Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 12-05-2022
Aflevering 17
RubriekVooraf
TitelKwaad en goed in het procesrecht
CiteertitelNJB 2022/1071
SamenvattingOoit stonden ‘we’ 2e op de persvrijheidsindex achter Finland; inmiddels, zo maakte Verslaggevers Zonder Grenzen bekend, is Nederland gezakt naar de 28e plaats. Dit heeft naar verluidt behalve met de moord op Peter R. de Vries o.m. ook te maken met de coronacrisis; de pers wordt door een deel van de bevolking cynisch genoeg als verlengstuk van de macht gezien en geconfronteerd met allerlei vormen van intimidatie.
Auteur(s)T. Hartlief
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl/blogs)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelResponsieve bestuursrechtspraak: Een beschouwing over de rol van maatwerk in bestuursrechtelijke appelprocedures
CiteertitelNJB 2022/1072
SamenvattingDeze bijdrage gaat op zoek naar handvatten die hogerberoepsrechters kunnen gebruiken bij het vinden van een balans tussen enerzijds het leveren van maatwerk en anderzijds het bewaken van rechtseenheid en het bevorderen van rechtsontwikkeling.
Auteur(s)J. de Poorter , L.M. Koenraad
LinkVolledige tekst artikel (linkedin.com)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelAls herstel van vertrouwen het doel is, is herstelbemiddeling het middel De hersteloperatie kinderopvangtoeslagenaffaire
CiteertitelNJB 2022/1073
SamenvattingAls iemand een ander iets ernstigs heeft aangedaan, en hij wil dat herstellen, zou een goed gesprek hierover bijvoorbeeld kunnen beginnen met: ‘Wat vreselijk dat ik u dit heb aangedaan, het spijt me heel erg, hoe kan ik het goedmaken?’ Daarmee laat de ‘dader’ zien dat hij de behoefte van de gedupeerde centraal stelt. De Staatssecretaris voor Toeslagen en Douane is op weg om deze aanpak leidend te maken in de hersteloperatie kinderopvangtoeslagaffaire. Maar zij is er nog niet. De beginselen van herstelrecht kunnen haar helpen om ook de laatste stappen in deze richting te zetten.
Auteur(s)D. Allewijn
LinkVolledige tekst artikel (dickallewijn.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelWaarom is het herstructureringsregime voor natuurlijke personen zoveel hardvochtiger dan voor ondernemingen?
CiteertitelNJB 2022/1074
SamenvattingHet enthousiasme over de Wet homologatie onderhands akkoord, voor ondernemingen in financiële problemen, roept de vraag op of aan natuurlijke personen niet ten minste een vergelijkbare mogelijkheid moet worden geboden om hun schuldenlast te herstructureren. Zij zijn aangewezen op de Wet schuldsanering natuurlijke personen, een regeling die met beduidend meer wantrouwen is opgetuigd dan de WHOA.
Auteur(s)R.M. Wibier
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelTwitteren over grondrechten in tijden van de pandemie Startpunt voor discussie of stok om mee te slaan?
CiteertitelNJB 2022/1075
SamenvattingSinds de coronacrisis zijn de Grondwet en grondrechten een veel grotere rol gaan spelen in de publieke discussie, ook op sociale media. De auteurs van dit artikel bekeken over een periode van 45 dagen alle tweets over grondrechten en de pandemie, en zagen dat de meerderheid daarvan een onjuist beeld van grondrechten schetst. De kloof tussen het beeld dat bestaat van grondrechten in de publieke discussie en de genuanceerde juridische werkelijkheid, lijkt juist in een crisis en met behulp van sociale media te kunnen bijdragen aan een afname van vertrouwen in de overheid. Waar grondrechten worden gebruikt om discussie in de kiem te smoren, bestaat een gevaar voor het functioneren van onze democratische rechtsstaat.
