Strafrecht Updates

Uitgever Boom Juridische Uitgevers
Tijdschrift Strafrecht Updates
Datum 10-03-2023
Aflevering 8
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 07-03-2023
CiteertitelSR 2023/0054
SamenvattingStrafmotivering en reclasseringsrapportage.
Samenvatting (Bron)Medeplegen van diefstal (met braak), meermalen gepleegd (art. 311.4 en 311.5 Sr) en medeplegen opzettelijk brand stichten (art. 157 Sr). Strafmotivering (gevangenisstraf 10 maanden). Heeft het hof ten onrechte in strafverzwarende zin acht geslagen op een niet aan verdachte tenlastegelegde verdenking van een nieuw strafbaar feit? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BM9968 en HR:2017:2391 m.b.t. voorwaarden waaronder bij strafoplegging rekening kan worden gehouden met niet tlgd. feit. Hof heeft, in alinea in strafmotivering die is gewijd aan een over verdachte opgemaakte reclasseringsrapportage, overwogen dat ttz. in h.b. is gebleken dat verdachte thans wederom vastzit in verband met een verdenking van diefstal en dat aan verdachte (eerder) opgelegde voorwaardelijke straf en bijkomende bijzondere voorwaarden hem er kennelijk niet van hebben weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Met eerste in vorige zin geciteerde zinsnede heeft hof kennelijk gereageerd op omstandigheid dat in reclasseringsrapportage werd gesteld dat verdachte een meer positieve lijn leek te hebben ingezet en er geen nieuwe aanwijzingen bestonden voor (nieuw) delictgedrag. Dat heeft hof kunnen doen. Klacht over tweede hiervoor geciteerde zinsnede is terecht voorgesteld. Die zinsnede is in geheel van strafmotivering echter van zodanig ondergeschikt belang dat gegrondheid klacht wegens gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden. Volgt verwerping.
AnnotatorJ.H.J. Verbaan
UitspraakECLI:NL:HR:2023:340
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 07-03-2023
CiteertitelSR 2023/0055
SamenvattingCassatie in het belang der wet: kosten van een raadsman als bedoeld in artikel 530 lid 2 Sv.
Samenvatting (Bron)Cassatie in het belang van de wet. Uitleg begrip kosten van een raadsman a.bi. art. 530.2 Sv. HR: Aan begrip raadsman in art. 530.2 Sv komt geen andere betekenis toe dan dat begrip heeft in art. 37 Sv. Onder de in art. 530.2 Sv bedoelde kosten van raadsman kunnen daarom alleen worden begrepen kosten die zijn gemaakt door advocaat die is ingeschreven op tableau NOvA, of die overeenkomstig art. 37.2 Sv als raadsman is toegelaten. Deze regeling hangt ermee samen dat in strafzaken verlening van rechtsbijstand plaatsvindt door advocaat (vgl. art. 28 Sv), waarbij rechtsbijstandverlening is omgeven met waarborgen die er i.h.b. in bestaan dat advocaat is gebonden aan wet- en regelgeving die op optreden advocaat van toepassing zijn en is onderworpen aan tuchtrecht. Hieruit volgt dat onder kosten van een raadsman a.b.i. art. 530 lid 2 Sv ook niet kunnen worden begrepen kosten van degene die o.g.v. art. 398.2 Sv verdachte vertegenwoordigt op tz. in strafzaak bij kantonrechter. Oordeel hof dat kosten van door een derde, niet zijnde advocaat, beroepsmatig verleende rechtsbijstand in procedure bij kantonrechter kunnen worden begrepen onder de kosten van een raadsman a.b.i. art. 530.2 Sv is gelet op voorgaande onjuist. Volgt vernietiging in belang van de wet.
AnnotatorJ.H.J. Verbaan
UitspraakECLI:NL:HR:2023:344
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 21-02-2023
CiteertitelSR 2023/0045
SamenvattingVinden verklaringen voldoende steun in ander bewijsmateriaal?
