Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 06-12-2022
Aflevering 38
RubriekVooraf
TitelOorlog en burgerdoelen: het recht is helder maar nu de praktijk nog
CiteertitelNJB 2022/2694
SamenvattingBij een Russische raketaanval op een kraamafdeling van een ziekenhuis in de stad Vilniansk in de oblast Zaporizja is een pasgeboren baby gedood, meldt de gouverneur van Zaporizja Oleksandr Staroek op Telegram.
Auteur(s)T. Barkhuysen
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelEen tijdelijke Cyberwet maakt nog geen sleepwet
CiteertitelNJB 2022/2695
SamenvattingHet voorstel Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma zal naar alle waarschijnlijkheid binnenkort naar de Tweede Kamer gaan.
Auteur(s)S. Harleman
LinkVolledige tekst artikel (UU.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPraktijk
TitelHet negeren van huiselijk geweld is een systeemfout bij de aanpak van ‘complexe’ scheidingen
CiteertitelNJB 2022/2696
SamenvattingIn 2007 werd het fundament gelegd onder het huidige wetenschappelijke inzicht rond huiselijk geweld. Toen verscheen een boek van de hand van Evan Stark, met de titel Coercive control, how men entrap women in personal life. Daarmee werd huiselijk geweld, dat tot dan gezien werd als fysiek geweld, geherdefinieerd als coercive control. In het Nederlands: dwingende controle of intieme terreur. In de Nederlandse familiewetgeving en -praktijk speelt huiselijk geweld geen rol. Het wordt ook niet genoemd in het Visiedocument (echt) scheiding van ouders met kinderen van de Raad voor de rechtspraak van 10 oktober 2016. Terwijl huiselijk geweld veel voorkomt en zelfs de aanleiding kan zijn tot de scheiding en na de scheiding vaak voortduurt. Om de voornamelijk vrouwelijke slachtoffers en hun kinderen te beschermen zijn drastische wijzigingen in beleid en regelgeving nodig. Deze wijzigingen zijn ook noodzakelijk om te voldoen aan verplichtingen voortvloeiend uit het Verdrag van Istanbul, het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het VN-Vrouwenverdrag (CEDAW).
Auteur(s)I. Avontuur
LinkVolledige tekst artikel (Vrouwenrecht.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekEssay
TitelOp zoek naar rechtsstatelijke cultuur
CiteertitelNJB 2022/2697
SamenvattingHet versterken van ons rechtsstatelijk besef is hard nodig. Van veel kanten wordt daarvoor gepleit. Er wordt daarvoor op dit moment een ‘Staatscommissie rechtsstaat’ in het leven geroepen. En een ‘Adviescommissie versterken weerbaarheid democratische rechtsorde’ is zeer onlangs van start gegaan. Juist van juristen – en met name publiekrechtjuristen, wetgevingsjuristen en (andere) overheidsjuristen – wordt op dit vlak veel verwacht. Zij worden wel de ‘hoeders van de rechtsstaat’ genoemd. Maar, zo wil auteur betogen, zij kunnen dat natuurlijk niet alleen. Voor een rechtsstatelijke cultuur is de gehele samenleving nodig. De hamvraag is daarom hoe die verbinding kan worden gelegd. Iets anders is trouwens of dat zo moet als de Minister van Justitie en Veiligheid zich recent voorstelde.
Auteur(s)F. van Ommeren
LinkVolledige tekst artikel (nederlandseverenigingvoorwetgeving.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelWolf in schaapskleren?
CiteertitelNJB 2022/2698
SamenvattingIn aanvulling op ‘Dwarsliggen in schaapskleren – De afdoening van gaswinningsschade door het bestuursorgaan IMG’ door mr. dr. W. (Wilbert) J.A.M. Dijkers, NJB 2022/2175, afl. 31, p. 2502-2509 geeft de auteur wat cijfers weer.
Auteur(s)T. Drupsteen
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelGeen onderbouwing, geen nieuwsgierigheid, geen ambitie
CiteertitelNJB 2022/2699
SamenvattingWat een teleurstellende analyse van Wilbert Dijkers in ‘Dwarsliggen in schaapskleren’, NJB 2022/2175. Let wel: ik ben niet voor of tegen NAM, IMG, TwG, EZK, de bestuursrechter of de civiele rechter, en al helemaal niet tegen Wilbert Dijkers. Ik gun vooral Groningers met mijnbouwschade een snelle en rechtvaardige procedure. De in de Tijdelijke wet Groningen (TwG) geregelde procedure en de uitvoering daarvan door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) kunnen vast beter. Maar met het NJB-artikel van Dijkers is niemand geholpen.
Auteur(s)B. Marseille
LinkVolledige tekst artikel (RuG.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelMeer rechtsbescherming in een civiele procedure (naschrift)
CiteertitelNJB 2022/2700
SamenvattingEen ruimhartige afwikkeling van fysieke schade die is opgetreden door de gaswinning in Groningen is een lastige zaak.
Auteur(s)W. Dijkers
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 15-09-2022, 8257/13
CiteertitelNJB 2022/2702
SamenvattingRecht op vrijheid van meningsuiting.
