Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 25-11-2022
Aflevering 37
RubriekVooraf
TitelVan een verbod op TikTok naar de noodzakelijke cloudstrategie in het juridische domein
CiteertitelNJB 2022/2609
SamenvattingOnlangs bepleitte de ChristenUnie een verbod op de flimpjes-app TikTok. Aanleiding is het risico dat de Chinese overheid toegang krijgt tot gegevens van miljoenen Nederlandse gebruikers, waaronder kinderen. Terecht kijkt men kritisch naar TikTok. Maar de zorgen lijken ook wat arbitrair. Weinig tot geen aandacht is er namelijk voor het risico dat gegevens opgeslagen via clouddiensten in buitenlandse, waaronder Chinese, handen komen. Een recent rapport in opdracht van het Nationaal Cyber Security Centrum maakte wederom duidelijk dat door de extraterritoriale werking van op clouddiensten toepasselijke regelgeving (de Amerikaanse Cloud-Act 2018, maar ook Chinese regelgeving), buitenlandse overheden bevoegd zijn Nederlandse data in te zien. Kortom, TikTok staat op de radar, maar we lopen voorbij aan vergelijkbare risicoís voor gegevens in de cloud.
Auteur(s)C. Prins
LinkVolledige tekst artikel (uvt.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelGoed voorbeeld doet goed volgen! Over de coŲrdinatie van bestuursrecht en privaatrecht op het hoogste ťn op lager rechterlijk niveau
CiteertitelNJB 2022/2610
SamenvattingDe hoogste rechters besteden veel aandacht aan de coŲrdinatie van bestuursrecht en privaatrecht.
Auteur(s)L.F. Wiggers-Rust
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPraktijk
TitelEnige gedachten bij de Rosmalense zelfdoding: (voorheen: de Rosmalense flatmoord)
CiteertitelNJB 2022/2611
SamenvattingDe zaak van de Rosmalense zelfdoding, totdat de gerechtelijke dwaling in deze zaak erkend werd bekend als de Rosmalense flatmoord, heeft het leven van Rob, die veertien jaar onterecht vastzat volledig ontwricht.
Auteur(s)P. van der Kruijs
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelDe distributieve bijdrageplichten rond klimaatverandering
CiteertitelNJB 2022/2612
SamenvattingHet vonnis van de Rechtbank Den Haag inzake Milieudefensie/Shell heeft vele kritische reacties opgeroepen.
Auteur(s)S. Franken
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelWvggz en Wzd geŽvalueerd: over kwaliteit van wetgeving
CiteertitelNJB 2022/2613
SamenvattingOnlangs verscheen het tweede rapport van de (eerste) evaluatie van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang.
Auteur(s)J. Legemaate
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 14-09-2022, 24384/19
CiteertitelNJB 2022/2614
SamenvattingArtikel 1 EVRM en artikel 3 lid 2 Vierde Protocol bij het EVRM.
UitspraakECLI:CE:ECHR:2022:0914JUD002438419
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 11-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2615
SamenvattingSlapende dienstverbanden.
Samenvatting (Bron)Arbeidsrecht. Uitleg Xella-norm (gehoudenheid werkgevers om slapende dienstverbanden te beŽindigen; HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734). Afhankelijk van recht op compensatie o.g.v. art. 7:673e BW? Gelding voor (semi-)diepslapers. Uitleg art. 7:673e BW; CRvB 1 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1180.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1575
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 11-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2616
SamenvattingSlapende dienstverbanden.
Samenvatting (Bron)Arbeidsrecht. Temporele werking Xella-norm (gehoudenheid werkgevers om slapende dienstverbanden te beŽindigen; HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734). Compensatie o.g.v. art. 7:673e BW bij schadevergoeding wegens schending Xella-norm. Rechtsingang verzoek tot schadevergoeding.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1576
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 11-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2617
SamenvattingEen leverancier van zonnebloemkoek doet een beroep op een arbitraal beding in algemene voorwaarden.