Samenvatting (Bron)Seksueel binnendringen bij iemand onder twaalf jaren (art. 244 Sr). Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452 m.b.t. bewijsminimum van art. 342.2 Sv. Hof heeft geoordeeld dat bewezenverklaring niet uitsluitend wordt aangenomen op grond van verklaringen van A, nu verklaringen voldoende steun vinden in verklaring van haar moeder die inhoudt dat, voordat A haar geheim aan moeder vertelde, moeder heeft gezien dat A van zolderkamer van verdachte afkwam. Verklaring van moeder volstaat echter niet voor vereiste voldoende steun. Hof heeft daarom bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:261
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 21-02-2023
CiteertitelSR 2023/0046
SamenvattingIs het hof voorbijgegaan aan verweer dat bewijsuitsluiting of strafvermindering moet worden toegepast omdat in strijd met EU-recht toegang is verkregen tot historische verkeers- en locatiegegevens van telefoons van verdachte?
Samenvatting (Bron)Veroordeling wegens autobrand (art. 157.1 Sr) en vrijspraak t.z.v. medeplegen moord/doodslag in Valkenswaard in 2014. Vordering locatie- en verkeersgegevens door OvJ zonder machtiging RC, art. 359a Sv. Is hof voorbijgegaan aan verweer dat bewijsuitsluiting of strafvermindering moet worden toegepast omdat in strijd met EU-recht toegang is verkregen tot historische verkeers- en locatiegegevens van telefoons van verdachte? 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, art. 359.2 Sv. 2. Vormverzuim, art. 359a Sv. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:218 m.b.t. gevallen waarin OvJ t.a.v. vordering locatie- en verkeersgegevens gehouden is schriftelijke machtiging van RC te vorderen. Klacht dat s hofs arrest niet voldoet aan voorschrift van art. 359.2 Sv, miskent dat vormverzuimen die verband houden met toepassing van bevoegdheden die ertoe strekken verkeers- en locatiegegevens te verkrijgen, worden beoordeeld o.g.v. art. 359a Sv (vgl. HR:2022:475). Ad 2. Wat namens de verdachte over aard en gevolgen van dit verzuim is aangevoerd, is in de kern niet meer dan enkele stelling dat hij in zijn belangen (want zijn recht op privacy) is geschaad omdat zijn verkeers- en locatiegegevens gedurende periode van ruim 2maanden van zijn provider zijn opgevraagd en verkregen. Die stelling kan echter door het ontbreken van enige concretisering van de mate waarin in dit geval de persoonlijke levenssfeer van verdachte zou zijn geschonden en het door verdachte a.g.v. die schending daadwerkelijk geleden nadeel, niet leiden tot gevolgtrekking dat sprake is van zodanig ernstig vormverzuim dat concreet belangen van verdachte in strafzaak heeft aangetast of dat anderszins sprake is van vormverzuim dat heeft geleid tot een zodanige ernstige schending van strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dat dit verzuim kan leiden tot een van de door verdediging bepleite gevolgen (bewijsuitsluiting of strafvermindering). Volgt verwerping. Samenhang met 21/02023.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:241
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 21-02-2023
CiteertitelSR 2023/0047
SamenvattingHeeft het hof klaagster terecht niet-ontvankelijk verklaard?