UitspraakECLI:CE:ECHR:2022:0915JUD000825713
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 18-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2703
SamenvattingHet Openbaar Ministerie van Sint Maarten heeft een enquête verzocht bij vennootschappen die actief zijn in het havenbedrijf van Sint Maarten.
Samenvatting (Bron)Caribische zaak. Enquêterecht. Havenbedrijf Sint Maarten. Enquêteverzoek van OM om redenen van openbaar belang. Afweging van belangen.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1705
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 18-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2704
SamenvattingKort geding, strekkende tot rectificatie van uitlatingen van een advocaat.
Samenvatting (Bron)Kort geding. Onrechtmatige daad. Geschil tussen advocaten. Vordering tot rectificatie van ter zitting gedane uitlatingen.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1697
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 18-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2705
SamenvattingInternationaal privaatrecht.
Samenvatting (Bron)Internationaal privaatrecht; bevoegdheid Nederlandse rechter. Arbeidsovereenkomst piloot; plaats 'van waaruit' de werknemer gewoonlijk werkt of heeft gewerkt (art. 21 lid 1, onder b, onderdeel i, Brussel I-bis Verordening); belang 'home base' in Verordening 3922/91 en omstandigheid dat 'home base' op verzoek van werknemer kan worden gewijzigd.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1702
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 18-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2706
SamenvattingWet verplichte geestelijke gezondheidszorg.
Samenvatting (Bron)Wvggz. Procesrecht. Art. 422 Rv. Machtiging inmiddels vervallen. Beoordelingsruimte na cassatie en terugwijzing. Beoordeling 'ex nunc' of 'ex tunc'?
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1701
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 15-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2707
SamenvattingGetuigenverzoek, art. 414 Sv.
Samenvatting (Bron)Medeplegen van in uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk telen van grote hoeveelheid hennep in meerdere panden (art. 3.B jo. 11.3 en 11.5 Opiumwet), afleveren hennep (art. 3.B Opiumwet), deelname aan criminele organisatie (art. 11b.1 Opiumwet), medeplegen diefstal elektriciteit (art. 311.1.4 Sr), medeplegen gewoontewitwassen van panden, personenautos en geld (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr), (medeplegen van) oplichting (art. 326.1 Sr), gebruik maken van vervalst geschrift (art. 225.2 Sr) en voorhanden hebben van jammer (art. 161sexies.1 (oud) Sr). 1. Had hof beslissing moeten nemen over opnieuw oproepen van niet bij Rh-C verschenen getuige, nu verdediging geen nieuw verzoek maar ook geen afstand heeft gedaan? 2. Gebruik van verklaring van niet-verschenen getuige voor bewijs. 3. Oogmerk om misdrijf a.b.i. art. 161sexies.1 (oud) Sr te plegen bij voorhanden hebben jammer. 4. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Kon hof duur van gijzeling op 365 dagen bepalen? Ad 1. Ttz. in hoger beroep gedaan verzoek tot horen van getuige A is verzoek a.b.i. art. 414 Sv. Door zaak voor nader onderzoek naar Rh-C te verwijzen, met opdracht A als getuige te horen, is aan verzoek uitvoering gegeven. Verdediging had, als zij het wenselijk vond dat getuige A alsnog zou worden gehoord, die wens voorafgaand aan nadere tz. aan AG of tijdens inhoudelijke behandeling aan hof kenbaar moeten maken door daartoe strekkend, gemotiveerd verzoek te doen. Dat is niet gedaan. Daarom hoefde hof niet (ook niet ambtshalve) beslissing te nemen over oproepen van getuige A. Daarbij neemt HR in aanmerking dat enkele mededeling dat verdediging geen afstand doet van getuige niet als zon verzoek kan worden aangemerkt. Veronderstelling dat hof n.a.v. omstandigheid dat ttz. bleek dat getuige A niet was gehoord, had moeten beslissen zoals voorzien in art. 287.3 Sv dan wel art. 288.1 Sv, is onjuist (vgl. HR:2012:BX0863). Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 m.b.t. beoordeling overall fairness van procedure. Uit procesverloop blijkt dat getuige A in e.a. als getuige is gehoord bij RC in aanwezigheid van raadsman van verdachte en vervolgens op tz. van Rb in aanwezigheid van verdachte en diens raadsman. In cassatie is niet aangevoerd dat deze ondervragingsmogelijkheid niet behoorlijk of effectief was. Daarom doet zich niet het geval voor waarin verdediging niet in enig stadium van geding een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid heeft gehad, zodat het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces zich niet verzet tegen gebruik van verklaringen van deze getuige voor bewijs. Ad 3. Hof heeft vastgesteld dat verdachte gedurende 3 tot 4 jaar een jammer in zijn woning heeft gehad en zich daarvan bewust is geweest, terwijl hij voor gebruik en bezit geen vergunning had. Daarnaast heeft hof overwogen dat het voornaamste gebruik van jammers bestaat uit onbruikbaar maken dan wel verstoren van telecommunicatie en dat verdachte geen alternatief gebruik heeft aangegeven. s Hofs daarop gebaseerde oordeel dat verdachte bewezenverklaard oogmerk had, kennelijk omdat verdachte besefte of moet hebben beseft dat een en ander dergelijk gebruik als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht of zou kunnen brengen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Ad 4. Hof heeft verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 11, 33, 54, 33, 162, 18 en 54 (in totaal 365) dagen gijzeling. O.g.v. art. 36f.5 Sr bepaalt rechter bij oplegging van maatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. Duur van gijzeling beloopt (ook in gevallen van samenloop als bedoeld in art. 57 en 58 Sr) ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:498). HR vernietigt s hofs uitspraak en vermindert zelf duur van gijzeling in die zin dat is voldaan aan wettelijk bepaald maximum van 1 jaar. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 11, 32, 53, 32, 161, 18 en 53 dagen kan worden toegepast. Samenhang met 20/02942 en 20/03014.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1647
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 15-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2708
SamenvattingVerzoek van de verdediging tot het horen van nog niet op de terechtzitting gehoorde deskundigen over de door ieder van hen uitgebrachte rapportage, betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv.
