Jurisprudentie in Nederland

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie in Nederland
Datum 22-11-2022
Aflevering 9
RubriekArbeidsrecht
TitelHoge Raad 24-06-2022
CiteertitelJIN 2022/157
SamenvattingErnstige verwijtbaarheid, Verwijtbaar handelen, #MeToo, Grensoverschrijdend gedrag, Biltik, Massage, Vuistregel, Toneelschool, Bewegingsleer, Docent.
Samenvatting (Bron)Arbeidsrecht. Vervolg op HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1307. Ontbinding arbeidsovereenkomst docent op grond van verwijtbaar gedrag (art. 7:669 lid 3, onder e, BW). Recht op transitievergoeding (art. 7:673 BW). Uitzondering indien einde arbeidsovereenkomst gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (art. 7:673 lid 7, aanhef en onder c, BW). Is handelen werknemer in rechtsverhouding tot werkgever ernstig verwijtbaar?
AnnotatorV. Twilt
UitspraakECLI:NL:HR:2022:950
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelGerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-07-2022
CiteertitelJIN 2022/158
SamenvattingSlapend dienstverband, Kort voor bereiken pensioenleeftijd, Goed werkgeverschap, Xella-norm, Pensioenpremie doorbetaald, Afstand van recht, Matiging schadevergoeding.
Samenvatting (Bron)Arbeidszaak. Wwz. Slapend dienstverband. Dienstverband wordt per 13 september 2018 voor een korte periode (tot pensioendatum op 1 juni 2019) voortgezet na einde wachttijd. Werkgever blijft pensioenpremie betalen. Werknemer is vrijgesteld van werk en re-integratie. Salaris wordt niet meer betaald. Dat is feitelijk een inhoudsloos dienstverband in de zin van de Xella-beschikking van de Hoge Raad. Werkgever weigert (paar maanden vˇˇr pensioendatum) in te stemmen met alsnog gedaan verzoek van werknemer tot beŰindiging dienstverband en betaling transitievergoeding ( 51.502,- bruto). Dat is in strijd met goed werkgeverschap (7:611 BW). Werkgever is schadeplichtig. De schade is het netto-equivalent van een transitievergoeding van 51.502,- bruto. Onaanvaardbaar is dat de pensioenpremie voor rekening van de werkgever blijft (6:109 BW). Daarom matiging met het bedrag van de door de werkgever betaalde pensioenpremies ( 4.455,86). Wettelijke rente gaat in op de dag van verzuim, zijnde de dag van afwijzing van het verzoek van de werknemer.
AnnotatorC.F. Kiveron , T.J. Vlot
UitspraakECLI:NL:GHARL:2022:6449
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelGerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-08-2022
CiteertitelJIN 2022/159
SamenvattingAanzegverplichting arbeidsovereenkomst, Gerechtvaardigd vertrouwen, Kwalificatie arbeidsovereenkomst, Wilsovereenstemming, Stilzwijgende verlenging, Stilzwijgende voortzetting, Arbeidsovereenkomst verlengen.
Samenvatting (Bron)Arbeidsrecht. Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd stilzwijgend verlengd omdat werknemer na einde van het verstrijken van de bepaalde nog twee dagen stond vermeld op het rooster en die dagen ook nog gewoon haar werkzaamheden heeft verricht? Niet in de omstandigheden van dit geval. Aan werknemer was een en andermaal meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden. Zij had geen signalen ontvangen dat werkgever op dat besluit zou zijn teruggekomen. Aan haar inroostering en het verrichten van haar werkzaamheden mocht werknemer daarom niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de wil van werkgever was gericht op voortzetting van het dienstverband. Die inroostering is kennelijk het gevolg geweest van een planningsfout door miscommunicatie.
AnnotatorH.J. Steinvoort , R.D. Beudeker
UitspraakECLI:NL:GHARL:2022:7134
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArbeidsrecht
TitelRechtbank Midden-Nederland 02-06-2022
CiteertitelJIN 2022/160
SamenvattingBescherming bedrijfsinformatie, Thuiswerkverzoek, Echtgenoot werkneemster in dienst bij concurrent, Inbreuk persoonlijke levenssfeer.
Samenvatting (Bron)Ontbinding arbeidsovereenkomst op de h-grond.