Samenvatting (Bron)Beklag, beslag op o.a. geld en sieraden onder medeverdachte van klaagster. Heeft hof klaagster terecht n-o verklaard omdat klaagschrift niet is ingediend binnen drie maanden nadat zaak medeverdachte tot een einde is gekomen? HR gaat in op termijn van drie maanden nadat vervolgde zaak tot een einde is gekomen a.b.i. art. 552a lid 3 Sv. Indien beslag is gelegd o.g.v. art. 94 Sv in een zaak waarin verscheidene personen als verdachten zijn aangemerkt, is aan vervolgde zaak pas einde gekomen als vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen. Rechter is in dat geval gehouden vast te stellen of de tegen hen ingestelde vervolgingen, waaronder ook - als het beslag o.g.v. art. 94 Sv betrekking heeft op aantonen van w.v.v. - moet worden begrepen de behandeling van de tegen hen ingestelde ontnemingsvorderingen, tot een einde zijn gekomen. Als voorwerp o.g.v. art. 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, is echter voor beantwoording van vraag of vervolgde zaak tot een einde is gekomen, beslissend of vervolging van degene(n) ten laste van wie het beslag is gelegd in strafzaak of - als het gaat om conservatoir beslag tot bewaring van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel - de behandeling van de tegen hem ingestelde ontnemingsvordering tot een einde is gekomen. (Vgl. HR:2019:135). I.c. heeft hof niet vastgesteld op welke wettelijke bepaling(en) beslag berust, terwijl ook stukken mogelijkheid openlaten dat beslag is gelegd o.g.v. art. 94 Sv. Tegen achtergrond van wat is overwogen over in dat geval geldende termijn, die mede afhankelijk is van moment waarop de vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen, is s hofs oordeel dat klaagschrift niet tijdig is ingediend ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:137
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 21-02-2023
CiteertitelSR 2023/0048
SamenvattingIs de door het hof bij schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gehanteerde referentieperiode van 16 dagen representatief voor gehele onderzoeksperiode van 24 maanden?
Samenvatting (Bron)Profijtontneming, w.v.v. uit verkoop van heroïne en cocaïne. Methode van extrapolatie. Motivering schatting w.v.v. Is door hof bij schatting w.v.v. gehanteerde referentieperiode van 16 dagen representatief voor gehele onderzoeksperiode van 24 maanden? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2013:BV9087 m.b.t. eisen die worden gesteld aan motivering van schatting van w.v.v. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat hof bij berekening van schatting van w.v.v. van betrokkene in periode van langere duur gebruikmaakt van vaststellingen over omvang van w.v.v. dat betrokkene gedurende kortere periode (referentieperiode) heeft verkregen. Als betrokkene voldoende gemotiveerd resultaten van vaststellingen over referentieperiode en/of extrapolatie van die resultaten naar gehele periode betwist, zal rechter moeten motiveren waarom hij ondanks wat is aangevoerd schatting van w.v.v. in gehele periode heeft kunnen ontlenen aan inhoud van gebruikte bewijsmiddelen. Hof heeft in reactie op verweer van raadsvrouw (inhoudende dat referentieperiode van 16 dagen niet representatief is voor gehele periode van 24 maanden die bij voordeelsberekening in aanmerking wordt genomen) geoordeeld dat het in dossier geen aanleiding ziet om te veronderstellen dat periode van 16 dagen niet representatief zou zijn voor gehele periode, omdat uit dossier genoegzaam blijkt dat er gedurende ten minste 2 jaren sprake was van florerende drugshandel. Mede in het licht van wat raadsvrouw heeft aangevoerd, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit s hofs bewijsvoering weliswaar kan worden afgeleid dat betrokkene in periode van 2 jaren heroïne en cocaïne heeft verkocht maar dat hof geen vaststellingen heeft gedaan over duur van drugshandel binnen die periode van 2 jaren, terwijl hof ook niet heeft aangegeven o.g.v. welke aan wettige b.m. ontleende feiten en omstandigheden het tot gevolgtrekking is gekomen dat daarbij sprake was van florerende drugshandel. s Hofs uitspraak is in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 21/02713 P.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:243
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 21-02-2023
CiteertitelSR 2023/0049
SamenvattingKan de gebitsschade waarop bedreiging betrekking heeft, worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel?