Samenvatting (Bron)Medeplegen gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr) op rolstoelafhankelijke 72-jarige man en diefstal met geweld (art. 312.2.2 Sr). Hof heeft o.m. TBS met dwangverpleging opgelegd. 1. Afwijzing hof van ttz. in hoger beroep gedaan verzoek o.g.v. art 328 jo. 315.3 Sv om 2 deskundigen te horen over door hen uitgebrachte gedragskundige rapportages, op de grond dat horen van deskundigen niet noodzakelijk is omdat hof zich door hun rapportages voldoende voorgelicht acht. 2. Onvolkomenheid bij beëdiging van één of meer raadsheren van hof s-Hertogenbosch die uitspraak hebben gewezen, art. 5.2 en 6.2 Wet RO. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2007:AZ1702 m.b.t. toepassing van noodzakelijkheidscriterium in situaties waarin verdediging deskundige in h.b. wil horen en gevallen waarin weliswaar o.g.v. art. 414.2 Sv en 418.3 Sv oproeping van deskundige kan worden geweigerd indien horen ttz. niet noodzakelijk is te achten maar desondanks omstandigheden kunnen meebrengen dat concrete toepassing van noodzakelijkheidscriterium niet wezenlijk verschilt van wat met toepassing van criterium van verdedigingsbelang zou worden bereikt. Overwegingen over concrete toepassing van noodzakelijkheidscriterium kunnen ook van belang zijn als na aanvang van onderzoek ttz. in h.b. een verzoek a.b.i. art. 328 Sv tot horen van deskundige wordt gedaan. Hof heeft verzoek tot het horen van 2 deskundigen afgewezen. Aan dat oordeel heeft hof ten grondslag gelegd dat horen van deze deskundigen niet noodzakelijk is, omdat het zich door hun rapportages voldoende voorgelicht acht m.b.t. de o.g.v. art. 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen en het aan hof (en niet aan deskundigen) is om vast te stellen welk delictsscenario zich heeft voorgedaan. Dit oordeel is (mede gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat (i) verzoek tot horen van deskundigen betrekking heeft op vraagpunten over rapportages die deze deskundigen eerst na aanvang van onderzoek ttz. in h.b. hebben uitgebracht, en (ii) verzoek niet uitsluitend verband houdt met in de rapportages betrokken delictsscenarios maar onderbouwing daarvan tevens inhoudt dat er verschillen bestaan tussen advies van psychiater en advies van psycholoog en dat psycholoog niet is ingegaan op mogelijkheid om noodzakelijk geachte behandeling te doen plaatsvinden in een ander kader dan dat van TBS met bevel tot verpleging. Ad 2. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging (met uitzondering van opgelegde schadevergoedingsmaatregel) en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1625
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 15-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2709
SamenvattingRechtbank doet later einduitspraak dan uiterlijk op de veertiende dag na de sluiting van het onderzoek, art. 345 Sv.
Samenvatting (Bron)Openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr) en mishandeling (art. 300.1 Sr). 1. Kon hof de zaak zelf inhoudelijk afdoen i.p.v. zaak terug te wijzen naar Rb, nu Rb niet binnen wettelijke termijn uitspraak heeft gedaan? Art. 345 Sv en 423 Sv. 2. Onvolkomenheid bij beëdiging van één of meer raadsheren [één van de raadsheren] van hof s-Hertogenbosch die uitspraak hebben gewezen, art. 5.2 en 6.2 Wet RO. Ad 1. Opvatting dat hof was gehouden zaak terug te wijzen naar Rb zodat zaak opnieuw door Rb zou worden berecht en afgedaan, vindt geen steun in het recht, i.h.b. niet in art. 345 en 423 Sv. Ad 2. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1626
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 15-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2710
SamenvattingCassatiemiddel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de door de raadsman in hoger beroep overgelegde pleitnota in het ongerede zijn geraakt, waardoor de bestreden uitspraak in cassatie niet kan worden getoetst.
