AB Rechtspraak Bestuursrecht

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift AB Rechtspraak Bestuursrecht
Datum 10-12-2021
Aflevering 46
RubriekHof van Justitie van de Europese Unie
TitelHvJ EU 06-10-2021, C-487/19
CiteertitelAB 2021/329
SamenvattingEen rechter in Polen komt op tegen een onvrijwillige overplaatsing, waarbij een rechterlijke instantie in laatste aanleg en als alleensprekende rechter het beroep ertegen verwerpt. Er geldt een verplichting om de betreffende beschikking als non-existent te verklaren, indien uit de voorwaarden en omstandigheden, waaronder de procedure voor de benoeming van de alleensprekende rechter is verlopen, blijkt dat deze benoeming kennelijk in strijd was met fundamentele regels die een integrerend deel vormen van de instelling en werking van het betrokken gerechtelijk systeem, en dat afbreuk wordt gedaan aan de integriteit van het resultaat van de procedure doordat bij de justitiabelen legitieme twijfel ontstaat over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de betrokken rechter, zodat niet kan worden aangenomen dat die beschikking afkomstig is van een onafhankelijke en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van art. 19 VEU.
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Grote kamer) van 6 oktober 2021.#Procedure ingeleid door W.Z.#Verzoek van de Sad Najwyzszy om een prejudiciele beslissing.#Prejudiciele verwijzing - Rechtsstaat - Daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden - Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU - Beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters - Onvrijwillige overplaatsing van een rechter bij een gewone rechterlijke instantie - Beroep - Niet-ontvankelijkheidsbeschikking van een rechter bij de Sad Najwyzszy (Izba Kontroli Nadzwyczajnej i Spraw Publicznych) [hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke zaken en strafzaken (kamer voor bijzondere controle en publieke zaken), Polen] - Rechter benoemd door de president van de Republiek Polen op basis van een besluit van de nationale raad voor de rechtspraak ondanks een rechterlijke beslissing tot opschorting van de tenuitvoerlegging van dat besluit in afwachting van een prejudiciele beslissing van het Hof - Rechter die geen vooraf bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig gerecht vormt - Voorrang van het Unierecht - Mogelijkheid om een dergelijke niet-ontvankelijkheidsbeschikking non-existent te verklaren.#Zaak C-487/19.
AnnotatorP.P.T. Bovend'Eert
UitspraakECLI:EU:C:2021:798
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
TitelRaad van State 17-11-2021
CiteertitelAB 2021/330
SamenvattingDe voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 17 december 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de nieuw aangelegde langzaamverkeersverbinding op de Botlekbrug na openstelling in beide richtingen door middel van het plaatsen van verkeersborden G12a aangewezen als fiets-/bromfietspad. De Botlekbrug is een hefbrug voor weg- en spoorverkeer over de Oude Maas in het Rotterdamse havengebied. Tot 12 juli 2015 kon het landbouwverkeer gebruik maken van de oude Botlekbrug. Vanaf 12 juli 2015 is de oude Botlekbrug gesloten en moet landbouwverkeer omrijden. In november 2015 is een nieuwe Botlekbrug in gebruik genomen voor het snelverkeer. Vervolgens is voor het spoorverkeer een nieuwe verbinding gerealiseerd en tevens voor langzaam verkeer, de zogeheten langzaamverkeersverbinding. Als gevolg van het verkeersbesluit mag (land)bouwverkeer niet over de lvv op de Botlekbrug rijden.
AnnotatorL.M. Koenraad
UitspraakECLI:NL:RVS:2021:2585
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
TitelRaad van State 18-08-2021
CiteertitelAB 2021/331
SamenvattingBestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Karakter van de meldingsplicht als instrument. Nader afwegingsmoment.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 1 februari 2018 heeft de raad van de gemeente Borsele het bestemmingsplan "Borsels Buiten, 150 kV Ellewoutsdijk, 2018" vastgesteld. Het besluit van 1 februari 2018 bevat de regeling voor de nieuwe ondergrondse 150 kV-kabelverbinding tussen het 150 kV-station Goes de Poel en het 150 kV-station Westdorpe voor het gedeelte dat binnen de grenzen van de gemeente Borsele ligt. De nieuwe ondergrondse kabelverbinding is voorzien in of nabij de gronden van [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellante sub 4]. Zij kunnen zich niet met het plan verenigen vanwege gevolgen van deze nieuwe kabelverbinding voor hun woon- en leefklimaat en/of hun bedrijfsvoering.
