Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht (NTS)

Uitgever Boom Juridische Uitgevers
Tijdschrift Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht (NTS)
Datum 08-10-2021
Aflevering 4
RubriekVan de redactie
TitelDe zaak Hümeyra en de verhoging van het strafmaximum voor doodslag
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingIn zijn toelichting op het vonnis van de Rotterdamse rechtbank waarin Bekir E. tot ‘slechts’ 14 jaar gevangenisstraf en tbs werd veroordeeld voor het ‘execution style’ doodschieten van zijn ex-vriendin Hümeyra omdat voorbedachte raad niet bewezen kon worden, riep persrechter De Winkel de politiek in Den Haag op om de verschillen in strafmaat tussen moord en doodslag te verkleinen.
Auteur(s) Redactie
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelDe regeling van de schriftelijke wilsverklaring euthanasie in artikel 2 lid 2 Wtl
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingEen ander opzettelijk het leven benemen is in Nederland in beginsel strafbaar, ook als de levensbeëindiging op verzoek van de betrokkene heeft plaatsgevonden. Sinds de inwerkingtreding van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding op 1 april 2002 kan een arts na levensbeëindigend handelen op verzoek een beroep doen op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 293 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.
Auteur(s)L. Postma
LinkVolledige tekst artikel (bjutijdschriften.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelDeelneming aan een criminele organisatie en ne bis in idem
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
Samenvatting: De toepasselijkheid van het ne bis in idem-beginsel bij vervolging wegens deelneming aan een criminele organisatie na vervolging wegens een concreet misdrijf en vice versa
Auteur(s)F. de Graaf
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelEen andere betekenis van het dossier J.A. Poch voor het Nederlandse strafrecht
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingIn het juninummer van het Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht (NTS) publiceerden Klaas Rozemond en Harmen van der Wilt een artikel getiteld ‘De betekenis van het dossier J.A. Poch voor het Nederlandse strafrecht’. Dat artikel vormt een bijdrage aan de discussie die na de publicatie in januari 2021 van het rapport van de Commissie Dossier J.A. Poch in het Nederlands Juristenblad (NJB) is gevoerd. Deze discussie wordt nu voortgezet in NTS, dat een specifiek strafrechtelijk podium biedt voor praktijk en wetenschap. En de zaak Poch is voor beide van belang.
Auteur(s)A.J. Machielse , B.E.P. Myjer
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelEen generieke strafbaarstelling van nieuwe psychoactieve stoffen in de Opiumwet: einde van een wapenwedloop in zicht?
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingDe Opiumwet zal er, als het aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Sport en Cultuur en de Minister van Justitie en Veiligheid ligt, in de toekomst een nieuwe lijst bij krijgen. Aan de bestaande lijsten I en II wordt een lijst IA toegevoegd. Deze lijst IA bevat, anders dan de bestaande lijsten I en II, geen middelen maar een aantal stofgroepen met een psychoactieve werking waarvan de chemische structuur is afgeleid van middelen die op lijst I van de Opiumwet staan vermeld.
Auteur(s)T. Blom
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelEnkele opmerkingen naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak van IS-propagandiste Yousra L: deelname aan een criminele organisatie en de interactie tussen het humanitair oorlogsrecht en het strafrecht.
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingOp 29 juni 2021 deed de rechtbank Den Haag uitspraak in de rechtszaak tegen Yousra L. Zij werd veroordeeld voor: deelname aan een terroristische organisatie; deelname aan een criminele organisatie; opruiing tot een oorlogsmisdrijf en een terroristisch misdrijf, dan wel voorbereiding van een terroristisch misdrijf; een geschrift en een afbeelding waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid verspreiden en om verspreid te worden in voorraad hebben; het oorlogsmisdrijf aanranding van de persoonlijke waardigheid; terroristische training; en het overtreden van sanctiewetgeving.