Samenvatting (Bron)Procesrecht. Overeenkomstenrecht. Devolutieve werking hoger beroep. Algemene voorwaarden. Art. 6:233 onder b en 6:234 lid 1 BW. 'Bekendheidsuitzondering' (HR 1 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2977); toedoen gebruiker vereist voor bekendheid met voorwaarden?
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1599
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 08-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2618
SamenvattingZaak over medeplegen dubbele doodslag bij schietpartij in cafť in Nijmegen.
Samenvatting (Bron)Schietpartij in cafť in Nijmegen. Medeplegen dubbele doodslag, art. 287 Sr. 1. Stelselmatige informatie-inwinning, art. 126j Sv. Schutznorm. (a) Is beoordelingskader Mr. Big-methode van toepassing op beoordeling toelaatbaarheid voor bewijs van verklaring van A (cafť-eigenaar) in WOD-traject waarin sprake zou zijn geweest van intimidatie door opsporingsambtenaren die zich voordeden als leden van criminele organisatie die mogelijk de gebruikte wapens had geleverd? (b) Is verklaring van A bruikbaar voor bewijs? 2. Eigen waarneming rechter, art. 340 Sv. Gebruik voor bewijs van eigen waarneming hof dat verdachte op camerabeelden voorwerp in handen heeft dat veel meer lijkt op pistool dan op mobiele telefoon, terwijl hof overweegt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte op die beelden vuurwapen in handen heeft. 3. Bewijsklachten m.b.t. forensisch-technisch bewijs. Ad 1. Omdat door stelselmatig inwinnen van informatie t.a.v. een verdachte de verklaringsvrijheid ex art. 29.1 Sv en art. 6.1 EVRM in het geding kan komen, heeft HR voor specifieke vormen daarvan - waaronder in HR:2019:1982 en HR:2019:1983 voor de Mr. Big-methode - nader omlijnd aan welke voorwaarden de toepassing van die opsporingsbevoegdheid en de verslaglegging daarvan moeten voldoen en welke gezichtspunten bij de beoordeling door de rechter een rol spelen. Ook buiten de context van die specifieke vormen kan verdachte t.a.v. wie de bevoegdheid van stelselmatige informatie-inwinning heeft plaatsgevonden en die daarbij een verklaring heeft afgelegd, zich beroepen op schending van zijn verklaringsvrijheid door optreden van opsporingsambtenaren. Als het niet verdachte is die door een verzuim bij stelselmatig inwinnen van informatie is getroffen, hoeft daaraan in de te berechten zaak in de regel geen rechtsgevolg te worden verbonden. Het gebruik van de verklaring is in zon geval ook niet in strijd met het recht op een eerlijk proces, mits de bruikbaarheid voor het bewijs - i.h.b de betrouwbaarheid en accuraatheid - van de verklaring door de verdediging kan worden betwist en door de rechter kan worden onderzocht. Er is grond voor bewijsuitsluiting als zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van de verklaring wezenlijk hebben aangetast. Bewijsuitsluiting berust dan niet op art. 359a Sv, maar vloeit rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de bewijsvraag alleen betrouwbaar bewijsmateriaal gebruikt (vgl., mede i.v.m. consultatierecht, HR:2011:BP2740 en EHRM Tonkov/BelgiŽ). Ad (a) s Hofs oordeel dat het WOD-traject waarin A een verklaring heeft afgelegd, niet een toepassing van de bevoegdheid van stelselmatig inwinnen van informatie vormt die (in belangrijke mate) overeenkomt met de Mr. Big-methode, is niet onbegrijpelijk, gelet op wat hof heeft vastgesteld over het verloop van het WOD-traject en in aanmerking genomen de in HR:2019:1982 en HR:2019:1983 benoemde kenmerken van de in die zaken toegepaste opsporingsmethode, die erop gericht is verdachte te brengen tot het afleggen van een voor het bewijs tegen hemzelf te gebruiken (bekennende) verklaring. Ad (b). s Hof oordeel dat verklaring van A betrouwbaar is en bruikbaar voor het bewijs, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat hof heeft overwogen dat A weliswaar angstig was toen hij met de opsporingsambtenaren werd geconfronteerd maar die angst gaandeweg duidelijk minder werd, dat die verklaring op essentiŽle onderdelen steun vindt in m.n. de resultaten van forensisch-technisch onderzoek en dat de verdediging - nu audiovisuele vastlegging van het gesprek met A ontbrak - de juistheid van de afgelegde verklaring kon toetsen door de opsporingsambtenaren bij de RC te (laten) bevragen. Ad 2. Hof kon zijn eigen waarneming, waarmee een omschrijving is gegeven van het op de beelden waargenomen voorwerp, voor het bewijs gebruiken. De overweging dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte op de beelden een vuurwapen in zijn handen heeft, doet aan de redengevendheid van de eigen waarneming niet af en is ook niet in tegenspraak met die waarneming, waarbij het gaat om de mate van gelijkenis van het voorwerp met een pistool. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2001:AD3530 over toetsing in cassatie van conclusies van feitelijke aard en uit HR:2006:AU9130 over reikwijdte motiveringsplicht bij uos. De klachten over conclusies die hof heeft getrokken uit de bevindingen van het forensisch-technisch onderzoek falen. Volgt verwerping. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1591
