Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 13-07-2022
Aflevering 24
RubriekVooraf
TitelAansprakelijkheid voor shockschade 2.0
CiteertitelNJB 2022/1591
SamenvattingIn het aansprakelijkheidsrecht is het nog geen komkommertijd. Vorige week heeft de strafkamer van de Hoge Raad, met drie civilisten in de zetel, het door ‘Kindertaxi’ (NJ 2002/240) en ‘Vilt’ (NJ 2010/387) gedomineerde ‘schrikschaderecht’ opgeschud (ECLI:NL:HR:2022:958)
Auteur(s)T. Hartlief
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
UitspraakECLI:NL:HR:2022:958
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelParalegals in de sociale advocatuur: Reddingsboei of fata morgana?
CiteertitelNJB 2022/1592
SamenvattingHet is al langere tijd crisis in de sociale advocatuur. Bezuinigingen op de vergoedingen voor rechtsbijstand hebben de sociale advocatuur hard geraakt. Er is een uittocht gaande van advocaten die hun kantoor verruilen voor een functie elders. De oorzaak daarvan is vooral de financieel slechte situatie van veel kantoren. Verbetering van de financiering van de sociale advocatuur is hard nodig. Daarvoor heeft het coalitieakkoord van november 2021 de grondslag gelegd. De vraag is of een gewijzigde inrichting van de bedrijfsvoering daarnaast mogelijkheden biedt. In dit artikel richten we ons op de inzet van paralegals (oftewel: juristen met minimaal een hbo-opleidingsniveau) in de sociale procespraktijk en gaan we na of en op welke wijze die kan leiden tot versterking van de sociale advocatuur.
Auteur(s)H.B. Winter , C.M. Ridderbos-Hovingh , M. Beukers
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelEen VI-regeling voor levenslanggestraften: een paradox?
CiteertitelNJB 2022/1593
SamenvattingDe Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming heeft geadviseerd een regeling voor voorwaardelijke invrijheidsstelling van levenslang gestraften in te voeren. De Minister voor Rechtsbescherming heeft inmiddels aangegeven daar gehoor aan te willen geven. Nu moet het parlement nog worden overtuigd. In dit artikel worden alle argumenten voor een dergelijke regeling nog eens helder naast elkaar gezet.
Auteur(s)W.F. van Hattum
LinkVolledige tekst advies (rsj,nl)
LinkVolledige tekst artikel (RuG.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekEssay
TitelNaar een constitutioneel hof?
CiteertitelNJB 2022/1594
SamenvattingConstitutionele toetsing staat weer volop in de belangstelling. Het is zaak om daar niet gehaast over te beslissen. Ten eerste dient de vraag te worden beantwoord of we wel constitutionele toetsing willen. Zou het parlement wel bereid zijn zijn macht wat in te laten krimpen ten gunste van rechters en wordt de rol van de rechter dan ook daadwerkelijk groter? Ook is het de vraag of de invoering politiek haalbaar is. En wie gaat er dan toetsen? Met andere woorden: wordt het een verspreide of geconcentreerde constitutionele toetsing? In dit artikel wordt betoogd dat die laatste echt is af te raden. En tot slot is er nog de kwestie van de samenstelling van een constitutioneel hof; die is in veel landen waar men al een dergelijk hof heeft nogal ‘gepolitiseerd’. Dat zal in Nederland vele wenkbrauwen doen fronsen.
Auteur(s)G.J.M. Corstens
LinkVolledige tekst zienswijze (raadvanstate.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelConstitutionele toetsing?: Jazeker, maar dan ook aan de sociale grondrechten
CiteertitelNJB 2022/1595
SamenvattingBij brief van 22 april 2022 gaf de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan de Minister voor Rechtsbescherming een zienswijze over de invoering van constitutionele toetsing. Ruim een maand later op 27 mei verscheen de zienswijze van de Raad voor de rechtspraak over hetzelfde onderwerp. Beide zienswijzen vragen een nader onderzoek naar de mogelijkheid van constitutionele toetsing aan de sociale grondrechten. Al is de onderlinge toonzetting niet hetzelfde, toch ontstaat nu uitzicht op een wezenlijke opwaardering van de rol die de sociale grondrechten in ons constitutionele bestel kunnen gaan spelen. Daarvoor bestaan naar onze mening ook sterke argumenten.