Auteur(s)M.C. Zwanenburg , R. Bartels
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 13-07-2021
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingDiefstal van konijnen uit dierenfokkerij door dierenactivist, art. 310 Sr. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan, ttz. in h.b. gehandhaafd en op latere tz. in h.b. herhaald verzoek tot horen van aangeefster ter onderbouwing van beroep op noodtoestand en (psychische) overmacht, omdat verdachte niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad door het niet horen van getuige. Afwijzing verzoek in strijd met uitspraak EHRM in zaak Keskin tegen Nederland?
Samenvatting (Bron)Diefstal van konijnen uit dierenfokkerij door dierenactivist, art. 310 Sr. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan, ttz. in h.b. gehandhaafd en op latere tz. in h.b. herhaald verzoek tot horen van aangeefster ter onderbouwing van beroep op noodtoestand en (psychische) overmacht, omdat verdachte niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad door het niet horen van getuige. Afwijzing verzoek in strijd met uitspraak EHRM in zaak Keskin tegen Nederland? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 (post-Keskin) m.b.t. beoordeling van getuigenverzoeken door feitenrechter in situatie dat verzoek betrekking heeft op getuige t.a.v. wie verdediging ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl getuige al (in vooronderzoek of anderszins) belastende verklaring heeft afgelegd. I.c. gaat het niet om verzoek dat betrekking heeft op uitoefenen van ondervragingsrecht i.v.m. een door getuige afgelegde belastende verklaring die voor bewijs kan worden gebruikt of al is gebruikt. Weliswaar heeft hof een door aangeefster afgelegde verklaring over wegnemen van nest konijnen door verdachte voor bewijs gebruikt maar uit verzoek van raadsman blijkt dat die verklaring niet wordt betwist, terwijl blijkens zijn voor bewijs gebruikte verklaring ook door verdachte niet wordt betwist dat hij moederkonijn met haar jongen uit fokkerij van aangeefster heeft weggenomen. In s hofs uitspraak ligt besloten dat hof bij beoordeling van beroep op o.m. noodtoestand en (psychische) overmacht is uitgegaan van de door verdachte aan verweren ten grondslag liggende feiten en omstandigheden, die inhouden dat er in stallen van fokkerij van aangeefster sprake was van ernstige gezondheids- en welzijnsproblemen. Hof heeft, daarvan uitgaande, gemotiveerd geoordeeld dat die verweren niet slagen. Gelet op deze wijze van beoordelen van verweren is s hofs afwijzing van verzoek tot horen van aangeefster op de grond dat verdachte niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad, niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:1090
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 13-07-2021
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingMishandeling door ander met insectenspray in zijn gezicht te spuiten, nadat deze wilde voorkomen dat verdachte een briefje op een voor haar deur geparkeerde scooter zou plakken, art. 300.1 Sr. Noodweer. Heeft het hof voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang?
Samenvatting (Bron)Mishandeling door ander met insectenspray in zijn gezicht te spuiten, nadat deze wilde voorkomen dat verdachte een briefje op een voor haar deur geparkeerde scooter zou plakken, art. 300.1 Sr. Noodweer. Heeft hof voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:456, inhoudende dat rechter duidelijk moet maken of hij de aan beroep op noodweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen, indien hij beroep verwerpt. Hof heeft geoordeeld dat hiervoor vastgestelde gedragingen van aangever (waarbij hof kennelijk het oog heeft op zijn vaststelling dat aangever trachtte brief uit handen van verdachte te trekken) niet kunnen worden aangemerkt als ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van lijf of goed van verdachte (dan wel van onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor) die tot enige verdediging noopte. Dit oordeel is niet z.m. begrijpelijk. Hof heeft in het midden gelaten of naar zijn oordeel geen sprake was van ogenblikkelijke (dreigende) aanranding van goed van verdachte dan wel dat die aanranding niet wederrechtelijk was dan wel dat tegen die aanranding geen verdediging was geboden. Aldus heeft hof zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:1091
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 13-07-2021