Auteur(s)I. Leijten , J. But , D. Burggraaf , M. de Brabander , L. Massier , L. Ruitenbeek , H. van der Gaag , F. van Haeften , T. van Middelkoop , I. Zee
LinkVolledige tekst artikel (universiteitleiden.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelDe recidivegronden voor voorlopige hechtenis getoetst aan artikel 5 EVRM : Drie aandachtspunten voor een verdragsconforme Nederlandse praktijk
CiteertitelNJB 2022/1076
SamenvattingEen deel van de bevelen tot voorlopige hechtenis op de recidivegronden in Nederland lijkt in strijd te zijn met het EVRM. De in dit artikel aangehaalde empirische onderzoeken naar de voorlopige hechtenispraktijk gelegd tegen de eisen die het EHRM stelt aan de recidivegrond wijzen in die richting. Het is voorstelbaar dat een verdragsconforme toepassing van de recidivegronden met zich brengt dat Nederlandse rechters deze gronden voortaan minder vaak mogen toepassen dan nu het geval is. Nader jurisprudentie-onderzoek is aangewezen om de juistheid van deze hypothesen te toetsen.
Auteur(s)M. de Vries
LinkVolledige tekst artikel (RuG.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPraktijk
TitelDeskundigen van het openbaar ministerie zijn anders dan deskundigen van de verdediging
CiteertitelNJB 2022/1077
SamenvattingIn Nederland is equality of arms wat deskundigen in het strafproces betreft nog ver weg. Voor de verdediging is het veel moeilijker om überhaupt een deskundige te mogen inschakelen dan voor het openbaar ministerie, maar als dat dan mag zijn er nog heel wat hordes te overwinnen. Het NRGD heeft daarom een taak om er niet alleen voor te zorgen dat er goede deskundigen zijn, maar ook dat beide kanten in het strafproces zich gelijkwaardig met deskundigen kunnen wapenen.
Auteur(s)P.J. van Köppen
LinkVolledige tekst artikel (petervankoppen.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 03-02-2022, 39325/20
CiteertitelNJB 2022/1078
UitspraakECLI:CE:ECHR:2022:0203JUD003932520
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - HvJ EU
TitelHvJ EU 08-03-2022, C-205/20
CiteertitelNJB 2022/1079
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Grote kamer) van 8 maart 2022.#NE tegen Bezirkshauptmannschaft Hartberg-F?rstenfeld.#Verzoek van Landesverwaltungsgericht Steiermark om een prejudici?le beslissing.#Prejudici?le verwijzing - Vrij verrichten van diensten - Terbeschikkingstelling van werknemers - Richtlijn 2014/67/EU - Artikel 20 - Sancties - Evenredigheid - Rechtstreekse werking - Beginsel van voorrang van het Unierecht.#Zaak C-205/20.
UitspraakECLI:EU:C:2022:168
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 22-04-2022
CiteertitelNJB 2022/1080
Samenvatting (Bron)Beklag, beslag ex art. 94 Sv n.a.v. EOB van Duitse autoriteiten op o.a. telefoon onder klaagster, waarna klaagster o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv klaagschrift indient. Aanhoudingsverzoek en geheimhouding feiten en inhoud EOB. 1. Algemene beschouwingen m.b.t. geheimhouding stukken en onderzoek. 2. Afwijzing aanhoudingsverzoek. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:1940 m.b.t. beoordeling van klaagschrift dat is ingediend o.g.v. art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv. HR wijdt algemene beschouwingen aan uit Richtlijn 2014/41/EU voortvloeiende verplichting tot inachtneming van geheimhouding van feiten en inhoud van EOB door uitvoerende autoriteit, ook in gevallen waarin klaagschrift is ingediend. Verplichting tot geheimhouding staat er niet aan in de weg dat OM o.g.v. art. 23.5 Sv alle stukken die op zaak betrekking hebben, moet overleggen en dat raadkamer die over klaagschrift moet oordelen van die stukken kennisneemt, nu raadkamer deze stukken moet betrekken in beoordeling klaagschrift. Verplichting tot geheimhouding zal doorgaans grond geven voor oordeel dat belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als betrokkene en/of zijn raadsman kennis kunnen nemen van EOB en stukken waaruit inhoud EOB blijkt. In dat geval onthoudt raadkamer hun die kennisneming o.g.v. art. 23.6 Sv. In HR:2020:1227 is overwogen dat belang van effectieve rechtsbescherming van betrokkene kan meebrengen dat OM eerst aan uitvaardigende autoriteit vraagt of concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door betrokkene van bepaald stuk. Dergelijk geval kan zich voordoen als (i) kennisneming van en eventuele reactie op specifiek onderdeel van EOB of bepaald bij EOB behorend stuk van bijzonder belang is voor beoordeling klaagschrift door rechter, en (ii) aanleiding bestaat te vermoeden dat belangen van uitvaardigende staat niet zullen worden geschaad als kennisneming van betreffende informatie aan betrokkene zou worden toegestaan. In zon geval legt, alvorens Rb beslist over kennisneming van stuk, OM de hiervoor bedoelde vraag voor aan uitvaardigende autoriteit. Als daarop blijkt dat uitvaardigende staat geen bezwaren heeft tegen die kennisneming, blijft toepassing van art. 23.6 Sv in zoverre achterwege. Bij behandeling klaagschrift kan betrokkene aan raadkamer het verzoek doen o.g.v. art. 23.1 Sv OM op te dragen aan uitvaardigende autoriteit de vraag voor te leggen of bezwaren bestaan tegen kennisneming door betrokkene van bepaald stuk en behandeling van klaagschrift aan te houden totdat die navraag is gedaan. Als zon verzoek wordt gedaan beoordeelt raadkamer (mede o.g.v. stukken waarvan raadkamer kennisneemt) of daartoe noodzaak bestaat. Rechter is niet gehouden beslissing op het verzoek te motiveren als geheimhoudingsverplichting jegens uitvaardigende staat zich daartegen verzet. Ad 2. Rb heeft verzoek tot aanhouding behandeling zaak afgewezen. Opvatting dat steeds aan uitvaardigende autoriteit vraag moet worden voorgelegd of geheimhouding van onderzoek in de weg staat aan kennisneming door betrokkene van EOB en/of daarbij behorende stukken, vindt geen steun in het recht. Ook voor overige is oordeel Rb niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:653
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 22-04-2022
CiteertitelNJB 2022/1081
Samenvatting (Bron)Beklag, beslag in Frankrijk op 3 servers van klaagster (Canadese onderneming), die zij huurt van Frans bedrijf, i.h.k.v. gemeenschappelijk onderzoeksteam a.b.i. art. 5.2.1 Sv. Ontvankelijkheid klaagschrift strekkende tot teruggave van servers en gegevens die daarvan afkomstig zijn, art. 552a Sv. 1. Kan bij Nederlandse rechter worden geklaagd over inbeslagneming van servers in Frankrijk? 2. Kan bij Nederlandse rechter worden geklaagd over in Nederland verricht onderzoek aan servers? Ad 1. Uit juridisch kader (art. 13 EU rechtshulpovereenkomst, art. 5.2.2 Sv en art. 5.2.4 Sv) volgt dat nationaal recht van lidstaat waar opsporingsbevoegdheid t.b.v. gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt uitgeoefend, leidend is. Omstandigheid dat team van opsporingsambtenaren en technici van Nederlandse politie bijstand heeft verleend tijdens deze inbeslagneming in Frankrijk, maakt het voorgaande niet anders. Deze omstandigheid betekent immers niet dat sprake is van uitoefening van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied a.b.i. art. 5.2.2 Sv noch dat sprake is van stukken, voorwerpen of gegevens die in Nederland zijn vergaard a.b.i. art. 5.2.4 Sv. Oordeel Rb dat servers niet door Nederlandse autoriteiten in beslag zijn genomen, is niet onbegrijpelijk. Daarop gebaseerd oordeel dat bij Nederlandse rechter niet kan worden geklaagd over uitblijven van last tot teruggave daarvan, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. T.a.v. oordeel Rb dat bij Nederlandse rechter niet kan worden opgekomen tegen het in Nederland verrichte onderzoek aan betreffende servers, is van belang dat Rb heeft vastgesteld dat door Franse onderzoeksrechter is verzocht om technische bijstand bij maken van kopieën van harde schijven en RAM-geheugens van (...) verzegelde servers en dat die bijstand is verleend door Nederlands Team High Tech Crime van Landelijke Eenheid in Driebergen. Oordeel Rb dat deze verleende bijstand niet wordt aangemerkt als uitoefening van opsporingsbevoegdheden op Nederlands grondgebied t.b.v. gemeenschappelijk onderzoeksteam a.b.i. art. 5.2.2 Sv, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:612
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 13-04-2022
CiteertitelNJB 2022/1082