Auteur(s)O.P. Brinkman , G.J. Vonk
LinkVolledige tekst zienswijze (raadvanstate.nl)
LinkVolledige tekst artikel (RuG.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelGeen homo-discriminatie door dominee; wel afwijzing en tolerantie
CiteertitelNJB 2022/1596
SamenvattingOp 30 maart 2022 oordeelde het Gerechtshof Den Haag dat dominee Kort van de Oud Gereformeerde Mieraskerk in Krimpen aan den IJssel niet strafrechtelijk vervolgd hoefde te worden wegens groepsbelediging en het aanzetten tot haat en discriminatie ex artikel 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht. Dat is maar goed ook, wordt in deze Opinie betoogd. Strafbaarheid zou de spankracht van het strafrecht te boven gaan en te weinig recht doen aan de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en die van meningsuiting. Tolerantie is nodig waar het schuurt.
Auteur(s)P.B.C.D.F. van Sasse van IJsselt
LinkVolledige tekst artikel (NJB.nl)
UitspraakECLI:NL:GHDHA:2022:488
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM 08-04-2022, P16-2020-002
CiteertitelNJB 2022/1597
SamenvattingAdvies EHRM. Art. 3 van Protocol No. 1: passief kiesrecht. Uitsluiting voormalige parlementariër na eerdere afzetting in het kadervan ‘impeachment proceedings’.
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 24-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1598
SamenvattingEen huurder van woonruimte is veroordeeld tot betaling van een huurachterstand. De verhuurder verrekent haar schuld uit de afrekening van servicekosten met de huurschuld en laat executoriaal derdenbeslag leggen op latere huurtoeslag
Samenvatting (Bron)Verbintenissenrecht. Huurrecht woonruimte. Art. 6:127 lid 1 BW. Verrekeningsverklaring. Art. 45 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Kan verhuurder beslag leggen op huurtoeslag van huurder voor oude huurschuld? Strekt beslag ook tot verhaal van rente en kosten?
UitspraakECLI:NL:HR:2022:931
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 24-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1599
SamenvattingOntbinding arbeidsovereenkomst. Vervolg op HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1307. Recht op transitievergoeding. Ernstig verwijtbaar handelen.
Samenvatting (Bron)Arbeidsrecht. Vervolg op HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1307. Ontbinding arbeidsovereenkomst docent op grond van verwijtbaar gedrag (art. 7:669 lid 3, onder e, BW). Recht op transitievergoeding (art. 7:673 BW). Uitzondering indien einde arbeidsovereenkomst gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (art. 7:673 lid 7, aanhef en onder c, BW). Is handelen werknemer in rechtsverhouding tot werkgever ernstig verwijtbaar?
UitspraakECLI:NL:HR:2022:950
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 21-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1600
SamenvattingAanhoudingsverzoek ter effectuering van het aanwezigheidsrecht in het geval waarin de raadsman op de terechtzitting aangeeft dat hij niet weet waarom de verdachte niet is verschenen en dat hij het mogelijk acht dat de verdachte geen weet heeft van de zitting.
Samenvatting (Bron)Oplichting, art. 326.1 Sr. Aanhoudingsverzoek niet gemachtigde raadsman ttz. in hoger beroep op de grond dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met verdachte en dat verdachte mogelijk geen weet heeft van zitting, door hof afgewezen met overweging dat sprake is van rechtsgeldige betekening en dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te verwachten dat raadsman verdachte na aanhouding wel zal bereiken. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1158 en HR:2019:1142 m.b.t. beoordeling van aanhoudingsverzoek in situatie waarin raadsman op tz. aangeeft dat hij niet weet waarom verdachte niet is verschenen en dat hij het mogelijk acht dat verdachte geen weet heeft van zitting en om die reden aanhoudingsverzoek doet. Nu hof niet heeft vastgesteld dat oproeping in h.b. aan verdachte in persoon is uitgereikt of dat verdachte anderszins op de hoogte is geraakt van datum van zitting, had hof afweging moeten maken tussen alle bij aanhouding van onderzoek ttz. betrokken belangen. Hof heeft er echter niet blijk van gegeven die afweging te hebben gemaakt. Hof heeft daarom afwijzing van verzoek tot aanhouding van onderzoek ttz. ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:877
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 21-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1601
SamenvattingOp verkeerde plaats instellen cassatie door een advocaat: in casu heeft de raadsman binnen de beroepstermijn naar de strafgriffie van de Hoge Raad een bijzondere volmacht tot het instellen van cassatie verstuurd.
