betrokken bij i.h.b. beoordeling van mate van druk die van door niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar ondernomen activiteiten jegens verdachte kan zijn uitgegaan en mate waarin handelingen en gedragingen van opsporingsambtenaar tot betreffende verklaringen van verdachte hebben geleid. s Hofs overweging dat verdachte, toen zij cameras op de luchtplaats in de gaten kreeg, ging ontkennen en bleef ontkennen en dat daarom verdachte ondanks het feit dat het een kwetsbare verdachte betrof en zij in voorarrest zat in staat was haar wil te bepalen, overeenkomstig die wil te verklaren en zich niet liet beÔnvloeden, doet daaraan niet af. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:947
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 22-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1990
SamenvattingHeeft betrokkene wederrechtelijk voordeel verkregen uit valsheid in geschrift en soortgelijke feiten?
Samenvatting (Bron)Profijtontneming, w.v.v. uit feitelijk leidinggeven aan valselijk opmaken van bedrijfsadministratie door zijn BV. Verband tussen feit en voordeel. Heeft betrokkene wederrechtelijk voordeel verkregen uit valsheid in geschrift en soortgelijke feiten? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:AK1546 m.b.t. daadwerkelijk genoten voordeel ingeval strafbaar feit op zichzelf geen rechtstreeks voordeel oplevert, maar kennelijk ertoe strekt en geŽigend is voordeel te genereren. Hof heeft vaststellingen gedaan m.b.t. valse facturen in administratie van vennootschap waarvan betrokkene enig aandeelhouder en directeur was, waardoor werd verbloemd dat personeel zwart werd ingehuurd. Schatting hof dat d.m.v. of uit baten van bewezenverklaarde feiten en soortgelijke feiten w.v.v. van betrokkene 967.607,52 bedraagt, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat met enkel opnemen van valse facturen in bedrijfsadministratie van vennootschap geen voordeel door vennootschap is verkregen. s Hofs schatting heeft immers betrekking op door betrokkene w.v.v., waarbij in vaststellingen hof besloten ligt dat a.g.v. opnemen van valse facturen in bedrijfsadministratie van vennootschap het voor betrokkene mogelijk was contante geldbedragen te onttrekken aan vennootschap, waarbij na betalingen aan onderaannemers resterende gelden aan betrokkene ten goede zijn gekomen. Daarin ligt tevens als niet onbegrijpelijk oordeel besloten dat door betrokkene w.v.v. niet bestaat uit door vennootschap ontdoken werkgeversverplichtingen maar uit hiervoor genoemde aan vennootschap onttrokken gelden die aan betrokkene ten goede zijn gekomen. Volgt verwerping. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:948
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 22-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1991
SamenvattingGeen openbare behandeling klaagschriften i.v.m. COVID-19 (corona).
Samenvatting (Bron)Beklag, beslag ex art. 94a Sv op auto, scooter en telefoon onder klager na veroordeling t.z.v. vermogensdelicten. Geen openbare behandeling klaagschriften i.v.m. COVID-19 (corona). O.g.v. art. 23.2 Sv moeten door raadkamer het OM, verdachte en andere procesdeelnemers worden gehoord, althans hiertoe worden opgeroepen, tenzij anders voorgeschreven. O.g.v. art. 552a.7 Sv dient klaagschrift tijdens openbare raadkamerzitting te worden behandeld. Uit beschikking Rb volgt dat geen openbare raadkamerzitting heeft plaatsgehad. Dit verzuim leidt tot nietigheid van beschikking. Door Rb genoemde LOVS-richtlijnen betreffende maatregelen ter beperking van verspreiding van coronavirus (waarmee kennelijk wordt gedoeld op praktische maatregel van buiten zitting om behandelen van zaken, zoals genoemd in Tijdelijke regeling strafrecht) leiden niet tot ander oordeel. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:854
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 16-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1992
SamenvattingDe Afdeling stelt definitief de identiteit en nationaliteit van een vreemdeling vast.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 12†december†2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van de vreemdeling om herziening van het besluit van 27 november 2002, waarbij hij de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft ingetrokken, afgewezen. In de afgelopen twintig jaar zijn verschillende procedures gevoerd waardoor nu zowel de door de vreemdeling opgegeven Iraakse nationaliteit als door de staatssecretaris vastgestelde Jordaanse nationaliteit vaststaan. De vreemdeling heeft de staatssecretaris gevraagd om zijn besluit te heroverwegen om zo definitief met zijn Iraakse identiteit en nationaliteit verder te kunnen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2021:1287
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 17-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1993