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingOM o.g.v. art. 349.3 Sv niet-ontvankelijk in vervolging t.z.v. medeplegen van zware mishandeling in discotheek in Nijmegen (art. 302.1 Sr), omdat OM vanwege zwaarwegend opsporingsbelang heeft geweigerd medewerking te verlenen aan bevel van RC om informant als getuige op te roepen. Verhouding tussen art. 349.3 Sv en art. 359a Sv.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. OM o.g.v. art. 349.3 Sv niet-ontvankelijk in vervolging t.z.v. medeplegen van zware mishandeling in discotheek in Nijmegen (art. 302.1 Sr), omdat OM vanwege zwaarwegend opsporingsbelang heeft geweigerd medewerking te verlenen aan bevel van RC om informant als getuige op te roepen. Verhouding tussen art. 349.3 Sv en art. 359a Sv. 1. Had hof bij beoordeling van rechtsgevolg dat moet worden verbonden aan weigering van OM om getuige op roepen, moeten uitgaan van regeling van art. 359a Sv? 2. Moet weigering van OM worden aangemerkt als vormverzuim dat moet worden beoordeeld met inachtneming van HR:2020:1889? Ad 1. Art. 349.3 Sv bepaalt dat rechter niet-ontvankelijkheid van OM in vervolging uitspreekt, als (i) rechter een bevel heeft gegeven om getuige op te roepen maar (ii) OM weigert aan dat bevel uitvoering te geven omdat OM die getuige heeft toegezegd dat hij op geen andere wijze zal worden gehoord dan als bedreigde of afgeschermde getuige en (iii) die getuige o.g.v. onherroepelijke rechterlijke beslissing niet als bedreigde of afgeschermde getuige is aangemerkt. Deze regeling stelt (blijkens wetsgeschiedenis bij art. 349.3 Sv) OM in staat om i.v.m. zwaarwegende opsporingsbelangen de toezegging aan getuige na te komen, ook als rechter de getuige niet als bedreigde of afgeschermde getuige aanmerkt. Daar staat tegenover dat door weigering om uitvoering te geven aan bevel om getuige op te roepen aan zowel rechter als verdediging de mogelijkheid wordt ontnomen om getuige te ondervragen. Mede gelet op recht op eerlijk proces en i.h.b. ondervragingsrecht van verdediging moet rechter dan o.g.v. art. 349.3 Sv niet-ontvankelijkheid van OM in vervolging uitspreken. Die niet-ontvankelijkverklaring hoeft niet definitief te zijn. Zo is het mogelijk dat OM opnieuw tot dagvaarding voor hetzelfde feit overgaat nadat weigeringsgrond is opgeheven, bijvoorbeeld omdat getuige alsnog bereid blijkt op tz. te verschijnen om te kunnen worden ondervraagd. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD8843 m.b.t. niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging o.g.v. art. 349.3 Sv. Hof heeft beslist dat CIE-informant als getuige moet worden gehoord en heeft vastgesteld dat informant niet bereid is aan getuigenverhoor medewerking te verlenen en dat OM is gebleven bij weigering om gevolg te geven aan opdracht van hof om getuige voor te brengen. Ook in zon geval moet (zoals hof heeft gedaan) worden beslist overeenkomstig regeling van art. 349.3 Sv. Daarbij doet het er niet toe welke inspanningen OM heeft geleverd om getuige te bewegen om wel medewerking te verlenen aan verhoor als getuige. Regeling van art. 349.3 Sv staat er overigens niet aan in de weg dat rechter alsnog afziet van bevel om getuige op te roepen, omdat hij is nagegaan of op andere wijze recht kan worden gedaan aan recht van verdachte op eerlijk proces. In dat geval blijft toepassing van art. 349.3 Sv achterwege. Ad 2. Art. 359a Sv heeft betrekking op vormverzuimen waarvan rechtsgevolgen niet uit wet blijken, terwijl regeling van art. 349.3 Sv voor situaties die onder bereik van die regeling vallen, rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging voorschrijft. Verder is van belang dat overwegingen uit HR:2020:1889 betrekking hebben op vormverzuimen die niet bij voorbereidend onderzoek plaatsvinden omdat het gaat om vormverzuim door ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast maar dat niet is begaan bij voorbereidend onderzoek tegen verdachte of om onrechtmatige handeling jegens verdachte door andere functionaris of persoon dan zon opsporingsambtenaar. Deze overwegingen hebben geen betrekking op situatie waarin OM weigert gevolg te geven aan een door rechter na aanvang van onderzoek ttz. gegeven bevel om getuige op te roepen. Volgt verwerping. Vervolg op HR:2017:3060.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:1136
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 13-07-2021
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingLevert omstandigheid dat in het door verbalisant opgemaakte proces-verbaal van aanhouding niet is geverbaliseerd dat bij aanhouding van verdachte geweld is toegepast, schending van verbaliseringsplicht van art. 152 Sv op?