Samenvatting (Bron)Zware mishandeling (art. 302.1 Sr). Ontbrekend(e) p-v van tz. en pleitnota in hoger beroep. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Overeenkomstig Procesreglement HR heeft raadsman tijdig aan rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van pv van tz. in h.b. en door raadsman overgelegde pleitnota. N.a.v. dit verzoek is bij hof nadere informatie ingewonnen op grond waarvan blijkt dat dossier in het ongerede is geraakt en zodoende geen p-v is uitgewerkt en geen pleitnota meer aanwezig is. Gelet hierop valt niet na te gaan of ttz. meer verweren zijn gevoerd of meer uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht dan die in s hofs uitspraak zijn vermeld. Dit verzuim strijdt zozeer met behoorlijke procesorde dat het, nu het blijkens bij hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van onderzoek en naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1648
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 15-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2711
SamenvattingHet cassatiemiddel klaagt terecht dat het hof de zaak op de terechtzitting in hoger beroep ten onrechte heeft behandeld, omdat het – alleen door de verdachte ingestelde – hoger beroep voorafgaand aan de terechtzitting was ingetrokken.
Samenvatting (Bron)Bedreiging, art. 285.1 Sr. Zaak ten onrechte behandeld in hoger beroep, omdat h.b. voorafgaand aan tz. was ingetrokken? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Gelet op in cassatie door raadsman overlegd faxbericht en verzendbevestiging daarvan is namens verdachte tijdig en op juiste wijze aangegeven dat hij h.b. wilde laten intrekken. Het niet registreren of afdrukken van faxbericht of het in ongerede raken daarvan, het vervolgens niet afleggen van verklaring dat h.b. wordt ingetrokken door daartoe gemachtigde griffiemedewerker en het ontbreken van akte van intrekking die had moeten worden opgemaakt, mogen niet voor rekening komen van raadsman en verdachte. HR doet zaak zelf af en verstaat dat h.b. tijdig is ingetrokken.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1618
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 15-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2712
SamenvattingVerbeurdverklaring en de begrippen ‘het strafbare feit’, ‘het feit’ en ‘het misdrijf’ in art. 33a lid 1 Sr.
Samenvatting (Bron)Verkopen en vervoeren van cocaïne, art. 2.B Opiumwet (feit 1) en eenvoudige belediging ambtenaar, 266.1 jo. 267.2 Sr (feit 2). Verbeurdverklaring van geldbedrag van 281,85, art. 33a.1.a Sr. Is het gehele geldbedrag verkregen d.m.v. of uit baten van het verkopen van 0,56 gram cocaïne a.b.i. art. 33a.1.a Sr? Onder het strafbare feit, het feit en het misdrijf in art. 33a.1 Sr moet telkens het bewezenverklaarde feit worden verstaan. Voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in art. 33a.1 Sr genoemde gronden zich voordoet t.a.v. bewezenverklaard feit (vgl. HR:2020:9). Hof heeft kennelijk geoordeeld dat dit geldbedrag geheel of grotendeels d.m.v. of uit baten van het onder 1 bewezenverklaarde is verkregen en dat het daarom vatbaar is voor verbeurdverklaring. s Hofs oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met de bewezenverklaarde verkoop van cocaïne 40 heeft verkregen. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. verbeurdverklaring van geldbedrag en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1620
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 15-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2713
SamenvattingStraftoemetingsvrijheid feitenrechter en strafmotivering.
Samenvatting (Bron)Opzetheling van een monstrans uit museum Catharijneconvent in Utrecht in 2013, art. 416.1.a Sr. Strafmotivering (achttien maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk). Wekt opgelegde gevangenisstraf in het licht van procesverloop en door AG gevorderde gevangenisstraf (veertien maanden) verbazing? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:975 m.b.t. ruime straftoemetingsvrijheid van feitenrechter. s Hofs motivering van strafoplegging komt erop neer dat het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden als passend heeft beschouwd gelet op de ernst van het feit en persoonlijke omstandigheden van verdachte, maar dat het vanwege de overschrijding van de redelijke termijn een deel van die gevangenisstraf (te weten: drie maanden) voorwaardelijk heeft opgelegd. Deze strafoplegging is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat hof niet nader heeft besproken wat door AG en verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht over de duur van de op te leggen straf in relatie tot de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Uit s hofs overwegingen volgt immers dat het de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een met die in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd overeenkomende duur, mede gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, niet passend heeft geacht. Volgt verwerping. CAG: anders. Vervolg op HR:2019:655 en HR:2015:1235.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1641
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 30-09-2022
CiteertitelNJB 2022/2714
SamenvattingVergoeding verletkosten is bij zelfstandig beroepsoefenaar niet zonder meer beperkt tot de tijd die is gemoeid met het onderzoek ter zitting en met de heen- en terugreis.
Samenvatting (Bron)Procesrecht; art. 8:75 Awb; Besluit proceskosten bestuursrecht; bijwonen zitting; vergoeding verletkosten; omzetderving.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1338
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 07-10-2022
CiteertitelNJB 2022/2715
SamenvattingVoormalig inwoner Bonaire recht op AOW?
Samenvatting (Bron)Artikelen 2 en 6 van de Algemene Ouderdomswet. Artikel 4 van de Invoeringswet BES. Onder Nederland wordt verstaan het Europese deel van Nederland.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1378
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 14-10-2022
CiteertitelNJB 2022/2716
SamenvattingInternationaal verdragenrecht.