SamenvattingIn dit geval brengt de vergewisplicht van de staatssecretaris mee dat hij moet nagaan hoe de minister van Buitenlandse Zaken in zijn ambtsbericht over Iran tot zijn conclusies over terugkerende asielzoekers is gekomen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 11 maart 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2021:1294
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 23-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1994
SamenvattingZaken over Turkse staatsburgers die meer dan 30 jaar rechtmatig in Nederland verblijven.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 5 oktober 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan vreemdeling S verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen Nederland en de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij besluit van 30 mei 2018 heeft de staatssecretaris de aan vreemdeling E verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken. Bij besluit van 22 april 2018 heeft de staatssecretaris de aan vreemdeling C verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken. De drie zaken gaan over Turkse staatsburgers die meer dan 30 jaar rechtmatig in Nederland verblijven. Niet in geschil is dat vreemdelingen S en E rechten ontlenen aan artikel 7 van Besluit nr. 1/80, dat vreemdeling C rechten ontleent aan artikel 6 van Besluit nr. 1/80, en dat zij een daarmee samenhangend verblijfsrecht hebben. De staatssecretaris heeft het verblijfsrecht van vreemdelingen S, E en C beŽindigd.
UitspraakECLI:NL:RVS:2021:1310
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 28-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1995
SamenvattingDe staatssecretaris kan bij de voorbereiding van een terugkeerbesluit gehouden zijn nader te onderzoeken of een vreemdeling op grond van het Unierecht een afgeleid verblijfsrecht heeft.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 2 juni 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
UitspraakECLI:NL:RVS:2021:1360
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 30-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1996
SamenvattingLast onder dwangsom. Herbeplanting. Onuitvoerbaar.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 21 maart 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland een dwangsom van 10.000,00 bij [appellant] ingevorderd. [appellant] heeft op 11 februari 2015 op zijn perceel nabij [locatie] te Beltrum, een esrand, bestaande uit 15 bomen en een struikrand gekapt. Omdat [appellant] dit zonder vergunning heeft gedaan, heeft het college hem bij besluit van 22 april 2015 onder oplegging van een dwangsom gelast een herplant uit te voeren. Bij besluit van 19 mei 2017 heeft het college [appellant] opnieuw een herplantplicht opgelegd. Daarbij is bepaald dat een dwangsom van 10.000,00 wordt verbeurd indien de herplant na 1 december 2017 niet is uitgevoerd. Nadien is deze termijn verlengd tot 1 december 2018. De herplantplicht omvat 14 zomereiken met een diameter van ongeveer 30 cm (omtrek ongeveer 1m) en een es met een omtrek van 60 tot 70 cm op de oorspronkelijke locatie.
UitspraakECLI:NL:RVS:2021:1405
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 07-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1997
SamenvattingBijstand. Twee boetes voor dezelfde gedraging.
Samenvatting (Bron)Herziening, terugvordering, brutering, twee boetes voor dezelfde gedraging. Anders dan voorheen is de Raad van oordeel dat de bijstandverlenende instantie de in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de PW neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering niet mag gebruiken als een vordering is ontstaan mede of geheel door toedoen van de bijstandverlenende instantie ťn de betrokkene niet kan worden verweten dat hij de vordering niet al heeft voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan. Aan boete 1 en boete 2 is dezelfde overtreding als bedoeld in artikel 5:43 van de Awb ten grondslag is gelegd. In dit geval heeft de beboete gedraging zowel bij boete 1 als bij boete 2 bestaan uit het niet melden van voor de vaststelling van het recht op bijstand relevante feiten en omstandigheden. Beide beboete gedragingen hebben dezelfde juridische aard, namelijk schending van de inlichtingenverplichting. De niet gemelde feiten en omstandigheden zien zowel bij boete 1 als bij boete 2 op het ontvangen van inkomsten uit exact dezelfde werkzaamheden bij dezelfde werkgever die in hetzelfde ononderbroken tijdvak hebben plaatsgevonden. Het college heeft ten onrechte boete 2 opgelegd.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2021:1388
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 15-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1998
SamenvattingBijstand. Onroerende zaak in het buitenland. Waardebepaling.