AnnotatorW.P. van der Meulen
LinkVolledige tekst annotatie (RuG.nl)
UitspraakECLI:NL:RVS:2021:1845
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
TitelRaad van State 20-01-2021
CiteertitelAB 2021/332
SamenvattingBeleid dat een patiŽntenorganisatie geen instellingssubsidie kan ontvangen als een andere vergelijkbare organisatie al subsidie ontvangt, is niet in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 24 november 2017 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een subsidieaanvraag van de vereniging voor een instellingssubsidie voor 2018 afgewezen. Instellingssubsidies voor patiŽnten- en gehandicaptenorganisaties (hierna: pg-organisaties) worden verstrekt op grond van de Kaderregeling OCW, SZW en VWS. Het subsidiebeleid is uitgewerkt in het Beleidskader inzake subsidiŽring van patiŽnten- en gehandicaptenorganisaties. Met het subsidiŽren van pg-organisaties wordt gestreefd naar effectief en efficiŽnt werkende organisaties die samen activiteiten uitvoeren zodat cliŽnten hun rol in het zorgstelsel en ten behoeve van maatschappelijke participatie optimaal kunnen innemen. In het beleidskader is invulling gegeven aan het beleid door het subsidiŽren van ťťn pg-organisatie per aandoening. De vereniging vertegenwoordigt patiŽnten die lijden aan de ziekte myalgische encefalomyelitis en houdt zich onder andere bezig met belangenbehartiging.
AnnotatorD.K. Jongkind , A. Drahmann
LinkVolledige tekst annotatie (Universiteitleiden.nl)
UitspraakECLI:NL:RVS:2021:95
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
TitelRaad van State 23-09-2020
CiteertitelAB 2021/333
SamenvattingSluiting bedrijfspand met daarin garagebedrijf onrechtmatig.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 14 januari 2019 heeft de burgemeester van Utrecht gelast het bedrijfspand aan de [locatie] in Utrecht per 1 februari 2019 gedurende twaalf maanden in zijn geheel te (laten) sluiten. [wederpartij] exploiteerde in het bedrijfspand aan de [locatie] een garagebedrijf onder de naam [bedrijf]. In deze garage kunnen particulieren een werkplaats huren. De burgemeester heeft op grond van artikel 2:46, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 en met toepassing van de Beleidsregel sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen besloten tot sluiting van het bedrijfspand voor de duur van twaalf maanden. Daaraan heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat [wederpartij] met zijn garage criminele activiteiten faciliteert.
AnnotatorJ.G. Brouwer , A.E. Schilder
UitspraakECLI:NL:RVS:2020:2282
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtbanken
TitelRechtbank Noord-Nederland 15-10-2021
CiteertitelAB 2021/334
SamenvattingGeen verschoonbare termijnoverschrijding. Gevolgen burn-out en corona-lockdown ontslaan een schademelder niet van zijn verantwoordelijkheid om bezwaar in te dienen.
Samenvatting (Bron)Mijnbouwschade / Awb / bezwaar te laat ingediend / geen verschoonbare termijnoverschrijding / evenredigheidsbeginsel / belang eiser om rechtsbescherming en belang verweerder om rechtszekerheid staan centraal / wetgever heeft reeds onderkend dat onverkort vasthouden aan bezwaartermijn kan leiden tot onbillijkheden / niet evident dat eiser zonder goede grond in hoge mate de schadevergoeding is onthouden waarop hij krachtens de betrokken wettelijke bepalingen recht heeft. Beroep ongegrond verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat het primaire besluit op 20 februari 2020 aan eiser is toegezonden en dat eiser dat besluit daarna heeft ontvangen. Ook is niet in geschil dat eisers reactie op het primaire besluit niet binnen de bezwaartermijn is ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van eiser geen grond vormen om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Hoewel te begrijpen is dat eiser een moeilijke periode heeft doorgemaakt en de situatie als gevolg van de corona-lockdown lastig voor hem was, ontslaan die omstandigheden hem niet van zijn verantwoordelijkheid om op tijd op het primaire besluit te reageren. Verweerder heeft eiser in het primaire besluit uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen binnen zes weken na de datum van dat besluit. Daar komt bij dat niet in geschil is dat de zaakbegeleider eiser op de bezwaarmogelijkheid heeft gewezen. Daarnaast betrekt de rechtbank dat eiser het primaire besluit heeft ontvangen ruim twee weken voordat de coronacrisis begon. Niet gebleken is dat eiser geen mogelijkheid had om een andere persoon te machtigen om namens hem tijdig een (pro forma) bezwaarschrift in te dienen. Daarbij slaat de rechtbank acht op het feit dat eiser tijdens de bezwaartermijn wel de mogelijkheid heeft benut om een aannemer in te schakelen, ter voorbereiding van een contra-expertise. Dat verweerder lang over de behandeling van eisers aanvraag heeft gedaan, maakt deze omstandigheden niet anders. Ook maakt die lange behandeling niet dat eiser de wettelijke bezwaartermijn opzij kan schuiven. Uit de Memorie van Toelichting bij de Tijdelijke wet Groningen volgt dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om de bepalingen van hoofdstuk 6 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) van toepassing te verklaren op het bezwaar dat door de aanvrager kan worden ingesteld tegen een besluit van verweerder. Ook is er uitdrukkelijk voor gekozen om vast te houden aan de bezwaartermijn van zes weken. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in de overige stellingen van eiser evenmin aanleiding voor de conclusie dat verweerder niet mocht beslissen tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaarschrift. Nu het verzuim in het onderhavige geval niet verschoonbaar is, biedt artikel 6:11 van de Awb geen ruimte voor een belangenafweging als gevolg waarvan buiten het kader van dat artikel een uitzondering kan worden toegestaan op een voor eiser fatale termijn. De rechtbank begrijpt de stellingen van eiser hierbij aldus dat ook in het geval er geen sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding, en er daarom sprake is van een gebonden bevoegdheid op grond waarvan verweerder gehouden is eiser niet-ontvankelijk te verklaren, de gelding van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb met zich mee kan brengen dat verweerder, en in het verlengde daarvan de rechtbank, tot het oordeel zou moeten kunnen komen dat het kennelijk onredelijk is om tot niet-ontvankelijkheid van eiser te oordelen. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiser kennelijk meent, bij de uitoefening van de onderhavige bevoegdheid om eiser niet-ontvankelijk te verklaren niet de toekenning en de omvang van de schadevergoeding centraal staat maar de vraag of eiser toegang moet krijgen tot de rechtsbescherming in de vorm van een nieuwe bestuurlijke beoordeling en in het verlengde daarvan een rechterlijke toetsing van die beoordeling. Hoewel de toegang tot de rechtsbescherming een groot goed is, betekent het enkele feit dat die toegang wordt onthouden niet op voorhand dat eiser de schadevergoeding wordt onthouden waarop hij recht heeft. In deze procedure staat daarom niet het belang van eiser op schadevergoeding centraal maar het belang van eiser om rechtsbescherming te verkrijgen en het belang van verweerder om rechtszekerheid te verkrijgen omtrent de gelding van zijn besluiten. De rechtbank sluit niet op voorhand uit dat ook voor zover een bevoegdheid op grond van een wet in formele zin een gebonden karakter heeft, de toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb met zich mee zou kunnen brengen dat in een bijzonder geval die gebonden bepaling niet onverkort wordt toegepast. De rechtbank komt aan de beoordeling van de vraag of de rechtbank een dergelijke toets kan voltrekken echter niet toe omdat de wetgever zelf reeds heeft onderkend dat onverkort vasthouden aan de geldende bezwaar- en beroepstermijn kan leiden tot onbillijkheden en daarom heeft voorzien in de mogelijkheid om van niet-ontvankelijkverklaring af te zien indien de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid kan het bestuursorgaan en de bestuursrechter beoordelen of het onredelijk zou zijn om gelet op de specifieke omstandigheden van eiser, de rechtszekerheid van verweerder voor te laten op de belangen van eiser om toegelaten te worden tot de rechtsbescherming. Voor een verdergaande toets ziet de rechtbank in deze geen aanknopingspunten. Dat zou, mede in het licht van de doelstellingen van de TwG, slechts anders kunnen zijn indien het, ook zonder een meer dan oppervlakkige kennisname van het dossier door de bestuursrechter aan de hand van de beroepsgronden, evident zou zijn dat eiser zonder goede grond in hoge mate de schadevergoeding zou worden onthouden waarop hij krachtens de betrokken wettelijke bepalingen recht heeft. De rechtbank acht het overigens in het licht van de doelstellingen van de TwG niet goed voorstelbaar dat verweerder, geconfronteerd met een dergelijk geval niet ambtshalve een nieuw besluit op bezwaar zou nemen zodat eiser alsnog zou krijgen waar hij recht op heeft. In de onderhavige zaak is daarvan echter geen sprake. Vaststaat dat eisers aanvraag inhoudelijk door verweerder is behandeld en beoordeeld, met inachtneming van de deskundigenadviezen van Jasper en Hummel. Daar heeft eiser geen contra-expertise tegenovergesteld, laat staan een contra-expertise waaruit evident blijkt dat hem zonder goede grond de schadevergoeding is onthouden als hiervoor bedoeld. In dat licht bezien is het ook niet aannemelijk geworden dat een volledige heroverweging in de bezwaarfase zou hebben geleid tot de conclusie dat eiser recht heeft op een veel hogere schadevergoeding dan toegekend in het primaire besluit. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard.
AnnotatorR. Bronsema
UitspraakECLI:NL:RBNNE:2021:4418
Artikel aanvragenVia Praktizijn