Samenvatting (Bron)Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Ontvankelijkheid cassatieberoep, wijze van instellen cassatieberoep, art. 449.1 Sv. Is op rechtsgeldige wijze beroep in cassatie ingesteld, nu raadsman schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen cassatieberoep binnen beroepstermijn naar strafgriffie HR i.p.v. strafgriffie hof heeft verzonden? HR: Op redenen vermeld in CAG is beroep n-o. CAG: De raadsman van betrokkene heeft binnen de beroepstermijn naar strafgriffie van HR een faxbericht inhoudende een bijzondere volmacht tot het instellen van cassatie verstuurd. Dit betreft echter niet de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven a.b.i. art. 449.1 Sv. Van advocaat mag worden verwacht dat hij bij instellen van rechtsmiddel de juiste weg bewandelt. Aldus heeft betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn beroep in cassatie ingesteld. Betrokkene n-o. Samenhang met 20/02821.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:914
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 21-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1602
SamenvattingBeslagbeklag, art. 5.4.10 lid 1 jo art. 552a Sv. Onthouden van de kennisneming van een gedeelte van een Europees onderzoeksbevel (EOB) aan klagers en de geheimhouding die wordt voorgeschreven door Richtlijn 2014/41/EU.
Samenvatting (Bron)Beklag, beslag ex art. 94 Sv n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Roemeense autoriteiten op digitale gegevensdragers. 1. Geheimhouding gedeelte EOB en aanhoudingsverzoek. 2. Voorlopige terbeschikkingstelling bewijsmateriaal, art. 5.4.9 Sv. Mag de beklagrechter de beslissing van de OvJ tot voorlopige terbeschikkingstelling toetsen? 3. Moet een verzoek om onmiddellijke overdracht van het bewijsmateriaal worden gedaan in een (aanvullend) EOB? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:653 m.b.t. geheimhouding en daarmee verband houdende aanhoudingsverzoeken. In de overwegingen van de Rb ligt als oordeel besloten dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad als klaagster en/of haar raadsman kennis kunnen nemen van het gehele EOB, zodat de kennisneming van het EOB in zoverre o.g.v. art. 23.6 Sv hun moet worden onthouden, en dat geen noodzaak bestaat om het OM op te dragen aan de uitvaardigende autoriteit de vraag voor te leggen of er concrete bezwaren bestaan tegen kennisneming door klaagster van het gehele EOB. Die oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn, mede gelet op de mededeling van de OvJ dat hij het verzoek tot kennisneming van het EOB heeft voorgelegd aan de Roemeense autoriteiten, die daarop alleen toestemming hebben gegeven voor het verstrekken van onderdelen A-F, niet onbegrijpelijk. Ad 2. HR schetst regeling van art. 5.4.9 Sv en herhaalt toetsingskader beklagrechter uit HR:2021:1940. Bij de beoordeling van het klaagschrift staat niet ter beoordeling van de rechter of de OvJ terecht toepassing heeft gegeven aan zijn bevoegdheid om het vergaarde bewijsmateriaal voorlopig ter beschikking te stellen aan de uitvaardigende autoriteit. De regeling van art. 5.4.9 Sv strekt ertoe zoveel mogelijk te voorkomen dat de overdracht van de resultaten van de uitvoering van het EOB feitelijk al heeft plaatsgevonden, wanneer de rechter nadien oordeelt dat zich een grond voordoet voor weigering of uitstel van de erkenning of uitvoering van het EOB. Een afzonderlijke toetsing door de beklagrechter van de voorlopige terbeschikkingstelling heeft in dat verband geen toegevoegde waarde en is daarom niet noodzakelijk. Als de rechter het beklag ongegrond verklaart, doet zich niet de situatie voor dat er strijd bestaat tussen de voorlopige terbeschikkingstelling door de OvJ en de latere beslissing van de rechter over het EOB. Als de rechter het beklag wel gegrond verklaart, heeft dat oordeel al tot gevolg dat de OvJ de uitvaardigende autoriteit moet verzoeken de terbeschikkingstelling te beschouwen als niet te hebben plaatsgevonden, de overgedragen resultaten niet (verder) te gebruiken en de betreffende voorwerpen te retourneren, dan wel de betreffende gegevens te vernietigen. Ad 3. Opvatting dat aan een verzoek van de uitvaardigende autoriteit om onmiddellijke overdracht van het bewijsmateriaal uitsluitend gevolg mag worden gegeven als dat verzoek in een (aanvullend) EOB is opgenomen, is onjuist omdat deze geen steun vindt in de tekst van art. 5.4.9.3 Sv en niet verenigbaar is met de door Richtlijn 2014/41/EU beoogde snelle en doeltreffende samenwerking in strafzaken. Ook de tekst van art. 13.2 Richtlijn 2014/41/EU dwingt niet tot het aannemen van een dergelijke beperking. Volgt verwerping. CAG komt tot verwerping na inhoudelijke beoordeling van de klachten over de toetsing door de Rb van de voorlopige terbeschikkingstelling.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:887
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 17-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1603
SamenvattingDe ex-tunctoetsing in beroep verzet zich niet tegen het meenemen van in beroep overgelegde stukken die gaan over feiten die zich voordeden op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar.