AnnotatorM.A. Lacasa
UitspraakECLI:NL:RBMNE:2022:2152
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArbeidsrecht
TitelRechtbank Rotterdam 13-07-2022
CiteertitelJIN 2022/161
SamenvattingStopzetten loon, Loondoorbetaling, Ziekte, Opzet.
Samenvatting (Bron)Wg doet ten onrechte een beroep op art 7:629 lid 3 a BW. Geen sprake van het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid met opzet bij ondergaan van borstverkleining in het buitenland
AnnotatorJ.J. Hoekstra , D. Herfst
UitspraakECLI:NL:RBROT:2022:6691
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPersonen- en familierecht
TitelGerechtshof Den Haag 20-07-2022
CiteertitelJIN 2022/162
SamenvattingPartneralimentatie, Draagkracht IB-ondernemer, Kasstroom, Buffervermogen.
Samenvatting (Bron)Het hof stelt het inkomen van de IB-ondernemer vast. Ook de IB-ondernemer dient over een buffervermogen te beschikken, derhalve kan niet de gehele winst uit onderneming in de draagkracht van de man worden meegenomen. De IB-ondernemer brengt zijn onderneming in, in een BV. Het hof gaat na de inbreng uit van het loon dat de man als DGA ontvangt.
AnnotatorM. Arnold
LinkVolledige tekst annotatie (vanlelyveldadvocaten.nl)
UitspraakECLI:NL:GHDHA:2022:1387
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPersonen- en familierecht
TitelGerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-08-2022
CiteertitelJIN 2022/163
SamenvattingPartneralimentatie, Behoefte, Toepassing Big Mac-index.
Samenvatting (Bron)Partneralimentatie. Behoefte vrouw (destijds) vastgesteld op 1.870,- netto; financiŰle omstandigheden in Hongarije niet toegelicht of onderbouwd, niet gebleken dat is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens (artikel 1:401 lid 4 BW). Wijziging van omstandigheden, toepassing BigMac-index.
AnnotatorA.M.E. Derks
UitspraakECLI:NL:GHARL:2022:7314
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelGerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-09-2022
CiteertitelJIN 2022/164
SamenvattingEchtscheidingsconvenant is vaststellingsovereenkomst, Geen dwaling, Geen misleiding.
Samenvatting (Bron)Convenant is als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW aan te merken. Beroep op dwaling en beroep op onrechtmatig handelen verworpen.
AnnotatorC.W. Kruijf-Vermeij
UitspraakECLI:NL:GHARL:2022:8129
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOndernemingsrecht
TitelGerechtshof Den Haag 19-07-2022
CiteertitelJIN 2022/165
SamenvattingOvername aandelen in besloten vennootschap, Schending garanties.
Samenvatting (Bron)Overname aandelen in besloten vennootschap. Vraag of door verkoper afgegeven garanties in koopovereenkomst zijn geschonden.
AnnotatorT. Ensink
UitspraakECLI:NL:GHDHA:2022:1706
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 30-09-2022
CiteertitelJIN 2022/166
SamenvattingArbitrage, Vernietigingsprocedure, Herroeping, Bedrog.
Samenvatting (Bron)Procesrecht. Arbitrage. Bedrog door achterhouden stukken. Ontdekking tijdens arbitrale procedure na tussenvonnis met bindende eindbeslissingen maar vˇˇr einduitspraak in eerste aanleg. Verplichting arbiters beroep op bedrog te onderzoeken. Terugkomen van beslissingen in vonnis waartegen tussentijds arbitraal hoger beroep was ingesteld. Herroeping, art. 1068 lid 1 (oud) Rv. Strijd met de openbare orde, art. 1065 lid 1, onder e, (oud) Rv.
AnnotatorM.C. van Rijswijk , J.A.G. de Boer
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1332
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOndernemingsrecht
TitelRechtbank Amsterdam 27-07-2022
CiteertitelJIN 2022/167
SamenvattingAansprakelijkheid bank, Zorgplicht bank, Subjectieve wetenschap van ongebruikelijke activiteiten.