Samenvatting (Bron)Bedreiging met zware mishandeling van 2 medewerkers van afdeling handhaving van gemeente op woonwagenkamp, art. 285 Sr. Bewijsklacht. Kan gebitschade waarop bedreiging betrekking heeft, worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel? Voor veroordeling t.z.v. bedreiging met zware mishandeling is vereist dat door bedreiging, gelet op aard daarvan en omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. HR:2005:AT3659). Opvatting dat (nu bij daadwerkelijk toebrengen van gebitsschade niet zonder meer sprake hoeft te zijn van zwaar lichamelijk letsel) hof nadere vaststellingen had moeten doen over i.h.b. noodzaak en aard van medisch (tandheelkundig) ingrijpen, vindt geen steun in het recht. In HR:2018:1051 zijn regels gegeven voor beantwoording van vraag of daadwerkelijk opgelopen lichamelijk letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Het gaat echter bij misdrijf bedreiging met zwaar lichamelijk letsel niet om het daadwerkelijk toebrengen van zodanig letsel maar om de vraag of bij betrokkene a.g.v. uitlatingen en/of gedragingen van verdachte in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat betrokkene zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. s Hofs oordeel dat onder de door hof vastgestelde omstandigheden bij A en B a.g.v. de door verdachte geuite bewoordingen, waarbij het ging om het uit de mond slaan van al je tanden en al jullie tanden, in redelijkheid vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:262
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 21-02-2023
CiteertitelSR 2023/0050
SamenvattingHerziening smaad als uitspraak later juist blijkt?
Samenvatting (Bron)Herziening. Smaad, art. 261 Sr. Aangevoerd wordt dat aanvraagster inmiddels d.w.z.: nadat zij onherroepelijk door politierechter werd veroordeeld is komen te beschikken over volledig gedocumenteerde informatie waarmee door aanvraagster jegens A en/of B B.V. gedane uitlatingen, waarop feit waarvoor aanvraagster is veroordeeld betrekking heeft, kunnen worden onderbouwd en waaruit zou volgen dat door haar gedane uitlatingen op waarheid berusten. Ook als wordt aangenomen dat in aanvraag gestelde juist is, volgt hieruit niet dat ernstige vermoeden a.b.i. art. 457.1.c Sv is gewekt. Rechter heeft immers in strafzaak van aanvraagster moeten beoordelen of ten tijde van tenlastegelegde in de periode van 29 januari 2020 tot en met 2 februari 2020 gelet op wijze waarop en omstandigheden waaronder aanvraagster zich toen heeft uitgelaten, sprake was van, kort gezegd, smaad. Dat aanvraagster na genoemde periode beschikking heeft gekregen over in aanvraag genoemde informatie die steun zou geven aan door haar gedane uitlatingen, wekt niet ernstige vermoeden dat politierechter niet tot oordeel was gekomen en had kunnen komen dat aanvraagster in genoemde periode eer en/of goede naam van A en/of B B.V. heeft aangerand door toen door haar gedane uitlatingen. Ook wekt omstandigheid niet ernstige vermoeden dat politierechter zou hebben geoordeeld en zou hebben kunnen oordelen dat aanvraagster in genoemde periode te goeder trouw kon aannemen dat haar beweringen waar waren en dat algemeen belang betreffende telastlegging eiste. Afwijzing aanvraag.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:275
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 21-02-2023
CiteertitelSR 2023/0051
SamenvattingOnderzoek naar gehoor verbalisant?
