Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht (NTS)

Uitgever Boom Juridische Uitgevers
Tijdschrift Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht (NTS)
Datum 29-04-2022
Aflevering 2
RubriekVan de redactie
TitelNo pictures please. Een afbakening van de mogelijkheden tot openbaarmaking van de uitspraak
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 55
SamenvattingDe redactionele bijdrage gaat over de (on)mogelijkheden die de feitenrechter op grond van artikel 36 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) heeft bij de openbaarmaking van een veroordelend vonnis.
Pagina55
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelProcesafspraken in strafzaken. Bespreking van actuele experimenten en in het bijzonder de vonnissen uit Limburg en Rotterdam
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 59
SamenvattingIn deze bijdrage van deze aflevering behandelt de auteur het fenomeen ‘procesafspraken’, een nieuwe en fundamenteel andere manier van procederen op basis van consensus met rechterlijke toetsing. Met het maken van procesafspraken trachten openbaar ministerie, advocatuur en rechtspraak het hoofd te bieden aan het toenemende aantal (omvangrijke) strafzaken. In het artikel bespreekt de auteur diverse actuele experimenten in verschillende arrondissementen en gaat zij in op ervaringen met procesafspraken in andere Europese landen. Daarna volgt een kritische beschouwing van de eerste vonnissen van de rechtbank Limburg en de rechtbank Rotterdam waarin procesafspraken werden goedgekeurd. De auteur besluit de bijdrage met een oproep tot wetgeving.
Auteur(s)L.J.J. Peters
Pagina59
LinkVolledige tekst artikel
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelDe problemen rond de strafbaarstelling van het inreisverbod (artikel 197 Sr): een overzicht van tien roerige jaren sinds de implementatie in Nederland
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 71
SamenvattingIn de bijdrage bespreken de auteurs artikel 197 Sr en de vraagstukken die hebben geleid tot het staken van de vervolging van de overtreding van het zware inreisverbod vanwege de Europese en nationale uitspraken die de afgelopen jaren daarover zijn gedaan. Zo behandelen zij het arrest inzake JZ., waarin het HvJ EU met toepassing van de uitgangspunten van het arrest Ouhrami zijn fiat heeft gegeven aan strafbaarstelling van illegaal verblijf van de vreemdeling die kennis heeft van een inreisverbod dat jegens hem is uitgevaardigd en het daaropvolgende arrest van de Hoge Raad. De auteurs stellen zich de vraag of de strafbaarstelling van het negeren van een uitgevaardigd inreisverbod zich verdraagt met het lex certa-beginsel. Verder stellen zij vragen omtrent de verhouding tussen de strafrechter en de bestuursrechter.
Auteur(s)A. Pahladsingh , E. Druijf
Pagina71
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelDe juridische houdbaarheid van het systeem van sanctionering van fiscale fraude
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 86
SamenvattingDe auteur schrijft over de juridische houdbaarheid van het systeem van sanctionering van fiscale fraude. Een houdbaar systeem van sanctionering van fiscale fraude garandeert duidelijkheid ten aanzien van de werking ervan en onderlinge afstemming van de verschillende systeemonderdelen, zo stelt Hofman. In het artikel gaat de auteur in dat verband in op de voorzienbaarheid van bestraffing van fiscale fraude en op het voorkomen van ongeoorloofde samenloop van fiscale sancties ten aanzien van eenzelfde feit. Hofman concludeert dat het systeem van sancties ten aanzien van fiscale fraude – als geheel – aan een herbezinning toe is
Auteur(s)C. Hofman
Pagina86
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelDe scherpe scheiding tussen het militair tuchtrecht en het (militair) strafrecht. Pleidooi voor een heroverweging
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 98
SamenvattingIn deze bijdrage wordt ingegaan op de scherpe scheiding tussen het militair tuchtrecht en het (militair) strafrecht. In hun bijdrage bespreken de auteurs twee aspecten die met die scherpe scheiding verband houden, de aangifteplicht voor commandanten − artikel 78 van de Wet militair tuchtrecht (Wmt) − en de uitzondering op de scherpe scheiding (art. 79 Wmt). De auteurs betogen dat de materiële uitwerking van zowel de aangifteplicht als de uitzonderingsmogelijkheid onvoldoende aansluit bij het doel dat in 1991 met de aanbrenging van de scherpe scheiding tussen het militair tuchtrecht en het (militair) strafrecht werd beoogd.
Auteur(s) B. van Hoek , M. Roorda
Pagina98
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 22-02-2022
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 106
SamenvattingAfwijzing getuigenverzoeken. Post Keskin-rechtspraak van toepassing als voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van WhatsApp-gesprekken tussen verdachte en door de verdediging verzochte getuigen?