Samenvatting (Bron)Een Zweedse vrouw, die op verzoek van een oplichter (de Tinder Swindler) geld had overgemaakt naar een ING-rekening op naam van een Nederlandse vrouw, krijgt geen schadevergoeding van de bank. De vrouw meende dat de bank haar zorgplicht had geschonden door geen actie te ondernemen, terwijl de bank wist dat er ongebruikelijke transacties plaatsvonden op de rekening van die Nederlandse vrouw. De rechtbank oordeelt dat de bank voldoende onderzoek heeft gedaan en dat zij niet wist dat derden, zoals de Zweedse vrouw, mogelijk gevaar liepen. De bank is dus niet aansprakelijk.
AnnotatorD.S. Volleberg , M. van den Broeck
UitspraakECLI:NL:RBAMS:2022:4066
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStrafrecht
TitelHoge Raad 13-09-2022
CiteertitelJIN 2022/168
SamenvattingAfwijzing getuigenverzoek.
Samenvatting (Bron)Eendaadse samenloop van afpersing en diefstal met (bedreiging met) geweld (art. 317.1 en 312.1 Sr). Afwijzing van ttz. in hoger beroep gedaan verzoek tot horen opsporingsambtenaar t.a.v. door hem verricht DNA vooronderzoek m.b.t. bivakmuts op de grond dat noodzaak daartoe niet is gebleken. Zijn regels uit HR:2021:576 (post-Keskin) van toepassing op verzoeken tot horen van deskundige of opsporingsambtenaar die technisch opsporingsonderzoek heeft verricht? Overwegingen HR m.b.t. rechtspraak EHRM over art. 6.3.d EVRM en deskundigen. O.g.v. art. 6 EVRM heeft verdachte het recht dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te onderzoeken van door deskundige afgelegde verklaring, waaronder ook kan worden begrepen het door deskundige uitgebrachte schriftelijk verslag dat in dossier is gevoegd, als die verklaring of dat verslag een voor verdachte belastende strekking heeft. Van belang daarbij is echter ook dat ondervraging van expert witness in aanwezigheid van verdediging niet enige mogelijkheid betreft om bevindingen en conclusies van het door betreffende deskundige verrichte onderzoek aan (nader) onderzoek t.b.v. verdediging te onderwerpen. HR noemt aantal van die mogelijkheden. Het is afhankelijk van aard en inhoud van bevindingen en conclusies van deskundige alsmede concrete omstandigheden van het geval welke mogelijkheid of mogelijkheden voor onderzoek en betwisting aan de verdediging, met het oog op het waarborgen van eerlijkheid van proces als geheel moet of moeten worden geboden. Gelet op vorenstaande brengt omstandigheid dat deskundige een verklaring heeft afgelegd dan wel dat een schriftelijk verslag van deskundige in dossier is gevoegd, terwijl die verklaring of dat verslag (bezien in samenhang met overige resultaten van opsporingsonderzoek) een voor verdachte belastende strekking heeft, niet met zich dat regels die HR in HR:2021:576 (post-Keskin) heeft geformuleerd over beoordeling van verzoeken tot horen van getuigen die een verklaring met belastende strekking hebben afgelegd, onverkort toepassing vinden. Een verzoek tot oproepen en horen van deskundige moet in de regel door verdediging worden gemotiveerd. Daarbij mag van verdediging worden verlangd dat wordt toegelicht welke onderdelen van het verrichte onderzoek en/of van over dat onderzoek opgestelde of afgelegde verklaring zij wil (doen) toetsen d.m.v. horen van deskundige. Daarbij kan van belang zijn dat verdediging ook toelicht waarom daarvoor het oproepen en horen van deskundige nodig is en niet andere wijze van toetsing in aanmerking komt. Het vorenstaande geldt ook als verzoek wordt gedaan tot oproepen en horen als getuige van opsporingsambtenaar die technisch opsporingsonderzoek heeft verricht, dat wil zeggen opsporingsonderzoek waarvoor een zekere mate van specifieke of bijzondere kennis is vereist. Raadsman heeft verzoek gedaan om verbalisant als getuige op te roepen om hem te horen over door verbalisant verrichte technische opsporingsonderzoek naar aanwezigheid en veiligstellen van humane biologische sporen aan bivakmuts. Afwijzing verzoek getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ook s hofs kennelijke oordeel dat het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces niet in de weg staat aan gebruik voor bewijs van het door verbalisant opgestelde p-v, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
AnnotatorC. van Oort
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1198
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 20-09-2022
CiteertitelJIN 2022/169
SamenvattingHoge Raad houdt Friese moordzaak in stand.