Samenvatting (Bron)Artikel 10, lid 2, Verdrag Nederland-Duitsland 1959. Begrip werkgever. Beperkte betekenis verdragsposterieur OESO-commentaar. Geïndividualiseerde doorbelasting.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1436
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 14-10-2022
CiteertitelNJB 2022/2717
SamenvattingPersonen die onder de kleine pensioenregeling van het Belastingverdrag met Duitsland vallen worden niet gediscrimineerd ten opzichte van anderen met een Duits pensioen.
Samenvatting (Bron)Artikel 17 van het Verdrag Nederland-Duitsland 2012. Personen die onder de kleinepensioenregeling vallen worden niet gediscrimineerd ten opzichte van anderen met een Duits pensioen.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1437
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (belastingkamer)
TitelHoge Raad 14-10-2022
CiteertitelNJB 2022/2718
SamenvattingDe inspecteur is als regel niet langer bevoegd om een volgende informatie beschikking te geven met betrekking tot dezelfde tekortkoming(en) waarvoor een eerdere informatiebeschikking is gegeven.
Samenvatting (Bron)Informatiebeschikking; artikel 52a AWR; bevoegdheid inspecteur tot nemen nieuwe informatiebeschikking na intrekken van eerdere informatiebeschikking.
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1439
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 05-10-2022
CiteertitelNJB 2022/2719
Samenvatting(On)zelfstandig schadebesluit.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 3 juli 2020 heeft het CBR [wederpartij] onder voorwaarden rijgeschikt verklaard voor personenauto's, bestelauto's, bepaalde driewielers, aanhangwagens achter een auto en het T-rijbewijs. Het CBR heeft [wederpartij] bij dat besluit daarnaast niet rijgeschikt verklaard voor vrachtauto's, zware campers, aanhangwagens achter een vrachtauto en trekkers met oplegger. [wederpartij] heeft op 23 april 2020 een aanvraag tot afgifte van een verklaring van geschiktheid voor de rijbewijscategorieën B, BE, T, C en CE ingediend en daartoe een gezondheidsverklaring overgelegd. Voor de beoordeling of een verklaring van geschiktheid kan worden verstrekt, is door het CBR in dit geval nader onderzoek door een arbo-arts noodzakelijk geacht. [wederpartij] is onderzocht door arbo-arts dr. I.F.T. de Wolff. In het rapport van 12 juni 2020 concludeert De Wolff dat de linkerarm van [wederpartij] niet is aangelegd en dat zijn rechterarm anatomische afwijkingen heeft als ook afwijkend is ontwikkeld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:2860
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 05-10-2022
CiteertitelNJB 2022/2720
SamenvattingBij procesbelang gaat het er niet om of appellant gelijk heeft, maar of hij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat zou hebben.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 11 oktober 2019 heeft de minister van Defensie de verklaring van geen bezwaar van [appellant] ingetrokken. [appellant] was als militair werkzaam bij het Korps Commando-troepen van de Koninklijke Landmacht. Deze functie is door de minister aangewezen als vertrouwensfunctie in de zin van de Wet veiligheidsonderzoeken. De minister heeft de op 27 maart 2018 voor het door [appellant] uitoefenen van deze functie afgegeven VGB niveau A Nato cosmic top secret op 11 oktober 2019 ingetrokken op de grond dat persoonlijke gedragingen en omstandigheden maken dat er onvoldoende waarborgen zijn dat [appellant] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. De minister heeft op grond van artikel 23 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 [appellant] beperkt inzicht gegeven in de hem verweten gedragingen. Aan [appellant] is op zijn verzoek per 1 oktober 2020 eervol ontslag verleend.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:2866
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 26-10-2022
CiteertitelNJB 2022/2721
SamenvattingOp grond van de Wet politiegegevens kunnen geen afschriften worden verkregen van de documenten waarin verwerkte politiegegevens zijn opgenomen.
Samenvatting (Bron)Bij brief van 1 december 2020 heeft de korpschef van politie een verzoek van [appellante] om een afschrift van een politiedossier afgewezen. Bij brief van 3 september 2020 heeft [appellante] de korpschef verzocht om een politiedossier te mogen ontvangen. In haar brief heeft zij uiteengezet dat zij sinds enige tijd problemen heeft met haar buurman en met haar verhuurder Woonpunt. In dat verband heeft zij zich verschillende keren tot de politie gewend onder anderen wegens mishandeling, vernieling en bedreiging. Zij zou graag het dossier waarin deze gegevens zijn opgenomen, willen ontvangen zodat zij bij een mogelijke rechtsgang inzichtelijk kan maken welke acties zij heeft ondernomen. Volgens de korpschef blijkt uit de politiesystemen niet dat [appellante] aangifte van strafbare feiten heeft gedaan bij de politie, zodat artikel 18 van de Wet politiegegevens geen grondslag biedt voor het verstrekken van de gegevens.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3079
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 02-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2722
SamenvattingEen melding is geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, omdat de melder juist niet wil dat het bestuursorgaan een besluit neemt over de melding, maar het is wel vergelijkbaar met een aanvraag.