Samenvatting (Bron)Invoer MDMA, art. 2.A Opiumwet. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan, op tz. in hoger beroep gehandhaafd en op nadere tz. in h.b. herhaald verzoek tot horen van 2 getuigen op de grond dat onvoldoende is onderbouwd waarom horen van deze personen van belang is voor enige te nemen beslissing o.g.v. art. 348 en 350 Sv. Is kader uit post-Keskin van toepassing als voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van WhatsApp-gesprekken tussen verdachte en door verdediging verzochte getuigen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2017:1015 m.b.t. motiveringsplicht voor verdediging bij een tot zittingsrechter gericht getuigenverzoek en uit HR:2021:576 (post-Keskin) m.b.t. bijstelling van eisen m.b.t. onderbouwing van getuigenverzoeken als het gaat om getuigen t.a.v. wie verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuigen al (in het vooronderzoek of anderszins) een verklaring hebben afgelegd met een belastende strekking. Verdediging heeft verzocht om A en B als getuigen op te roepen en te horen. Dat verzoek heeft betrekking op personen die hebben deelgenomen aan met verdachte gevoerde WhatsApp-gesprekken, waarvan een weergave is opgenomen in de door hof gebruikte bewijsmiddelen. De uitlatingen van deze personen kunnen niet worden aangemerkt als een buiten de aanwezigheid van verdediging afgelegde getuigenverklaring, waarvoor zou gelden dat geen nadere onderbouwing van het belang bij het oproepen en horen van betreffende persoon mag worden verlangd. Hof heeft daarom bij beoordeling van verzoeken terecht tot uitgangspunt genomen dat het belang van verdediging bij het oproepen en horen van deelnemers van die WhatsApp-gesprekken niet zonder nadere motivering kon worden aangenomen. s Hofs afwijzing van verzoeken tot het horen van A en B als getuigen op de grond dat onvoldoende is onderbouwd waarom het horen van deze personen van belang is voor enige te nemen beslissing o.g.v. art. 348 en 350 Sv en op de grond dat, v.zv. het gaat om getuige A, het horen niet noodzakelijk is, is daarnaast (gelet op onderbouwingen van verzoeken) niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
Pagina106
UitspraakECLI:NL:HR:2022:177
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 22-02-2022
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 108
SamenvattingMedeplegen opzettelijk vervoeren van 5 kg hennep (art. 3.B Opiumwet). Bewijsklacht medeplegen.
Samenvatting (Bron)Medeplegen opzettelijk vervoeren van 5 kg hennep (art. 3.B Opiumwet). Bewijsklacht medeplegen. Hof heeft in zijn bewijsoverweging gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het medeplegen van het opzettelijk vervoeren van de vijf kg hennep bewezen is. Kennelijk oordeel van hof dat de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met zijn medeverdachten die naar het oordeel van hof in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het delict, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 20/02295.
Pagina108
UitspraakECLI:NL:HR:2022:288
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 22-02-2022
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 109
SamenvattingDiefstal met geweld in vereniging (art. 312 Sr). Bewijsklacht medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:3474, HR:2015:718 en HR:2016:1316 m.b.t. medeplegen en i.h.b. de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid.
Samenvatting (Bron)Medeplegen diefstal met geweld, art. 312.2.2 Sr. Bewijsklacht medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:3474, HR:2015:718 en HR:2016:1316 m.b.t. medeplegen en i.h.b. de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Hof heeft vastgesteld dat verdachte, na telefonisch contact te hebben gehad met A, met medeverdachten A en B in 2 autos gezamenlijk naar Gouda is gereden, dat verdachte daar in de nabijheid van de overval in een auto heeft rondgereden terwijl A en B de aangever van zijn telefoon en autosleutel beroofden, en dat verdachte vervolgens als bestuurder van deze auto heeft opgetreden toen daarmee A en B met de gestolen goederen weer zijn weggereden. Hof heeft verder vastgesteld dat verdachte niet een van de 2 overvallers was. In aanmerking genomen dat vastgestelde gedragingen van verdachte doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht, behoefde s hofs oordeel dat verdachte medepleger van overval is geweest nadere motivering. De in dat verband door hof genoemde omstandigheden dat verklaringen van verdachte niet overeenstemmen met b.m. en dat verdachte geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn rol, zijn daartoe in dit geval onvoldoende. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Pagina109
UitspraakECLI:NL:HR:2022:289
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 01-02-2022
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 111
SamenvattingHennepkwekerij met 608 hennepplanten op zolder van schuur bij een door verdachte gehuurde woning. Telen van hennepplanten (art. 3.B Opiumwet) en diefstal van elektriciteit (art. 310 Sr). Bewijsklachten. Bewezenverklaring houdt in dat verdachte in een pand 608 hennepplanten ‘opzettelijk heeft geteeld’ en dat verdachte elektriciteit heeft ‘weggenomen’.