Samenvatting (Bron)Medeplegen moord op echtgenoot, art. 289 Sr. 1. Redengevendheid voor bewijs van overeenkomst in samenstelling van verfdeeltjes in letsel van slachtoffer en in auto van verdachte waaraan NFI geen bewijskracht kon toekennen. 2. Kennelijke leugenachtigheid. Is sprake van kennelijk leugenachtige verklaringen van verdachte die voor het bewijs konden worden gebruikt? 3. Bewijsklacht medeplegen. Staat de omstandigheid dat de precieze rol van medeverdachte niet duidelijk is geworden in de weg aan bewezenverklaring van medeplegen? 4. Vordering benadeelde partijen. Shockschade/schokschade. Kon hof vordering van b.p. (ouders en zussen van slachtoffer die zijn lichaam in het mortuarium hebben gezien) t.z.v. schokschade toewijzen, ook al was confrontatie met lichaam niet onverhoeds en onvermijdbaar? Ad 1. Dat hof een zekere bewijswaarde heeft toegekend aan de resultaten van het onderzoek naar de verfdeeltjes, is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat hof deze resultaten op zichzelf niet doorslaggevend achtte maar deze heeft beoordeeld in samenhang met de overige bewijsmiddelen. Ad 2. V.zv. hof aan de vastgestelde onwaarheden in de verklaringen van verdachte betekenis heeft toegekend bij de negatieve beantwoording van de vraag of de feitenlezing van verdachte - die erop neerkomt dat zij geen enkele betrokkenheid had bij het strafbare feit - geloofwaardig is, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Nu hof die onwaarheden op deze wijze in zijn oordeel over de bewezenverklaring mocht betrekken, behoeven klachten over het aanmerken van deze onwaarheden als zelfstandige bewijsmiddelen geen bespreking. Ad 3. Klacht dat voor bewezenverklaring van medeplegen onvoldoende duidelijk is geworden wat de precieze rol van medeverdachte is geweest, stelt een eis die het recht niet kent. Klacht over begrijpelijkheid van s hofs feitelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen faalt ook. Dat verdachte het feit niet alleen heeft gepleegd, heeft hof in de eerste plaats gebaseerd op de aard van het zeer zware letsel van slachtoffer. Gelet op haar postuur achtte hof verdachte niet in staat om het heftige geweld alleen toe te brengen. In samenhang met de waarneming van getuige dat verdachte, toen zij rond het met slachtoffer afgesproken tijdstip van haar auto naar de ophaallocatie liep, werd vergezeld door (onbekend gebleven) persoon, achtte hof daarom voldoende aannemelijk geworden dat medeverdachte betrokken was bij het toebrengen van het dodelijke letsel. Gelet op deze betrokkenheid (en op alle overige vaststellingen omtrent de gedragingen van verdachte zelf) is s hofs oordeel dat verdachte als medepleger moet worden aangemerkt niet onbegrijpelijk. Ad 4. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:958 over vergoedbaarheid van schokschade. Hof heeft vastgesteld dat met een slagvoorwerp hevig geweld is toegepast op het lichaam en hoofd van slachtoffer, dat b.p. een nauwe en affectieve relatie hadden met hun zoon dan wel broer en dat de confrontatie met slachtoffer een hevige schok bij hen heeft teweeggebracht die heeft geleid tot ernstig geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld. De hierop gebaseerde toewijzing van vorderingen van schokschade geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De omstandigheden dat b.p. pas op een later moment met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit zijn geconfronteerd en dat die confrontaties niet onverhoeds en ook niet onvermijdbaar waren, doen daaraan (gelet ook op de toedracht van het bewezenverklaarde, het toegepaste geweld en de directe familieband tussen slachtoffer en b.p.) niet af. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. medeplegen en kennelijke leugenachtigheid.