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 3 april 2018 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg aan RMS Venlo B.V. (hierna: RMS) een vergunning op grond van de Waterwet verleend voor het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam de Gekkengraaf. RMS is voornemens om aan de Horsterweg (ongenummerd) te Grubbenvorst een bioraffinage-installatie te realiseren. In de inrichting wordt mest afkomstig van veehouderijen samen met een aantal andere organische materialen (bermgras en vaste mest) vergist en verwerkt tot duurzame energie (groen gas/CO2), organische meststoffen en schoon water. RMS heeft op 23 december 2016 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten en in werking hebben van de bioraffinage-installatie.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:1067
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 13-04-2022
CiteertitelNJB 2022/1083
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 16 april 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht de aanvraag van Calor om een omgevingsvergunning voor de bouw van een afvoerpijp (schoorsteen) voor een stookinstallatie en het maken van een stookruimte op het perceel Zamenhofdreef 77 in Utrecht opnieuw buiten behandeling gesteld. Calor heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een afvoerpijp voor een stookinstallatie op het bestaande gebouw op het perceel en voor het maken van een stookruimte in dat gebouw. De eigenaar van het gebouw is Woningexploitatiemaatschappij Nederland B.V. (hierna: WEM). Het college heeft zowel Calor als WEM verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Daarnaast is Calor gevraagd aanvullende gegevens te verstrekken over onder andere de activiteit bouwen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:993
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 20-04-2022
CiteertitelNJB 2022/1084
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 15 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zutphen hogere waarden zoals bedoeld in de Wet geluidhinder vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Kattenhavestraat". Het plan voorziet in de mogelijkheid om vier nieuwe stadswoningen te bouwen op een onbebouwd hoekperceel aan de Kattenhavestraat in Zutphen. Het perceel fungeert sinds 1984 als tijdelijke parkeerplaats. De woning van [appellant], aan de IJsselkade, grenst aan het plangebied.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:1157
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 29-03-2022
CiteertitelNJB 2022/1085
Samenvatting (Bron)Intrekking AIO-uitkering. Niet gemeld pensioen. Onderzoeksbevoegdheid. Opvragen gegevens vormt een gerechtvaardigde inbreuk op de privacy. Het opvragen van gegevens bij de SGK vormt een inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellante. De in artikel 53a van de PW vermelde onderzoeksbevoegdheid biedt hiervoor een wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Het opvragen van gegevens bij de SGK vormde onder de gegeven omstandigheden een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellante.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:793
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 13-04-2022
CiteertitelNJB 2022/1086
Samenvatting (Bron)Aanvraag WIA. Bewijslast. In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen. Op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Op grond van de Wet WIA en de daarop gebaseerde regelgeving liggen het verzekeringsgeneeskundig en het arbeidskundig onderzoek naar aanleiding van een WIA-aanvraag evenwel volledig in handen van het Uwv. Dit betekent dat de resultaten van deze onderzoeken niet vallen onder de aanvraaggegevens, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, en dat het Uwv in zoverre de bewijslast draagt. De rechtbank heeft op zichzelf beschouwd dus ten onrechte overwogen dat het in geval van een WIA-aanvraag aan de aanvrager is om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die moeten leiden tot inwilliging van die aanvraag.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:852
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 14-04-2022
CiteertitelNJB 2022/1087