Samenvatting (Bron)Hennepkwekerij met 608 hennepplanten op zolder van schuur bij een door verdachte gehuurde woning. Telen van hennepplanten (art. 3.B Opiumwet) en diefstal van elektriciteit (art. 310 Sr). Bewijsklachten. Bewezenverklaring houdt in dat verdachte in een pand 608 hennepplanten opzettelijk heeft geteeld en dat verdachte elektriciteit heeft weggenomen. Deze onderdelen van bewezenverklaringen kunnen niet z.m worden afgeleid uit gebruikte bewijsvoering. In dat verband is van belang dat hof enerzijds verklaring van verdachte dat hij zolder van zijn woning tegen betaling ter beschikking heeft gesteld aan een aantal personen die hij kent uit het dorp, heeft gebruikt voor bewijs maar anderzijds ook heeft geoordeeld dat deze verklaring niet aannemelijk is geworden nu zij onvoldoende concreet, specifiek en verifieerbaar is gebleven. Daarnaast heeft hof de juistheid in het midden gelaten van de door verdediging aangevoerde omstandigheid dat zolder waar hennepkwekerij is aangetroffen, geen deel uitmaakte van de door verdachte gehuurde en bewoonde woning. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
Pagina111
UitspraakECLI:NL:HR:2022:46
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 25-01-2022
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 112
SamenvattingHennepkwekerij op zolder van woning verdachte en medeverdachte echtgenoot. 1. Medeplegen opzettelijk telen hennep, art. 3.B Opiumwet. 2. Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben hennep, art. 3.C Opiumwet.
Samenvatting (Bron)Hennepkwekerij op zolder van woning verdachte en medeverdachte echtgenoot. 1. Medeplegen opzettelijk telen hennep, art. 3.B Opiumwet. 2. Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben hennep, art. 3.C Opiumwet. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:3474, HR:2015:718 en HR:2016:1316 m.b.t. afbakening medeplegen en medeplichtigheid. Hof heeft aan bewezenverklaring van medeplegen i.h.b. ten grondslag gelegd dat (i) de hennepkwekerij is aangetroffen op het adres waar verdachte met haar echtgenoot medeverdachte en hun kinderen woont, (ii) verdachte wist dat medeverdachte in de studioruimte op zolder van de gezamenlijke woning een hennepkwekerij had opgezet, (iii) verdachte maandelijks een voorschot van ruim 450 op de energienota voldeed, (iv) het leeuwendeel van deze energiekosten betrekking moet hebben gehad op het in werking zijn van de hennepkwekerij en (v) het ervoor moet worden gehouden dat gelet op de energiekosten en vaste lasten het gezinsinkomen aangevuld moet zijn geweest met inkomsten uit de kwekerij. Deze omstandigheden zijn niet z.m. voldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op opzettelijk telen van hennep, nu deze omstandigheden in de kern niet meer inhouden dan dat verdachte aan een ander middelen heeft verschaft voor het telen van hennepplanten in de gezamenlijke woning, hetgeen op het eerste gezicht duidt op gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, en dat zij heeft geprofiteerd van de inkomsten uit de kwekerij. s Hofs oordeel is daarom ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. s Hofs oordeel dat verdachte de hennepplanten tezamen en in vereniging met een ander aanwezig heeft gehad, is gelet op s hofs vaststellingen wel toereikend gemotiveerd. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
Pagina112
UitspraakECLI:NL:HR:2022:72
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 25-01-2022
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 114
SamenvattingProfijtontneming coffeeshop Checkpoint, w.v.v. uit verkoop hennep. OM-cassatie. Toepassing van matigingsbevoegdheid, vrijheid ontnemingsrechter. Kon hof de aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting matigen tot 50% van geschatte omvang w.v.v.?
Samenvatting (Bron)Profijtontneming coffeeshop Checkpoint, w.v.v. uit verkoop hennep. OM-cassatie. Toepassing van matigingsbevoegdheid, vrijheid ontnemingsrechter. Kon hof de aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting matigen tot 50% van geschatte omvang w.v.v.? Ex vierde volzin van art. 36e.5 Sr kan rechter de betalingsverplichting van betrokkene lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Deze bevoegdheid van rechter om de betalingsverplichting te matigen is niet beperkt tot specifieke gevallen. Ook o.g.v. andere omstandigheden dan die verband houden met de draagkracht van betrokkene, kan rechter het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel (vgl. HR:2014:860 en HR:2021:376). Het is aan rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden om te beslissen welke omstandigheden van belang zijn te achten voor de beslissing of de betalingsverplichting wordt gematigd en, zo ja, met welk bedrag die matiging plaatsvindt. Hof heeft bij zijn beslissing de aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting 50% lager vast te stellen dan het bedrag van het geschatte voordeel, enerzijds rekening gehouden met de omstandigheden waaronder w.v.v. is verkregen, de rol die de overheid in dat verband heeft vervuld, en de mate waarin de overheid t.g.v. de exploitatie van de coffeeshop inkomsten heeft genoten, terwijl hof anderzijds het maatschappelijk niet aanvaardbaar acht dat een wetsovertreder al het door hem met strafbare feiten verdiende geld mag behouden. V.zv. middel klaagt dat de door hof daartoe in aanmerking genomen omstandigheden niet kunnen leiden tot matiging van de betalingsverplichting, faalt het gelet op wat is vooropgesteld over de vrijheid van ontnemingsrechter. Beslissing hof de aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting 50% lager vast te stellen dan het bedrag van het geschatte voordeel is daarnaast niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 20/03021 P. Vervolg op HR:2016:742 en HR:2013:7 (strafzaken).