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 08-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2619
SamenvattingOnttrekking aan het verkeer, art. 36d Sr
Samenvatting (Bron)Diefstal met geweld, art. 312.1 Sr. Onttrekking aan het verkeer van hennep en mes, art. 36d Sr. 1. Is ongecontroleerd bezit van hennep en mes in strijd met wet? 2. Onvolkomenheid bij beŽdiging van een of meer raadsheren van hof s-Hertogenbosch die uitspraak hebben gewezen, art. 5.2 en 6.2 wet RO. Ad 1. Hof heeft inbeslaggenomen mes niet aan het verkeer onttrokken o.g.v. art. 36c Sr maar o.g.v. art. 36d Sr en heeft in dat verband geoordeeld dat inbeslaggenomen mes van zodanige aard is dat ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met wet. Dat oordeel is echter zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Bovendien heeft hof geen vaststellingen gedaan over vraag of dat mes kan dienen tot begaan of voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot belemmering van opsporing daarvan. Zulke vaststellingen ontbreken ook over eveneens o.g.v. art. 36d Sr aan het verkeer onttrokken hennep. Ad 2. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking. Volgt (partiŽle) vernietiging wat betreft beslissing tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen (zonder terugwijzing). CAG: anders t.a.v. onttrekking aan het verkeer van hennep. Samenhang met 21/02163.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1586
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 08-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2620
SamenvattingOverlevering en specialiteitsbeginsel.
Samenvatting (Bron)Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, art. 285.1 Sr. Specialiteitsbeginsel bij overlevering. Is OM niet-ontvankelijk in strafvervolging omdat (aanvullende) toestemming van Spaanse autoriteiten ontbreekt voor vervolging van verdachte t.z.v. bedreiging? s Hofs oordeel houdt in dat de aan verdachte tlgd. feiten, waaronder bedreiging, vallen onder de feitelijke omschrijving die is gegeven in het (aanvullend) Europees Arrestatiebevel en dat - nu de Spaanse rechter uitvoering heeft gegeven aan die arrestatiebevelen - het specialiteitsbeginsel niet in de weg staat aan vervolging van verdachte voor (o.m.) bedreiging. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat hof het (aanvullend) Europees Arrestatiebevel bij zijn uitleg van de beslissingen van de Spaanse rechter mocht betrekken (vgl. HR:2007:BB3994). Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1583
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 02-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2621
SamenvattingToetsingskader buitenwettelijk begunstigend beleid.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 29 mei 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellant] om compensatie op grond van de Regeling individueel Joods moreel rechtsherstel afgewezen. Op 13 juli 2017 heeft de raad van de gemeente Den Haag, op voorstel van het college en na overleg met diverse joodse organisaties, beleid vastgesteld voor moreel rechtsherstel voor joodse eigenaren van geroofd vastgoed in Den Haag. In de jaren direct na de oorlog heeft de gemeente aan joodse particuliere huizenbezitters of hun nabestaanden naheffingen opgelegd voor erfpachtcanons en straatbelasting over de jaren 1942-1945, die tijdens de oorlog onbetaald zijn gebleven. De eigenaren van de woningen waren in 1942-1945 weggevoerd of zaten ondergedoken en hadden dus niet de beschikking over hun bezittingen. Er zijn enkele procedures geweest over de opgelegde naheffingen. De Hoge Raad achtte de naheffingen destijds rechtmatig.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3135
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 02-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2622
SamenvattingWanneer de beslistermijn op grond van art. 4:15, lid 1, aanhef en onder a, Awb is opgeschort, vangt deze weer aan nadat alle door het bestuursorgaan gevraagde aanvullende gegevens zijn overgelegd dan wel wanneer de termijn die de aanvrager is gegund om de aanvullende gegevens over te leggen ongebruikt is verstreken.