Samenvatting (Bron)Bij besluiten van 20 december 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:1724
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 22-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1604
SamenvattingPachter die gronden nabij waterlopen pacht van Stichting Twickel – welke stichting als kadastraal eigenaar onderhoudsplichtig is op grond van de Waterschapswet – is geen belanghebbende bij besluiten tot wijziging legger, omdat zijn belang hierbij niet rechtstreeks is betrokken. Hij heeft slechts een van de stichting afgeleid belang.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 13 februari 2018 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Vechtstromen de legger van het waterschap Vechtstromen gewijzigd. Bij besluit van 9 april 2018 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 13 februari 2018 aangevuld. [wederpartij] exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [locatie A] te Bentelo. Het betreft een melkveehouderij met ongeveer 60 koeien. Daarnaast omvat het bedrijf ongeveer 200 vleesvarkens. [wederpartij] heeft 45 hectare grond in gebruik (40 hectare in pacht en 5 hectare in eigendom), verspreid gelegen in het gebied waar de bestreden leggerwijziging op ziet. De watergangen die in deze zaak aan de orde zijn, liggen op percelen die [wederpartij] pacht van stichting Twickel, die eigenaar is van de percelen en de watergangen. De stichting heeft geen beroep ingesteld tegen de besluiten van 13 februari 2018 en 9 april 2018. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte [wederpartij] als belanghebbende heeft aangemerkt.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:1759
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 01-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1605
SamenvattingVaststelling hoogte compensatievergoeding. Dienstverband geëindigd na 1 juli 2015. Tweejaarstermijn van ongeschiktheid tot verrichten van arbeid wegens ziekte is verstreken vóór inwerkingtreding van de Wwz per 1 juli 2015.
Samenvatting (Bron)In geschil is of het Uwv de hoogte van de compensatievergoeding terecht op 0,- heeft vastgesteld in de situatie waarin een dienstverband ná 1 juli 2015 is geëindigd, maar waarbij de tweejaarstermijn van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 7:760, eerste lid, onder a, van het BW is verstreken vóór de inwerkingtreding per 1 juli 2015 van de Wwz. Niet in geschil is dat in deze zaak is voldaan aan de voorwaarden van het eerste lid van artikel 7:673e BW. Dit betekent dat het Uwv compensatie dient te verstrekken aan werkgeefster. Het tweede lid van artikel 7:673e BW stelt een aantal beperkingen aan de hoogte van de compensatie. Gelet op het verband tussen het eerste en tweede lid van artikel 7:673e BW, het doel van compensatie en de maximering daarvan zoals die blijkt uit de wetsgeschiedenis, wordt de uitleg van het Uwv over de beperking van de hoogte van de compensatie niet onderschreven. Uitgaande van de uitleg van het Uwv zou het tweede lid van artikel 7:673e een extra voorwaarde voor het recht op compensatie bevatten. Deze uitleg van het Uwv van het tweede lid verdraagt zich, gelet op de context van het eerste en het tweede lid, niet met het wettelijk systeem van compensatie. De tekst van het tweede lid van artikel 7:673e van het BW biedt evenmin steun voor de uitleg van het Uwv. De interpretatie zoals weergegeven onder 6.4.3 en 6.4.4 sluit aan bij het doel van de maximeringsbepaling zoals die uit de wetsgeschiedenis naar voren komt. Uit wat onder 6.1 tot en met 6.5 is overwogen vloeit voort dat de werkgever in de situatie waarin een dienstverband ná 1 juli 2015 is geëindigd, maar waarbij de tweejaarstermijn van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte is verstreken vóór 1 juli 2015, aanspraak heeft op compensatie van de transitievergoeding die ziet op de periode tot de dag dat de termijn van twee jaar die geldt voor het opzegverbod wegens ziekte is verstreken. Hieruit volgt dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste wetsuitleg van het tweede lid van artikel 7:673e van het BW. Het hoger beroep van het Uwv slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld (judiciële lus). Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van werkgeefster in hoger beroep.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:1317
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 14-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1606
SamenvattingVoorwaarde voor Tozo is dat betrokkene op 17 maart 2020 als zelfstandige werkzaam was. Exceptieve toetsing. Evenredigheidsbeginsel.