Samenvatting (Bron)Doodslag (art. 287 Sr) op echtgenoot. Klachten over afwijzing verzoek verrichten nader onderzoek naar gehoor verbalisant en verwerping verweer dat door deze verbalisant opgemaakt p-v n.a.v. OVC-gesprek niet voor bewijs mag worden gebruikt. HR: Hof heeft oordeel dat verdachte bewezenverklaarde heeft begaan o.m. gebaseerd op uitvoerige vaststellingen over daderwetenschap, (dader)sporen en verklaring die zoon van verdachte en slachtoffer ttz. in h.b. als getuige heeft afgelegd. Verklaring houdt in dat verdachte, tijdens OVC-gesprek dat zij in PI op fluistertoon met getuige voerde, heeft gezegd: Ik heb hem vermoord. Hof heeft geoordeeld dat zijn conclusie wordt bevestigd door waarneming verbalisant, die heeft verklaard in OVC-gesprek te hebben gehoord dat verdachte tegen haar zoon zei: Ik heb hem vermoord. Verweer houdt in dat betreffende p-v onvoldoende betrouwbaar is wegens twijfel over deskundigheid verbalisant en omdat niet kan worden aangenomen dat hij over (veronderstelde) zeer goede gehoor beschikt. Verzoek tot nader onderzoek strekt ertoe onderzoek te laten verrichten naar deskundigheid en gehoorvermogen verbalisant. Hof heeft dit verzoek afgewezen omdat noodzaak daartoe niet is gebleken. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat betreffende verklaring niets inhoudt wat niet kan worden aangemerkt als mededeling van f&o die verbalisant zelf heeft waargenomen of ondervonden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu het gaat om weergave van eigen zintuigelijke waarnemingen van verbalisant. Hof heeft daarmee kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat p-v niet moet worden beschouwd als mededeling van deskundige aard over wat zijn wetenschap en kennis verbalisant leert over opname a.b.i. art. 343 en 344.1.4 Sv Hof heeft bij verwerping verweer m.b.t. betrouwbaarheid p-v o.m. betrokken dat werkzaamheden verbalisant sinds aanstelling in 2007 bestaan uit uitluisteren en verwerken van opgenomen communicatie. In licht van vorengaande heeft hof verweer verworpen op gronden die deze verwerping kunnen dragen. Ook afwijzing verzoek tot nader onderzoek is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt HR mede in aanmerking dat hof waarneming verbalisant heeft aangemerkt als bevestiging van op overige delen van bewijsvoering gebaseerde conclusie van hof dat verdachte slachtoffer om het leven heeft gebracht en dat getuigenverklaring en waarneming verbalisant elkaar over en weer bevestigen. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:266
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 21-02-2023
CiteertitelSR 2023/0052
SamenvattingBelang voortduren beslag na mededeling voornemen van teruggave
Samenvatting (Bron)Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto onder klager. Mocht Rb beoordelen of belang strafvordering voortduren beslag vordert nu OvJ ex art. 116.3 Sv voornemen kenbaar heeft gemaakt om inbeslaggenomen voorwerp terug te geven aan ander dan beslagene? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:128 en HR:2010:BL2823 m.b.t. aan te leggen maatstaf i.g.v. een ex art. 94 Sv gelegd beslag en inhoudende dat in systeem van wet besloten ligt dat, indien OM bij behandeling van beklag a.b.i. art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat belang van strafvordering zich niet meer tegen gevraagde teruggave verzet, rechter, zonder zelf in beoordeling van dit laatste punt te treden, op klaagschrift moet beslissen. Door te oordelen dat de belangen van strafvordering zich verzetten tegen teruggave heeft Rb ten onrechte beoordeeld of belang van strafvordering het voortduren van beslag vordert. Bovendien heeft Rb kennelijk als belang van strafvordering aangemerkt dat inbeslaggenomen personenauto wordt teruggegeven aan rechtmatige eigenaar, terwijl dat niet een belang is waarvoor art. 94 Sv het voortduren van beslag toelaat. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:277
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 21-02-2023
CiteertitelSR 2023/0053
SamenvattingKon hof bij de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen tweemaal de totale duur van de vervangende hechtenis op zes maanden bepalen?