AnnotatorC. van Oort
UitspraakECLI:NL:HR:2022:1250
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBestuursrecht
TitelHoge Raad 18-02-2022
CiteertitelJIN 2022/170
SamenvattingSubsidie, Uitvoeringsovereenkomst in de vorm van een koopovereenkomst, Samenloop van bestuursrechtelijke en civielrechtelijke rechtsgang.
Samenvatting (Bron)Subsidierecht. Uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in art. 4:36 Awb. Koopovereenkomst. Vordering tot nakoming bij de burgerlijke rechter.
AnnotatorL.W. Verboeket , M.J. Jacobs
UitspraakECLI:NL:HR:2022:275
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBestuursrecht
TitelCentrale Raad van Beroep 01-03-2022
CiteertitelJIN 2022/171
SamenvattingBeroepsgrond, Geen voldoende concrete beroepsgrond.
Samenvatting (Bron)Beroep niet-ontvankelijk. Ontbreken gronden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het op 21 januari 2019 ingediende beroepschrift geen concrete beroepsgrond bevat. In beroep is slechts meegedeeld: Eiseres kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen. Deze rust op een feitelijk onjuiste grondslag en is onvoldoende gemotiveerd. Dit kan niet als een voldoende concrete beroepsgrond, zoals bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb worden beschouwd. Appellante is daarom in de gelegenheid gesteld om alsnog de gronden van het beroep in te dienen, maar van deze gelegenheid heeft appellante geen gebruik gemaakt.
AnnotatorM.E. Rog
UitspraakECLI:NL:CRVB:2022:480
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBestuursrecht
TitelRaad van State 06-04-2022
CiteertitelJIN 2022/172
SamenvattingVerschijnen ter zitting, Proceskostenvergoeding in hoger beroep.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 23 maart 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot zorgtoeslag van [appellante] voor het jaar 2020 vastgesteld op 2.243,00. [appellante] heeft op 25 februari 2020 met terugwerkende kracht per 1 januari 2019 zorgtoeslag aangevraagd. Bij het besluit van 23 maart 2020, gehandhaafd bij het besluit van 2 juli 2020, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot zorgtoeslag van [appellante] voor het jaar 2020 vastgesteld op 2.243,00. Daarbij heeft de dienst [gemachtigde A] als toeslagpartner aangemerkt. Hoewel [appellante] en [gemachtigde A] sinds 6 oktober 2016 niet meer staan ingeschreven op hetzelfde adres in de Basisregistratie personen waren zij in de periode van belang wel gehuwd, aldus de dienst. [appellante] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank [gemachtigde A], die zij had gemachtigd om haar zaak te behartigen, ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om de zaak ter zitting toe te lichten.
AnnotatorG.J. Stoepker
UitspraakECLI:NL:RVS:2022:1010
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBestuursrecht
TitelRechtbank Noord-Holland 08-04-2022
CiteertitelJIN 2022/173
SamenvattingIn kort geding toegewezen gebod tot intrekking van een beroep bij de bestuursrechter, Dwangsom, Misbruik van procesbevoegdheid, Procedeerverbod, Ontvankelijkheid vordering, Noodzaak aanvullende rechtsbescherming.
Samenvatting (Bron)Vordering tot het opleggen van een gebod tot het intrekken van beroep tegen twee omgevingsvergunningen wordt in kort geding toegewezen. De Stichting had de bij haar bekende belangen van de kopers van de 162 woningen die door het ingestelde beroep worden geraakt bij het bepalen van haar handelswijze ter zake niet buiten beschouwing mogen laten. Gelet op de inhoudelijk onweersproken zwaarwegende aard en omvang van die belangen, en op de omstandigheid dat de Stichting andere (en waarschijnlijk efficiŰntere) middelen ter beschikking staan om het door haar nagestreefde doel te bereiken, waarbij de schadelijke gevolgen voor de kopers uitblijven, had de Stichting het beroep niet mogen instellen. Door dat wel te doen, en door dit beroep te handhaven, maakt de Stichting misbruik van recht en handelt zij onrechtmatig tegenover de kopers. Het meer algemeen geformuleerde verbod om bezwaar en beroep aan te tekenen tegen toekomstige vergunningen wordt afgewezen.
AnnotatorR.J.N. Schl÷ssels
UitspraakECLI:NL:RBNHO:2022:3145
Artikel aanvragenVia Praktizijn