Samenvatting (Bron)Voorwaarde voor Tozo is dat betrokkene op 17 maart 2020 als zelfstandige werkzaam was. Evenredigheidsbeginsel. Artikel 2, eerste lid, van de Tozo moet zodanig worden uitgelegd dat een rechthebbende op 17 maart 2020 als zelfstandige werkzaam was als bedoeld in artikel 1 om voor bijstand op grond van de Tozo in aanmerking te komen. De enkele inschrijving in het handelsregister op 17 maart 2020 is daarvoor dus niet voldoende. Het is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel dat in het kader van Tozo 2 en Tozo 3 de voorwaarde is gehandhaafd dat de rechthebbende al vóór 18 maart 2020 als zelfstandige werkzaam was.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:1315
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 22-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1607
SamenvattingDUO mag maximaal drie jaar studiefinanciering herzien en terugvorderen. Controle woonsituatie uitwonenden student. Wettelijk bewijsvermoeden wordt beperkt tot maximaal 36 maanden.
Samenvatting (Bron)DUO mag maximaal drie jaar studiefinanciering herzien en terugvorderen. Na een controle van de woonsituatie van een uitwonende student heeft de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) de studiefinanciering herzien over de hele periode (ruim vijf jaar) waarin de student op het adres is ingeschreven bij de basisregistratie personen (brp). De Raad oordeelt dat de werking van het wettelijk bewijsvermoeden moet worden beperkt tot maximaal 36 maanden: deze periode is lang genoeg voor DUO om een controle uit te voeren. De beperking voorkomt ook dat de student in bewijsproblemen komt. De student hoeft nu minder terug te betalen dan in eerste instantie gevorderd is.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:1248
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 21-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1608
SamenvattingAccountantstuchtrecht. Appellant heeft voor de werkzaamheden rondom de financieringsaanvraag bij de bank zijn vakbekwaamheid als accountant aangewend.
Samenvatting (Bron)Accountantstuchtrecht. Appellant was ten tijde van belang - registeraccountant. Hij heeft onjuiste documenten ter beschikking gesteld aan de bank ter verkrijging van een financiering van 3.100.000,- voor de bouw van een restaurant dat zou worden geëxploiteerd door de BV waarvan hij op dat moment medebestuurder was. Het handelen waarop de klacht betrekking heeft ziet op een professionele dienst van appellant. Bij een professionele dienst gaat het om werkzaamheden (in het kader van zakelijk handelen of privé-handelen) waarvoor de vakbekwaamheid als accountant wordt of kan worden aangewend. Het College is van oordeel dat uit het dossier duidelijk blijkt dat appellant voor de werkzaamheden rondom de financieringsaanvraag bij de bank zijn vakbekwaamheid als accountant heeft aangewend. In dat geval zijn alle in artikel 2 van de VGBA genoemde fundamentele beginselen van toepassing. Appellant heeft in ernstige mate gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van professionaliteit en integriteit. Hij heeft daarmee het vertrouwen in het accountantsberoep op zeer ernstige wijze geschaad. Het College acht, evenals de accountantskamer, de opgelegde maatregel van doorhaling en de daaraan verbonden termijn van tien jaren passend en geboden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
UitspraakECLI:NL:CBB:2022:329
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 21-06-2022
CiteertitelNJB 2022/1609
SamenvattingVerzoek om voorlopige voorziening besmetverklaring salmonella.
Samenvatting (Bron)Pluimveevermeerderinsgbedrijf, besmetverklaring salmonella, routinebemonstering, hertest, vragen aan HvJEU, geen uitzondering
UitspraakECLI:NL:CBB:2022:335
Artikel aanvragenVia Praktizijn