Samenvatting (Bron)Rijden onder invloed (art. 8.2.a WVW 1994), verlaten plaats van ongeval (art. 7.1 WVW 1994) en veroorzaken van gevaar op de weg (art. 5 WVW 1994). Verbaliseringsplicht m.b.t. politiegeweld bij aanhouding verdachte, bereik van art. 359a Sv. 1. Levert omstandigheid dat in het door verbalisant opgemaakte proces-verbaal van aanhouding niet is geverbaliseerd dat bij aanhouding van verdachte geweld is toegepast, schending van verbaliseringsplicht van art. 152 Sv op? 2. Vallen eventuele onregelmatigheden in processen-verbaal alsmede hetgeen blijkt uit verklaringen van verbalisanten afgelegd bij Rh-C buiten bereik van art. 359a Sv? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BL5629 m.b.t. de voor opsporingsambtenaren bestaande plicht tot verbaliseren van hetgeen zij hebben verricht of bevonden. In het licht van wetsgeschiedenis bij art. 152.2 Sv geldt ook onder huidige regeling dat het opsporingsambtenaren alleen dan vrijstaat het opmaken van p-v achterwege te laten indien hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door rechter in eindonderzoek te nemen beslissing. In gelijke zin geldt dat, indien wel p-v wordt opgemaakt, het de ambtenaar slechts vrijstaat daarin vermelding achterwege te laten van hetgeen door hem tot opsporing is verricht of bevonden, v.zv. die verrichtingen of bevindingen redelijkerwijs niet van belang kunnen zijn voor enige door rechter te nemen beslissing. In aanmerking genomen dat door hof vastgesteld geweld bij aanhouding van verdachte redelijkerwijs van belang kon zijn voor de door rechter te nemen beslissing, is s hofs kennelijke oordeel dat verbaliseringsplicht van art. 152 Sv niet is geschonden, niet z.m. begrijpelijk. Dit leidt echter niet tot cassatie, in aanmerking genomen dat wet geen rechtsgevolgen verbindt aan niet-naleving van art. 152 Sv en dat gebruikt geweld, gelet op in h.b. aan dossier toegevoegde geweldsrapportage, alsnog ter kennis is gekomen van verdediging. Door deze toevoeging heeft hof bij zijn ex art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen rekening kunnen houden met uitgeoefend geweld en aanvankelijke nalatigheid m.b.t. verbaliseren. Ad 2. s Hofs oordeel dat bedoelde onregelmatigheden buiten bereik van art. 359a Sv vallen omdat zij zich hebben voorgedaan i.h.k.v. onderzoek dat op verzoek van poortraadsheer heeft plaatsgevonden (waarmee tot uitdrukking is gebracht dat deze zich niet hebben voorgedaan bij onderzoek dat voorafgaat aan behandeling ttz.) is juist. In s hofs overwegingen ligt verder als zijn oordeel besloten dat geen sprake is van een buiten het verband van voorbereidend onderzoek begaan vormverzuim dat moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging, nu bedoelde onregelmatigheden niet hebben geleid tot onherstelbare inbreuk op recht van verdachte op eerlijk proces die niet op een aan de eisen van behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kon worden gecompenseerd (vgl. HR:2020:1889). Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op wat hof heeft vastgesteld m.b.t. getuigenverhoor van hulp OvJ, aan dossier toegevoegde en aan verdediging ter beschikking gestelde geweldsrapportage en op wat hof heeft overwogen over de op te leggen straf, niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:1125
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelGerechtshof Amsterdam 20-03-2020
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingLiquidaties in Staatsliedenbuurt in Amsterdam. Medeplegen (poging tot) moord (meermalen gepleegd), art. 289 Sr en medeplegen poging tot gekwalificeerde doodslag (meermalen gepleegd), art. 288 Sr. Veroordeling tot levenslange gevangenisstraf. Bewijsklacht medeplegen poging tot gekwalificeerde doodslag.