Samenvatting (Bron)Bij brief van 13 augustus 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wageningen geweigerd om het door [appellanten] in hun melding opgenomen plan voor een in- en uitrit toe te staan. [appellanten] zijn bewoners van de woning aan de [locatie] in Wageningen. Zij willen dat de grond naast de woning voor een deel als parkeerplaats met in- en uitrit gebruikt kan worden. Eerder werd dat stuk grond door de vorige bewoners als tuin gebruikt. [appellanten] hebben toestemming gevraagd voor hun plannen aan de verhuurder van de woning, de Woningstichting. De Woningstichting heeft die toestemming verleend bij brief van 20 maart 2019, omdat zij in de veronderstelling was dat zij eigenaar was van de grond die [appellanten] wilden bewerken. Vervolgens hebben [appellanten] op een deel van de grond groen verwijderd, bestrating aangebracht en een schutting geplaatst. De gemeente heeft [appellanten] bij brief van 22 juli 2019 geïnformeerd dat zij zonder gebruiksovereenkomst en zonder overleg met de gemeente openbare ruimte in gebruik hebben genomen voor een parkeerplaats met in- en uitrit.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3161
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 09-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2723
SamenvattingEen niet als zodanig bestemd woonschip was verwijderd naar aanleiding van een daartoe strekkend uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank in een door de gemeente gestarte civielrechtelijke procedure.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 26 oktober 2020 heeft de raad van de gemeente Kaag en Braassem het bestemmingsplan "1e herziening Buitengebied Oost" vastgesteld. In de toelichting bij het bestemmingsplan staat dat dit bestemmingplan een partiële herziening betreft van het op 28 mei 2018 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Oost". Het voorliggende bestemmingsplan maakt een aantal initiatieven mogelijk die na de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" zijn ingediend. Verder verduidelijkt dit bestemmingsplan een aantal regelingen uit het bestemmingsplan "Buitengebied Oost". Ook geeft dit bestemmingsplan naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:817, een nieuw planologisch regime voor een vijftal locaties. Daarnaast voorziet de herziening in de actualisatie van het bestemmingsplan "Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude" voor de N207 en het gebied rondom de N207. Ten slotte wordt het gebied ten noordwesten van de kern Woubrugge voorzien van een actueel juridisch-planologisch kader.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3214
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 09-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2724
SamenvattingDe Ozonlaag is geen belanghebbende bij het besluit van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, waarbij hij de aanvraag van Stichting voor Islamitisch Voortgezet Onderwijs (SIVOR) heeft toegewezen voor bekostiging van een islamitische scholengemeenschap voor mavo, havo en vwo in Den Haag.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 29 april 2020 heeft de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media een aanvraag van Stichting voor Islamitisch Voortgezet Onderwijs in Rotterdam e.o. voor bekostiging van een op te richten scholengemeenschap voor mavo, havo en vwo op islamitische grondslag in Den Haag, ingewilligd. De minister heeft zich volgens Stichting De Ozonlaag ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij geen belanghebbende is bij het besluit van 29 april 2020. De minister is op de hoogte van haar ambitie om een islamitische middelbare school in Den Haag te starten. De Ozonlaag heeft verwezen naar aanvragen voor bekostiging die zij in dat verband in het verleden heeft gedaan en naar de procedures die daarover bij de Afdeling liepen. Zij heeft een klacht ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1808. Ook daarom is zij naar eigen zeggen belanghebbende. Daarnaast had de minister in de zaak die heeft geleid tot voormelde uitspraak betoogd dat de belangstellingspercentages van de jaren 2018 en 2019 niet toereikend waren voor inwilliging van een aanvraag, aldus de stichting.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3237
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 09-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2725
SamenvattingHet tweede verzoek om vergoeding van extra uren voor de toegevoegde rechtsbijstand is geen herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 Awb.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 22 maart 2019 heeft de raad voor rechtsbijstand het verzoek van [advocaat A] om toekenning van extra uren voor rechtsbijstand aan [cliënt] afgewezen. Bij formulier van 14 augustus 2018 heeft [advocaat A] aan de raad gevraagd om 40 extra uren voor de toegevoegde rechtsbijstand aan [cliënt] in de strafzaak tegen hem. [advocaat A] heeft dit verzoek bij brief van 29 augustus 2018 nader toegelicht. In deze brief heeft zij onder meer vermeld dat er op 27 augustus 2018 een zitting is geweest van een meervoudige kamer, die heeft beslist dat er vijf getuigen gehoord moeten worden en die heeft gevraagd om een aanvullend proces-verbaal. Bij besluit van 11 september 2018 heeft de raad dit verzoek van [advocaat A] afgewezen. De raad heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat uit de stukken niet blijkt dat sprake is van een bijzondere rechtsvraag of van zon juridisch relevant feitencomplex dat de zaak in redelijkheid niet binnen de tijdgrens kan worden afgehandeld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3226
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 09-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2726
SamenvattingHeffing van leges voor verlenging geldigheidsduur wapenverloven.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 16 juli 2019 heeft de korpschef van politie aan [appellante] een onkostenvergoeding van 90,- opgelegd voor de verlenging van de geldigheidsduur van haar wapenverlof. Bij besluit van 20 juli 2020 heeft de minister van Justitie en Veiligheid het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Op 16 juli 2019 heeft [appellante] de geldigheidsduur van haar drie wapenverloven verlengd. Op grond van artikel 41 van de Wet wapens en munitie en artikel 50a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling wapens en munitie heeft de korpschef van politie bij de verlenging een onkostenvergoeding van 90,- aan [appellante] opgelegd. De onkostenvergoeding is opgebouwd uit twee delen: 60,- voor de verlenging van het eerste verlof en 30,- administratiekosten voor de verlenging van het tweede en derde verlof. [appellante] is het niet eens met deze onkostenvergoeding. [appellante] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat het heffen van de leges niet in het individuele belang van [appellante] is, maar in het algemeen belang. Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2426, volgt volgens haar dat in dat geval geen leges geheven mogen worden.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3210