Samenvatting (Bron)Geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Ouderdomspensioen terecht omgezet naar een gehuwdenpensioen, maar Svb had wel een overgangstermijn in acht moeten nemen. In tegenstelling tot de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. De Raad onderkent dat betrokkene en zijn echtgenote al sinds 2005 apart van elkaar wonen en dat zij weinig contact hebben. Evenwel heeft de Svb terecht geoordeeld dat de nog bestaande mate van financiële verstrengeling tussen betrokkene en zijn echtgenote aan duurzaam gescheiden leven in de weg staat. Betrokkene en zijn echtgenote zijn samen eigenaar van de door de echtgenote bewoonde woning. De echtgenote betaalt aan betrokkene geen vergoeding voor de bewoning. In een situatie als de onderhavige en waarin betrokkene in het kader van het onderzoek openheid van zaken heeft gegeven, acht de Raad het rauwelijks herzien van het AOW-pensioen zonder aan betrokkene een redelijke termijn te gunnen om zich in te stellen op de gevolgen daarvan in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De herziening per eerstvolgende maand geeft in onvoldoende mate blijk van een zorgvuldige en evenwichtige besluitvorming jegens betrokkene. De Raad acht een overgangstermijn van drie maanden redelijk.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:821
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 14-04-2022
CiteertitelNJB 2022/1088
Samenvatting (Bron)Geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Ouderdomspensioen terecht omgezet naar een gehuwdenpensioen, maar Svb had wel een uitlooptermijn van 6 maanden in acht moeten nemen. In tegenstelling tot de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. De Raad onderkent dat betrokkene en haar echtgenoot al sinds 2005 apart van elkaar wonen en dat zij weinig contact hebben. Evenwel heeft de Svb terecht geoordeeld dat de nog bestaande mate van financiële verstrengeling tussen betrokkene en zijn echtgenote aan duurzaam gescheiden leven in de weg staat. Ter zitting is met partijen besproken welke gevolgen, in geval van een geslaagd hoger beroep van de Svb, zouden moeten worden verbonden aan het feit dat de Svb het AOW-pensioen rauwelijks heeft herzien, terwijl de Svb pas na dertien jaar onderzoek doet naar de woon- en leefsituatie van betrokkene en terwijl de Svb aanvankelijk aan betrokkene heeft laten weten dat het onderzoek geen aanleiding geeft voor een ander standpunt. Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat een uitlooptermijn van zes maanden recht doet aan deze specifieke situatie. De Raad voorziet zelf door de ingangsdatum van de herziening van het ouderdomspensioen te bepalen op 1 augustus 2019.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:822
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 19-04-2022
CiteertitelNJB 2022/1089
Samenvatting (Bron)Wet handhaving consumentenbescherming, Burgerlijk Wetboek, last onder dwangsom wegens oneerlijke handelspraktijk, hoger beroep, schending dubbel loonverbod bemiddelaar (artikel 7:417 BW) in dit geval geen oneerlijke handelspraktijk, huurbemiddelaar was transparant over de te betalen inschrijf- en administratiekosten zodat het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen niet merkbaar is bepekt of kan worden beperkt. Last onder dwangsom vernietigd en herroepen.
UitspraakECLI:NL:CBB:2022:176
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 19-04-2022
CiteertitelNJB 2022/1090
Samenvatting (Bron)Hoger beroep. Wet op het financieel toezicht. Bestuurlijke boete. EU-paspoort voor grensoverschrijdende dienstverlening. Kredietverstrekking vanuit een niet-geregistreerd bijkantoor in Nederland. Geen overtreding van artikel 2:60, eerste lid, Wft. Bepaling is niet op appellante van toepassing. Omdat appellante de kennisgevingsprocedure voor het verrichten van diensten heeft gevolgd en het haar op grond van de Wft was toegestaan om in Nederland door middel van het verrichten van diensten krediet te verlenen, gold voor haar tot 12 juni 2015 de uitzondering van artikel 2:62, aanhef en onder a, Wft. Voor de periode vanaf 12 juni 2015 gold de uitzondering van artikel 2:61, eerste lid, onder c, Wft op grond waarvan banken met een vergunning van de Europese Centrale Bank zijn uitgezonderd van artikel 2:60, eerste lid, Wft. Boete vernietigd en herroepen.
UitspraakECLI:NL:CBB:2022:177
Artikel aanvragenVia Praktizijn