Samenvatting (Bron)Belaging (art. 285b.1 Sr). Strafmotivering, oplegging gebieds- en contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr). Kon hof i.v.m. opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen 2 maal totale duur van vervangende hechtenis van 6 maanden bepalen? Art. 38w Sr. Rechter kan aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen waaraan meerdere in art. 38v.2 Sr genoemde verplichtingen worden verbonden. Daarbij bepaalt rechter overeenkomstig art. 38w.2 Sr duur van vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan maatregel (aan een aan die maatregel verbonden verplichting) wordt voldaan. O.g.v. art. 38w.3 Sr geldt van rechtswege dat totale duur van ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste 6 maanden bedraagt (vgl. HR:2021:841). Strafoplegging hof moet, wat betreft oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel, aldus worden verstaan dat aan verdachte 1 vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd waarbij verdachte wordt bevolen zich niet op te houden in bepaald gebied en tevens wordt bevolen zich te onthouden van contact met bepaalde persoon en dat duur van vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan 1 van die verplichtingen wordt voldaan 1 week bedraagt, waarbij o.g.v. art. 38w.3 Sr van rechtswege geldt dat totale duur van ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste 6 maanden bedraagt. Klacht dat hof 2 maal een totale duur van vervangende hechtenis van 6 maanden heeft bepaald, mist daarom feitelijke grondslag. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:282
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 14-02-2023
CiteertitelSR 2023/0037
SamenvattingAanvulling van gronden noodzakelijk?
Samenvatting (Bron)Tussenarrest HR. Aanwezig hebben van hennepkwekerij, art. 3.B Opiumwet. Bewijsklacht. Enkelvoudige kamer hof heeft vonnis Pr bevestigd, art. 3 Regeling aantekening mondeling vonnis, art. 425.2 Sv en art. 425.3 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:2026 m.b.t. bevestiging en vernietiging van mondeling vonnis bij mondeling arrest. Gelet hierop is het voor eisen die aan inhoud van aantekening mondeling arrest worden gesteld, niet van belang of verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend dan wel of ttz. door of namens verdachte vrijspraak is bepleit (vgl. HR:2009:BK5605).   Volgt verwijzing naar rolzitting teneinde AG in de gelegenheid te stellen zich voor het overige uit te laten over voorgestelde middelen. CAG (anders): Hof mocht vonnis Pr niet bevestigen, omdat niet kon worden volstaan met opgave van bewijsmiddelen a.b.i. art. 359.3 Sv, nu verdachte het feit niet heeft bekend en raadsvrouw in hoger beroep vrijspraak heeft bepleit.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:177
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 14-02-2023
CiteertitelSR 2023/0038
SamenvattingBrengt overschrijding van de verzendtermijn van een week uit artikel 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer voor de kennisgeving van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek mee dat een strikte waarborg niet is nageleefd?
Samenvatting (Bron)Rijden onder invloed van cannabis, art. 8.5 WVW 1994. Bloedonderzoek, strikte waarborg van art. 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in verkeer. Brengt overschrijding van de verzendtermijn van een week uit art. 17 Besluit voor de kennisgeving van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek mee dat een strikte waarborg niet is nageleefd? Hof heeft vastgesteld dat de termijn uit art. 17 Besluit is geschonden, nu de brief met daarin uitslag van bloedonderzoek en mededeling dat verdachte recht heeft op tegenonderzoek pas op 12 maart 2019 aan verdachte is verstuurd, terwijl de onderzoeker al op 26 februari 2019 verslag heeft opgemaakt. Hof heeft overwogen dat niet valt in te zien dat die termijn ertoe zou strekken om de juistheid van de analyse te waarborgen, nu de verzenddatum immers niet afdoet aan de onderzoeksresultaten. Voorschrift van art. 17 Besluit dat verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek, betreft strikte waarborg (vgl. HR:2021:1793). De enkele omstandigheid dat bij dit schriftelijk in kennis stellen de in art. 17 Besluit genoemde termijn van een week is overschreden, brengt echter niet met zich dat die strikte waarborg niet is nageleefd. De overschrijding van die termijn leidt immers niet tot aantasting van de betrouwbaarheid van het onderzoek a.b.i. art. 8.5 WVW 1994, tenzij vast komt te staan dat als gevolg van de termijnoverschrijding verdachte geen reële mogelijkheid meer heeft gehad om het tegenonderzoek te doen uitvoeren. s Hofs kennelijke oordeel dat de overschrijding van de verzendingstermijn niet met zich brengt dat een strikte waarborg niet is nageleefd, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:180
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 14-02-2023
CiteertitelSR 2023/0039
SamenvattingKon het hof aannemen dat verdachte geen BRP-adres had en verstek verlenen tegen niet-verschenen verdachte?