Samenvatting (Bron)13Ebetsu. Schietincidenten in de Staatsliedenbuurt
UitspraakECLI:NL:GHAMS:2020:910
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 06-07-2021
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingGroepsbelediging, art. 137c.1 Sr. Veroordeling politicus vanwege ‘Minder Marokkanen’ uitlating zonder oplegging van straf of maatregel. Heeft verdachte zich beledigend uitgelaten over groep mensen wegens hun ras en staat art. 10 EVRM in de weg aan veroordeling?
Samenvatting (Bron)Groepsbelediging, art. 137c.1 Sr. Veroordeling politicus vanwege Minder Marokkanen uitlating zonder oplegging van straf of maatregel. Heeft verdachte zich beledigend uitgelaten over groep mensen wegens hun ras en staat art. 10 EVRM in de weg aan veroordeling? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2009:BF0655 m.b.t. beledigend karakter van uitlating en belediging van groep mensen wegens i.c. hun ras, HR:2016:510 m.b.t. ras in de zin van art. 137c Sr en HR:2014:3583 m.b.t. beoordelingskader t.a.v. recht op vrijheid van meningsuiting, de vraag of een uitlating strafbaar is wegens groepsbelediging ex art. 137c Sr en situatie waarin het gaat om uitlating door politicus i.h.k.v. het publieke debat. s Hofs oordeel dat verdachte met bewezenverklaarde uitlatingen de eigenwaarde van een groep mensen, te weten alle inwoners van Nederland met Marokkaanse achtergrond, wegens de nationale afstamming van die personen en dus wegens hun ras heeft aangetast en geen respect heeft getoond voor de eer en goede naam van die groep, zodat die uitlatingen beledigend karakter hebben, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen wat hof heeft vastgesteld over strekking van uitlatingen en het kenmerkende van de groep waarop die uitlatingen betrekking hebben, toereikend gemotiveerd. s Hofs oordelen die erop neerkomen dat bewezenverklaarde voor een groep personen krenkende uitlatingen van verdachte onnodig grievend zijn en dat schuldigverklaring van verdachte aan groepsbelediging in de zin van art. 137c Sr zonder oplegging van straf of maatregel niet onverenigbaar is met het mede door art. 10 EVRM gewaarborgde recht van verdachte op vrijheid van meningsuiting, geven geen blijk van onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend gemotiveerd. HR neemt hierbij in aanmerking dat hof daarbij heeft betrokken dat verdachte als politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten maar ook dat hij in publiek debat tevens verantwoordelijkheid draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met wet en met grondbeginselen van democratische rechtsstaat, waaronder ook uitlatingen die (mede gelet op wijze waarop en context waarin die uitlatingen zijn gedaan) direct of indirect aanzetten tot onverdraagzaamheid. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:1036
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 22-06-2021
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingPoging tot zware mishandeling door met mes in schouder te steken, art. 302 Sr. Beroep op noodweer(exces). Had verdachte een reële en redelijke mogelijkheid om zich aan aanranding te onttrekken?