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 09-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2727
SamenvattingBekendmaking op de voorgeschreven wijze geschiedt door toezending van een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 3 augustus 2020 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de aanvraag van [appellant] om terugbetaling van het lesgeld voor het schooljaar 2018-2019 afgewezen. De minister heeft bij het besluit van 3 augustus 2020 de aanvraag van [appellant] afgewezen omdat de aanvraag te laat is ingediend. Terugbetaling van het lesgeld had aangevraagd moet worden tijdens het schooljaar. Het schooljaar 2018-2019 is op 31 juli 2019 geëindigd en de aanvraag van [appellant] is pas op 13 juli 2020 ontvangen. [appellant] heeft in bezwaar aangevoerd dat hij het besluit van 3 augustus 2020 nooit schriftelijk heeft ontvangen. Hij heeft met de Dienst Uitvoering Onderwijs gebeld. Toen is hem verteld dat het besluit kon worden gedownload, wat hij vervolgens heeft gedaan. De minister heeft aan het besluit van 19 februari 2021 ten grondslag gelegd dat [appellant] het bezwaar te laat heeft ingediend, namelijk op 13 november 2020, en dat dit na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken valt.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3225
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 14-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2728
SamenvattingEr is weer zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 21 september 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3269
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 16-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2729
SamenvattingDe Afdeling oordeelt dat de informatie die appellant heeft opgevraagd fiscaal van aard is en dus valt onder de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 18 april 2020 heeft de staatssecretaris van Financiën een verzoek van [appellant] om hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur informatie te verschaffen, afgewezen. Bij brief van 20 december 2019 heeft [appellant] bij de Belastingdienst een Wob-verzoek ingediend. Hij verzoekt daarin alle dossiers en informatie die de Belastingdienst vanaf 1 januari 1996 over hem heeft met toepassing van de Wob, De staatssecretaris heeft het Wob-verzoek afgewezen op grond van de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De staatssecretaris heeft het daartegen gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat alleen een vordering kan worden ingesteld bij de belastingrechter.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3317
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 18-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2730
SamenvattingHet besluit tot verwijdering als bedoeld in de Verblijfsrichtlijn is, zodra de staatssecretaris het bezwaar ongegrond heeft verklaard, het besluit in primo waarbij de staatssecretaris heeft vastgesteld dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht heeft gehad of meer heeft.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 2 augustus 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3338
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 18-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2731
SamenvattingBij inbewaringstelling van een gesteld minderjarige is paragraaf A2/3 van de Vc 2000 van toepassing.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 7 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:3334
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Centrale Raad van Beroep
TitelCentrale Raad van Beroep 01-06-2022
CiteertitelNJB 2022/2732
SamenvattingVerzoek werkgeefster om vergoeding (compensatie) van de door haar aan de exwerkneemster betaalde transitievergoeding ten onrechte afgewezen.
Samenvatting (Bron)In geschil is of het Uwv de hoogte van de compensatievergoeding terecht op 0,- heeft vastgesteld in de situatie waarin een dienstverband ná 1 juli 2015 is geëindigd, maar waarbij de tweejaarstermijn van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 7:760, eerste lid, onder a, van het BW is verstreken vóór de inwerkingtreding per 1 juli 2015 van de Wwz. Niet in geschil is dat in deze zaak is voldaan aan de voorwaarden van het eerste lid van artikel 7:673e BW. Dit betekent dat het Uwv compensatie dient te verstrekken aan werkgeefster. Het tweede lid van artikel 7:673e BW stelt een aantal beperkingen aan de hoogte van de compensatie. Gelet op het verband tussen het eerste en tweede lid van artikel 7:673e BW, het doel van compensatie en de maximering daarvan zoals die blijkt uit de wetsgeschiedenis, wordt de uitleg van het Uwv over de beperking van de hoogte van de compensatie niet onderschreven. Uitgaande van de uitleg van het Uwv zou het tweede lid van artikel 7:673e een extra voorwaarde voor het recht op compensatie bevatten. Deze uitleg van het Uwv van het tweede lid verdraagt zich, gelet op de context van het eerste en het tweede lid, niet met het wettelijk systeem van compensatie. De tekst van het tweede lid van artikel 7:673e van het BW biedt evenmin steun voor de uitleg van het Uwv. De interpretatie zoals weergegeven onder 6.4.3 en 6.4.4 sluit aan bij het doel van de maximeringsbepaling zoals die uit de wetsgeschiedenis naar voren komt. Uit wat onder 6.1 tot en met 6.5 is overwogen vloeit voort dat de werkgever in de situatie waarin een dienstverband ná 1 juli 2015 is geëindigd, maar waarbij de tweejaarstermijn van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte is verstreken vóór 1 juli 2015, aanspraak heeft op compensatie van de transitievergoeding die ziet op de periode tot de dag dat de termijn van twee jaar die geldt voor het opzegverbod wegens ziekte is verstreken. Hieruit volgt dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste wetsuitleg van het tweede lid van artikel 7:673e van het BW. Het hoger beroep van het Uwv slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld (judiciële lus). Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van werkgeefster in hoger beroep.