Samenvatting (Bron)[appellant] heeft op 11 februari 2020 bij het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van drie woonstudios in een deel van de bebouwing op het perceel [locatie] te Dedemsvaart. [appellant] heeft een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van drie woonstudios. Het college heeft naar aanleiding van die aanvraag [appellant] bij brief van 28 februari 2020 verzocht aanvullende gegevens aan te leveren. [appellant] stelt dat hij naar aanleiding van dit verzoek op 10 maart 2020 aanvullende gegevens heeft aangeleverd en dat vanaf dat moment de beslistermijn weer is gaan lopen. Volgens [appellant] heeft het college vervolgens niet op tijd op zijn aanvraag beslist en is de omgevingsvergunning van rechtswege verleend. Het college denkt daar anders over en weigert om die reden de volgens [appellant] van rechtswege verleende omgevingsvergunning bekend te maken.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3150
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 02-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2623
SamenvattingEen rechtzoekende kan totdat op het (hoger) beroep uitspraak is gedaan een beroep doen op betalingsonmacht en dat beroep onderbouwen naar de situatie op de peildatum, ook als dit beroep eerder is afgewezen omdat de rechtzoekende niet binnen de termijn een motivering is gegeven.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 20 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3121
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 02-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2624
SamenvattingHet beleid van de staatssecretaris over de wijze waarop hij de leeftijd van een gesteld minderjarige vreemdeling in Dublinzaken vaststelt als er twijfel bestaat over de minderjarigheid en de vreemdeling in een of meerdere andere lidstaten zowel als minderjarige als meerderjarige staat geregistreerd, is niet onredelijk.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 28 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. De vreemdeling komt uit Guinee. Hij heeft op 13 januari 2021 in Nederland een asielaanvraag ingediend en daarbij opgegeven dat zijn geboortedatum [geboortedatum] 2004 is. De Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel en de IND hebben afzonderlijk een leeftijdsschouw verricht, waarbij de AVIM heeft geconcludeerd dat de vreemdeling evident minderjarig is en de IND dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. Vervolgens is uit het onderzoek in het Eurodac-systeem gebleken dat de vreemdeling eerder in ItaliŽ, Duitsland, Frankrijk en Zwitserland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Uit navraag bij die landen is gebleken dat de vreemdeling daar geregistreerd staat met verschillende geboortedata en aliassen. Het gaat daarbij om vijf verschillende meerderjarige registraties (in ItaliŽ, Frankijk, Duitsland en Zwitserland) en ťťn minderjarige registratie (in ItaliŽ). De staatssecretaris is uitgegaan van de in Zwitserland geregistreerde geboortedatum van 1 januari 2002 en acht de vreemdeling meerderjarig. Hij heeft de asielaanvraag daarom niet in behandeling genomen. Deze uitspraak gaat over de wijze waarop de staatssecretaris de leeftijd van gesteld minderjarige vreemdelingen in Dublinzaken moet vaststellen als er twijfel bestaat over de gestelde minderjarigheid en de vreemdeling in een of meerdere andere lidstaten zowel als minderjarige als meerderjarige staat geregistreerd.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3147
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 02-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2625