Samenvatting (Bron)Poging tot zware mishandeling door met mes in schouder te steken, art. 302 Sr. Beroep op noodweer(exces). Had verdachte een reële en redelijke mogelijkheid om zich aan aanranding te onttrekken? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. subsidiariteitseis en onttrekkingsvereiste. Vaststellingen hof houden in dat verdachte achtereenvolgens door twee verschillende personen, onder wie aangever, is aangevallen, waarbij verdachte o.m. meer is gestompt in het gezicht en dat verdachte, voorafgaand aan door hem gebruikte geweld, heeft geprobeerd zich aan de confrontatie te onttrekken door achteruitlopend weg te gaan, maar aangever verdachte bleef volgen en aanvallen, o.m. door verdachte tegen diens benen te schoppen. Hof heeft in de kern aan verwerping beroep op noodweer(exces) ten grondslag gelegd dat geen sprake is geweest van noodzaak tot verdediging omdat verdachte zich aan aanranding had kunnen en moeten onttrekken door bijvoorbeeld te vluchten en dat dit in de gegeven omstandigheden ook van hem [kon] worden gevergd. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk in het licht van wat hof heeft vastgesteld over pogingen die verdachte, voorafgaand aan het door hem gebruikte geweld, heeft gedaan om zich te onttrekken aan de confrontatie door achteruit te lopen. Verwerping beroep op noodweer(exces) is dus ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:934
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 22-06-2021
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingBrandstichting in woning met dodelijke afloop, art. 157 Sr. Inzet undercoveragent op luchtplaats politiebureau tijdens pauze van regulier politieverhoor van kwetsbare verdachte a.b.i. art. 28b.1 Sv. Stelselmatig informatie inwinnen, art. 126j Sv. Is verklaring van verdachte in strijd met verklaringsvrijheid afgelegd?
Samenvatting (Bron)Brandstichting in woning met dodelijke afloop, art. 157 Sr. Inzet undercoveragent op luchtplaats politiebureau tijdens pauze van regulier politieverhoor van kwetsbare verdachte a.b.i. art. 28b.1 Sv. Stelselmatig informatie inwinnen, art. 126j Sv. Is verklaring van verdachte in strijd met verklaringsvrijheid afgelegd? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2004:AN9195 m.b.t. toelaatbaarheid stelselmatig inwinnen van informatie door undercoveragent ingeval verdachte van zijn vrijheid is beroofd. Voor beoordeling of verklaringen van verdachte in strijd met verklaringsvrijheid zijn afgelegd, kan tevens persoon van verdachte van belang zijn, bijvoorbeeld als het (kennelijk) gaat om zogenoemd kwetsbare verdachte a.b.i. art. 28b.1 Sv. Persoon van verdachte kan i.h.b. van belang zijn bij beoordeling van mate van druk die van door niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar ondernomen activiteiten jegens verdachte kan zijn uitgegaan, en mate waarin handelingen en gedragingen van opsporingsambtenaar tot betreffende verklaringen van verdachte hebben geleid. Gelet op s hofs vaststellingen is oordeel dat niet zodanig inbreuk is gemaakt op verklaringsvrijheid van verdachte dat in strijd is gehandeld met art. 29 Sv en art. 6 EVRM niet z.m. begrijpelijk. Uit vaststellingen volgt immers dat als kwetsbaar aangemerkte verdachte bij herhaling beroep op haar zwijgrecht heeft gedaan, dat zij tijdens onderbreking van en dus direct volgend op politieverhoor is bevraagd door niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar, terwijl op dat moment waarborgen ontbraken die i.v.m. haar kwetsbaarheid bij politieverhoor waren getroffen (aanwezigheid van advocaat, audiovisuele registratie en volgen van verhoor door recherchepsycholoog), en dat opsporingsambtenaar opeenvolgende vragen heeft gesteld over betrokkenheid van verdachte bij tlgd. brandstichting en wijze waarop feit is begaan. Daarbij heeft hof onvoldoende blijk ervan gegeven persoon van verdachte te hebben betrokken bij i.h.b. beoordeling van mate van druk die van door niet als zodanig kenbare opsporingsambtenaar ondernomen activiteiten jegens verdachte kan zijn uitgegaan en mate waarin handelingen en gedragingen van opsporingsambtenaar tot betreffende verklaringen van verdachte hebben geleid. s Hofs overweging dat verdachte, toen zij cameras op de luchtplaats in de gaten kreeg, ging ontkennen en bleef ontkennen en dat daarom verdachte ondanks het feit dat het een kwetsbare verdachte betrof en zij in voorarrest zat in staat was haar wil te bepalen, overeenkomstig die wil te verklaren en zich niet liet beïnvloeden, doet daaraan niet af. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:947
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelGerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-05-2021
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingVerkrachting (meermalen gepleegd) door sportmasseur tijdens massagebijeenkomst, art. 242 Sr. Is sprake van ‘dwang’ tot ondergaan van handelingen die mede bestaan uit seksueel binnendringen van lichaam van aangeefster, nu deze toen niet kenbaar heeft gemaakt dat zij door verdachte verrichte handelingen niet wilde?