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:1316
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 15-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2733
SamenvattingGeen bestuurlijk rechtsoordeel.
Samenvatting (Bron)Algemene wet bestuursrecht: artikelen 1:3, 5:2, 7:1, 8:1 en 8:88. Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement van de van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten): artikel 10. Geen besluit. Geen bestuurlijk rechtsoordeel. Appellante heeft verweerder verzocht om geitenbokjes te mogen slachten volgens een door haar bij haar brief gevoegd protocol (het verzoek). In dit protocol heeft appellante beschreven dat zij geitenbokjes die na het slachten geen postmortem-keuring (pm-keuring) hebben ondergaan in de handel wil brengen als categorie 3-materiaal om het te verwerken tot diervoeder. Het College oordeelt dat verweerder het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van het verzoek van appellante ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Verweerder had appellante niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar bezwaar. Er is namelijk geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht of een daaraan gelijk te stellen bestuurlijk rechtsoordeel. Het College verklaart het beroep om die reden gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Het College ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar van appellante alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit betekent dat het College niet toekomt aan wat appellante verder inhoudelijk heeft aangevoerd.
UitspraakECLI:NL:CBB:2022:754
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 15-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2734
SamenvattingOnjuiste toepassing matigingsbeleid
Samenvatting (Bron)Mestboete. Het College vernietigt de aangevallen uitspraak. De minister heeft op goede gronden de conclusie getrokken dat de aangemelde transporten niet hebben plaatsgevonden. Als de transporten uiteindelijk niet zijn uitgevoerd had appellante de aanmeldingen van de transporten elektronisch moeten intrekken. Door dit niet te doen heeft appellante artikel 57b, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling overtreden. Appellante is verder door de onjuiste vermelding van de feitcode niet in haar verdedigingsbelang geschaad. De systematiek en de uitgangspunten van de Awb ter zake van het beslissen op een bezwaarschrift brengen met zich dat een primair besluit in volle omvang wordt heroverwogen en dat deze heroverweging de gelegenheid biedt fouten te herstellen. De door appellante gestelde omstandigheid dat de agrariërs waar geladen moest worden verhinderd waren, waardoor in het geval van appellante sprake is van overmacht, heeft zij niet onderbouwd. Verder was de minister niet gehouden een zienswijze te vragen over zijn voornemen tot boeteoplegging. Appellante voert terecht aan dat zowel de minister als de rechtbank het matigingsbeleid dat de minister hanteert bij het oplegging van bestuurlijke boetes, onjuist toepast. Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat de door de minister van belang geachte sterkere prikkelwerking uit de aard der zaak in dit geval nog niet aan de orde kon zijn, nu de bij besluit van 9 juni 2020 beboete gedragingen van appellante immers alle dateren van vóór het besluit van 26 februari 2020 waarbij appellante voor dezelfde soort overtreding is beboet. Dat appellante bij brief van 16 december 2019 is gewaarschuwd dat zij onder verscherpt toezicht was geplaatst en zij onder meer gecontroleerd zou kunnen worden op de overtreding met feitcode M491 doet aan het voorgaande niet af, omdat ook de overtredingen waarvoor de eerdere boetes zijn opgelegd na die datum hebben plaatsgevonden.
UitspraakECLI:NL:CBB:2022:759
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 15-11-2022
CiteertitelNJB 2022/2735
SamenvattingRedelijke termijn.
Samenvatting (Bron)Appellante heeft volgens de minister ten eerste gehandeld in strijd met artikel 53 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling) door mest te vervoeren zonder dat de in deze bepaling bedoelde apparatuur adequaat functioneerde. Appellante is door de onjuiste vermelding van de feitcode niet in haar verdedigingsbelang geschaad. De systematiek en de uitgangspunten van de Awb ter zake van het beslissen op een bezwaarschrift brengen met zich dat een primair besluit in volle omvang wordt heroverwogen en dat deze heroverweging de gelegenheid biedt fouten te herstellen. Verder was de minister niet gehouden een zienswijze te vragen over zijn voornemen tot boeteoplegging. Overschrijding redelijke termijn met ruim zes maanden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen ziet het College geen aanleiding om in deze zaak vanwege het processuele gedrag van appellante af te wijken van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd.
UitspraakECLI:NL:CBB:2022:763
Artikel aanvragenVia Praktizijn