SamenvattingAfwijzing verzoek schadevergoeding vanwege gaswinning Groningen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 2 juni 2020 heeft de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen aan [appellant] een schadevergoeding toegekend van 28.723,50. Bij besluit van 3 maart 2021 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend van in totaal 30.424,05. [appellant] is sinds 1990 eigenaar van de woning aan de [locatie] te Hoogkerk. De vrijstaande woning met schuur is een monumentale (kop-hals-romp) boerderij en is gebouwd in 1910. Op 20 november 2013 heeft [appellant] schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld gemeld bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. Na opname van de schade heeft Octa Adviseurs B.V. in opdracht van de NAM op 27 augustus 2014 een taxatierapport bevingsschade uitgebracht. In het taxatierapport is vermeld dat geen van de schades in verband kan worden gebracht met aardbevingen. De aangetroffen schades zijn mogelijk veroorzaakt door zetting, verzakking en ouderdom.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3151
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 03-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2626
SamenvattingDe staatssecretaris moet het evenredigheidsbeginsel in acht nemen bij de toepassing van zijn beleidsmatige uitgangspunt dat er voor een vreemdeling bij terugkeer in zijn land van herkomst, ter voorkoming van een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie, voor maximaal drie maanden zorg wordt geregeld.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 29 november 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3134
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 04-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2627
SamenvattingEen werknemer als bedoeld in artikel 7 van Besluit nr. 1/80 die behoort tot de legale arbeidsmarkt, verliest die status als hij niet binnen een redelijke termijn van zes maanden na het einde van zijn tijdelijke inactiviteit een nieuwe dienstbetrekking heeft gevonden.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 12 november 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken, de daaraan voorafgaande verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, bepaald dat niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend, de vreemdeling opgedragen het grondgebied van de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3183
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 25-10-2022
CiteertitelNJB 2022/2628
SamenvattingTerugvordering van bijstand.
Samenvatting (Bron)Terugvordering van bijstand. Erfenis. Beide ouders overleden. Niet-opeisbare vordering. Schuld aan ouders. Op grond van de wettelijke verdeling van de nalatenschap ontstaat de aanspraak op een erfdeel op het moment dat de eerste ouder overlijdt, maar kan die aanspraak pas worden geŽffectueerd op het moment dat ook de tweede ouder komt te overlijden. De bijstand kan pas worden teruggevorderd nadat beide ouders zijn overleden en het bijstandsgerechtigde kind feitelijk de beschikking heeft gekregen over zijn deel van de nalatenschap. Voor de aanspraak op de erfdelen moeten dan twee periodes worden onderscheiden. Een niet-opeisbare vordering levert bij uitbetaling naderhand verkregen middelen op. Op de peildatum moest naast de niet-opeisbare vordering op moeder, ook de schuld aan moeder in aanmerking worden genomen. Het dagelijks bestuur heeft tot een te hoog bedrag aan bijstand teruggevorderd.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:2360
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 25-10-2022
CiteertitelNJB 2022/2629
SamenvattingAfwijzing aanvraag om bijstand.
Samenvatting (Bron)Afwijzing aanvraag om bijstand. Terugvordering verleende voorschotten. Ten onrechte geen belangenafweging plaatsgevonden. Het college heeft de aanvraag terecht afgewezen. Dit betekent dat het college ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, PW bevoegd was de toegekende voorschotten terug te vorderen. Het college moet bij de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering een belangenafweging maken. Dit heeft ten onrechte niet plaatsgevonden. Opdracht aan het college tot het nemen van een nieuw besluit. Het college zal ook acht dienen te slaan op het in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, geschetste beoordelingskader bij uitoefening van bestuursbevoegdheden met beleidsruimte.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:2332
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 01-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2630
SamenvattingGebruik van verrekeningsbevoegdheid.