Samenvatting (Bron)Intrekking en terugvordering. Onroerende zaak in het buitenland. Waardebepaling. De door het IBF ingeschakelde taxateur A heeft de waarde van de woning per 30 januari 2016 vastgesteld op 49.056,- en de waarde voor 2005, na toepassing van een correctie-coŽfficiŽnt van 1,1, vastgesteld op 53.962,-. Volgens taxateur A was de waarde in 2005 dus hoger dan in 2016. Er is echter geen inzicht gegeven in de factoren die de waardedaling tussen 2005 en januari 2016 kunnen verklaren, zoals de staat van onderhoud. Geen inzicht is gegeven in wijzigingen van de marktvoorwaarden en/of de belastingverplichtingen in de periode na 2005 en in het prijsverloop in de opeenvolgende jaren. Derhalve is ontoereikend onderbouwd dat de waarde van de woning in 2005 hoger was dan de waarde in 2016. In zoverre kan het taxatierapport niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd. Omdat ook overigens concrete gegevens over de waarde van de woning van appellante in de periode van 4 juli 2005 tot 30 januari 2016 ontbreken, kan de omvang van het vermogen van appellante in die periode niet worden vastgesteld. Gevolg hiervan is dat over de periode voor 30 januari 2016 het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De waardebepaling in het door appellante ingezonden taxatierapport ziet op de datum 5 februari 2018. Deze datum ligt geruime tijd na afloop van de te beoordelen periode. Het door appellante ingezonden taxatierapport zegt dus niets over de waarde van de woning in de te beoordelen periode. Nu onduidelijkheid is blijven bestaan over de financiŽle positie van appellante in de periode voor 30 januari 2016 en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in die periode of een gedeelte daarvan wel recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad bij nakoming van de inlichtingenverplichting, is de door haar bedoelde onevenredigheid van de terugvordering voor die periode niet vast te stellen.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2021:1420
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 17-06-2021
CiteertitelNJB 2021/1999
SamenvattingAmbtenarenrecht. Toerekenbaar plichtsverzuim?
Samenvatting (Bron)Vooropgesteld wordt het volgende. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4155) is sprake van toerekenbaar plichtsverzuim als de betrokkene de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Ontbreekt dit inzicht of het vermogen ernaar te handelen, dan kan het verweten gedrag de betrokkene niet worden toegerekend. Het overwogene hiervoor leidt tot de conclusie dat, hoe zeer in beginsel ook geldt dat een werkgever mag afgaan op adviezen van zijn bedrijfsarts, in dit geval niet valt uit te sluiten dat de dienstdoende bedrijfsarts de psychische problematiek van betrokkene heeft onderschat en dat de twijfel dienaangaande met de nadere motivering van het bestreden besluit naar aanleiding van de tussenuitspraak niet is weggenomen. Het college heeft er immers voor gekozen het door Van der Veer geadviseerde nadere onderzoek niet uit te laten voeren. De rechtbank heeft daarmee terecht geconstateerd dat het vastgestelde gebrek door het college niet is hersteld. De rechtbank heeft het bestreden besluit dan ook terecht vernietigd. De Raad volgt de rechtbank ook in haar oordeel dat er geen aanleiding is om het college nogmaals het gebrek te laten herstellen. De rechtbank heeft dus eveneens terecht het primaire ontslagbesluit herroepen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Er is aanleiding het college te veroordelen in de kosten van betrokkene in hoger beroep.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2021:1441
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 22-06-2021
CiteertitelNJB 2021/2000
SamenvattingUitleg tarievencode elektriciteit.
Samenvatting (Bron)Elektriciteitswet - aansluiting verbinding uitleg tarievencode elektriciteit berekeningswijze van bedrijfstijd Het meten van afgenomen (en ingevoede) elektriciteit vindt plaats in de feitelijke verbinding op het net van TenneT. Telkens wanneer elektriciteit via een van de verbindingen aan de rails van TenneT wordt afgenomen, wordt het aantal kWhs gemeten. Deze metingen worden gesommeerd om per jaar te kunnen bepalen of de bedrijfstijd van 600 uur wordt overschreden om vervolgens de kosten uit de juiste categorie in rekening te kunnen brengen.
UitspraakECLI:NL:CBB:2021:626
Artikel aanvragenVia Praktizijn