Pagina114
UitspraakECLI:NL:HR:2022:67
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 25-01-2022
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 115
SamenvattingSchuldheling fiets, art. 417bis.1.a. Sr. Feit van algemene bekendheid. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BP0291 en HR:2016:522 m.b.t. feiten of omstandigheden van algemene bekendheid.
Samenvatting (Bron)Schuldheling fiets, art. 417bis.1.a. Sr. Feit van algemene bekendheid. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BP0291 en HR:2016:522 m.b.t. feiten of omstandigheden van algemene bekendheid. Hof heeft geoordeeld dat feit van algemene bekendheid is dat een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt. Oordeel is niet z.m. begrijpelijk. Zonder nadere motivering heeft hof niet kunnen aannemen dat sprake is van een ervaringsregel die meebrengt dat alleen al op grond van deze omstandigheden geconcludeerd kan worden dat het een door misdrijf verkregen fiets betrof. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
Pagina115
UitspraakECLI:NL:HR:2022:44
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie
TitelHoge Raad 11-01-2022
CiteertitelNTS 2022, afl. 2, p. 117
SamenvattingProfijtontneming. OM-cassatie. Hof heeft ontnemingsvordering afgewezen op de grond dat onvoldoende concrete aanwijzingen aanwezig zijn dat voordeel afkomstig is uit concreet gronddelict gerelateerd aan illegale hennepteelt. Gebondenheid ontnemingsrechter aan oordeel strafrechter.
Samenvatting (Bron)Profijtontneming. OM-cassatie. Hof heeft ontnemingsvordering afgewezen op de grond dat onvoldoende concrete aanwijzingen aanwezig zijn dat voordeel afkomstig is uit concreet gronddelict gerelateerd aan illegale hennepteelt. Gebondenheid ontnemingsrechter aan oordeel strafrechter. Heeft hof zich in ontnemingsprocedure ten onrechte niet gebonden geacht aan s hofs oordeel in strafzaak dat het bij betrokkene aangetroffen contante geldbedrag van ongeveer 100.000 afkomstig is uit eerdere door hem begane soortgelijke misdrijven? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:1077 en HR:2021:1501 m.b.t. het gebruik van een eenvoudige kasopstelling bij toepassing van art. 36e.2 (oud) Sr en HR:2020:1523 m.b.t. de rol van de onschuldpresumptie bij de vaststelling van voldoende aanwijzingen a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr. Anders dan de steller van het middel meent, heeft hof i.c. tot uitgangspunt genomen dat in de strafzaak is geoordeeld dat de aangetroffen contante gelden ter hoogte van ongeveer 100.000,- (...) uit eigen misdrijf afkomstig zijn nu het aannemelijk is dat betrokkene al gedurende langere tijd actief is in het criminele circuit dat zich bezighoudt met de illegale hennepteelt. Maar omdat hof betrokkene in de strafzaak heeft vrijgesproken van de verkoop van hennepstekken en/of hennepplanten en het telen van hennep, heeft hof in de ontnemingszaak niettemin geoordeeld dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn voor een concreet aan illegale hennepteelt gerelateerd (grond)delict waaruit dat geldbedrag als voordeel afkomstig is. Opvatting dat het oordeel in de strafzaak dat het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een geldbedrag van ongeveer 100.000 niet kan worden gekwalificeerd als witwassen omdat dat geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is, z.m. met zich brengt dat vaststaat dat dit geldbedrag (geheel) is verkregen d.m.v. of uit de baten van feiten a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr, vindt geen steun in het recht. Het is immers aan ontnemingsrechter om vast te stellen of dergelijke feiten buiten redelijke twijfel kunnen worden vastgesteld. s Hofs oordeel dat ook anderszins niet voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene feiten in de zin van art. 36e.2 (oud) Sr heeft begaan door middel waarvan of uit de baten waarvan w.v.v. is verkregen, berust op een aan hof voorbehouden waardering van de feiten en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Pagina117
UitspraakECLI:NL:HR:2022:4
Artikel aanvragenVia Praktizijn