Samenvatting (Bron)Veroordeling ter zake van verkrachting van een hoogbejaarde vrouw, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van het voorarrest. Oplegging van gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel. Betrouwbaarheid verklaring slachtoffer. Dwang door geweld en andere feitelijkheden. Beslissing op vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij.
UitspraakECLI:NL:GHARL:2021:5212
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 15-06-2021
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingUitkeringsfraude door in formulieren m.b.t. haar bijstandsuitkering jarenlang te verzwijgen dat zij eigenaar is van appartement in Turkije, art. 227b Sr. Vormverzuim t.g.v. onrechtmatige handeling verricht door andere functionaris of persoon dan ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, art. 359a Sv.
Samenvatting (Bron)Uitkeringsfraude door in formulieren m.b.t. haar bijstandsuitkering jarenlang te verzwijgen dat zij eigenaar is van appartement in Turkije, art. 227b Sr. Vormverzuim t.g.v. onrechtmatige handeling verricht door andere functionaris of persoon dan ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, art. 359a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1889 m.b.t. vormverzuimen bij voorbereidend onderzoek en daarbuiten. Hof heeft vastgesteld dat door gemeente Almelo bestuursrechtelijke (thema)controle van bijstandsuitkeringsgegevens van verdachte is uitgevoerd en dat naar aanleiding van die controle een concrete verdenking tegen verdachte is ontstaan, op grond waarvan strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar het in deze zaak tlgd. feit. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat v.zv. in het kader van deze bestuursrechtelijke (thema)controle sprake zou zijn geweest van schending van discriminatieverbod, dit geen vormverzuim in strafrechtelijk onderzoek kan opleveren waaraan rechtsgevolg kan worden verbonden. Dit oordeel is, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet z.m. begrijpelijk, omdat hof in het midden heeft gelaten of die (mogelijke) schending van discriminatieverbod bij bestuursrechtelijke (thema)controle van bepalende invloed is geweest op verloop van opsporingsonderzoek naar en/of (verdere) vervolging van verdachte t.z.v. tlgd. feit. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:931
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 15-06-2021
CiteertitelNTS 2021, afl. 4, p.
SamenvattingPoging tot zware mishandeling door hamer tegen voorruit van auto te gooien, art. 302 Sr. Bewijsklacht (voorwaardelijk) opzet.
Samenvatting (Bron)Poging tot zware mishandeling door hamer tegen voorruit van auto te gooien, art. 302 Sr. Bewijsklacht opzet. Voorwaardelijk opzet op bepaald gevolg (zoals hier zwaar lichamelijk letsel) is aanwezig wanneer verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het moet gaan om kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat A zwaar lichamelijk letsel zou oplopen doordat verdachte een hamer gooide tegen voorruit van auto waarin A zich bevond. Daarbij is hof er met verdediging vanuit gegaan dat hamer niet door voorruit kon gaan en A zou kunnen treffen. s Hofs oordeel dat kans aanmerkelijk was dat A toch zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen nu A glassplinters in zijn ogen had kunnen krijgen en oordeel dat verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, zijn zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2021:924
Artikel aanvragenVia Praktizijn