Samenvatting (Bron)Uwv betaalt WIA-uitkering uit aan college. Terugvordering bijstand. Adequate rechtsbescherming. Uit artikel 60a, tweede lid, van de PW volgt dat de bevoegdheid voor het Uwv om een bedrag rechtstreeks aan het college te betalen, pas ontstaat als sprake is van terugvordering van bijstand. Dit betekent dat het college een besluit tot terugvordering moet nemen, waartegen een belanghebbende rechtsmiddelen kan aanwenden. De terugvordering kan worden gebaseerd op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW. Direct na of tegelijkertijd met het nemen van het terugvorderingsbesluit kan het college aan het Uwv verzoeken het bedrag van de terugvordering aan het college te betalen. De correspondentie tussen het Uwv en het college is jegens de betrokkene niet op rechtsgevolg gericht. Het Uwv moet uitgaan van het door het college doorgegeven bedrag. De betrokkene kan de hoogte van dit bedrag aan de orde stellen bij het rechtsmiddel tegen het terugvorderingsbesluit van het college. Het is vervolgens aan het Uwv om een belanghebbende te informeren over de feitelijke verrekening. Ook hiertegen kan een belanghebbende rechtsmiddelen aanwenden, en wel jegens het Uwv.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:2365
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 03-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2631
SamenvattingVerplichting tot vergoeding wettelijke rente indien wordt besloten tot wijziging of intrekking van een beschikking met terugwerkende kracht.
Samenvatting (Bron)Verstrekken van onjuiste en of onvolledige gegevens is niet gebleken. Vernietiging uitspraak. Aanleiding bestaat om te bepalen dat het Uwv de wettelijke rente over de gehele nabetaling dient te vergoeden. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958).
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:2354
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 08-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2632
SamenvattingObjectief bepaalbare feiten en omstandigheden start activiteiten.
Samenvatting (Bron)Naar aanleiding van de uitspraak van het College van 31 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:845) heeft verweerder nader onderzocht of sprake was van evidente juridische belemmeringen waardoor appellante niet kon en mocht starten met het uitoefenen van de activiteiten op de datum van inschrijving in het handelsregister. Verweerder heeft geconcludeerd dat hiervan geen sprake is. Het College is van oordeel dat dit standpunt van verweerder niet volledig recht doet aan de uitspraak van het College van 31 augustus 2021. Uit de hiervoor aangehaalde rechtsoverweging 6.2 volgt immers dat van de start van de activiteiten naar het oordeel van het College in ieder geval sprake is indien de aanvrager over alle noodzakelijke vergunningen beschikt en er geen evidente juridische belemmeringen zijn die in de weg staan van het uitoefenen van zijn of haar bedrijfsactiviteiten. Deze uitspraak moet derhalve ruimer worden opgevat dan verweerder stelt. Het College is van oordeel dat appellante hiermee voldoende heeft toegelicht waarom zij door objectief bepaalbare feiten en omstandigheden niet kon starten met haar activiteiten op 2 januari 2019, de datum van de inschrijving in het Handelsregister, of 1 april 2019, de datum waarop de huurovereenkomst ingaat. Overeenkomstig artikel 3, derde lid, aanhef en eerste alinea van de TVL moet derhalve de periode augustus, september, oktober en november van 2019 als referentieperiode worden beschouwd. Het ligt nu dan ook op de weg van verweerder om aan de hand van deze referentieperiode de referentieomzet te onderzoeken.
UitspraakECLI:NL:CBB:2022:746
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 08-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2633
SamenvattingStelplicht en bewijslast.
Samenvatting (Bron)TLTO. Vaststelling op nihil en terugvordering voorschot. Dat sprake is van een uitbreiding van het teeltoppervlak met minimaal 10% is niet gebleken.
UitspraakECLI:NL:CBB:2022:742
Artikel aanvragenVia Praktizijn