Samenvatting (Bron)Rijden met rijbewijs dat geldigheid heeft verloren, art. 107.2.b WVW 1994. Dubbel verstek. 1. Aanwezigheidsrecht. Na betekening dagvaarding in hoger beroep d.m.v. uitreiking aan medewerker OM maar vóór tz. in h.b. heeft verdachte zich alsnog ingeschreven in BRP. Kon hof (enkelvoudige kamer) aannemen dat verdachte geen BRP-adres had en verstek verlenen tegen niet verschenen verdachte? 2. Volgens cassatieakte is beroep niet gericht tegen s hofs beslissing tot afwijzing van vordering tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straf. Toelaatbare beperking cassatieberoep? Ad 1. Als dagvaarding van verdachte wiens (feitelijke) woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, rechtsgeldig is betekend en verdachte noch zijn raadsman op tz. is verschenen, kan rechter (behoudens duidelijke aanwijzingen van tegendeel) uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht (vgl. HR:2002:AD5163). Mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als verdachte na rechtsgeldige betekening van dagvaarding aan medewerker OM maar voor aanvang van onderzoek op tz. alsnog in de BRP is ingeschreven, zonder dat dit rechter bekend was (vgl. HR:2015:3347). Hof heeft met vermelding in p-v van tz. in h.b. dat verdachte wonende te adres A is en hoewel behoorlijk gedagvaard niet is verschenen, kennelijk tot uitdrukking gebracht dat van verdachte t.t.v. betekening van dagvaarding in h.b. en onderzoek op tz. in h.b. geen inschrijving in BRP maar wel (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend was. Uit stukken (i.h.b. informatiestaten SKDB-persoon die aan aanzegging in cassatie zijn gehecht) moet evenwel worden afgeleid dat verdachte t.t.v. behandeling van zijn strafzaak in h.b. in BRP was ingeschreven op adres B. Gelet hierop is s hofs oordeel dat van verdachte geen inschrijving in BRP bekend was, verstek kon worden verleend tegen niet verschenen verdachte en met behandeling van zaak kon worden voortgegaan, achteraf bezien onjuist. Ad 2. Aan deze beperking moet worden voorbijgegaan om reden zoals uiteengezet in HR:2013:CA1610. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:125
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 14-02-2023
CiteertitelSR 2023/0040
SamenvattingOordeel van hof dat in beslag genomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer is ontoereikend gemotiveerd.
Samenvatting (Bron)Witwassen (art. 420bis Sr). Onttrekking aan het verkeer van 60 gram (waarschijnlijk) hasjiesj na vrijspraak t.z.v. Opiumwetdelict. Vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer. Oordeel van hof dat inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer is ontoereikend gemotiveerd. Uit bestreden uitspraak kan immers niet worden afgeleid dat is voldaan aan in art. 36b, 36c en/of 36d Sr gestelde vereisten die voorwerpen vatbaar maken voor onttrekking aan het verkeer. HR neemt daarbij mede in aanmerking dat bestreden uitspraak niet inhoudt dat hof, niettegenstaande vrijspraak van onder 1 tenlastegelegde, heeft vastgesteld dat in relatie tot inbeslaggenomen voorwerp een strafbaar feit is begaan. HR merkt op dat art. 13a Opiumwet voorschrijft dat, als rechter vaststelt dat o.g.v. art. 33 tot en met 34 dan wel 36b tot en met 36d Sr verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van in lijst I of II bedoelde middelen mogelijk is, die verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer ook moet plaatsvinden. Art. 13a Opiumwet biedt echter geen zelfstandige of aanvullende grondslag voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van in lijst I of II bedoelde middelen, in gevallen waarin hiervoor genoemde bepalingen van Wetboek van Strafrecht verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer niet toelaten. Volgt (partiële) vernietiging wat betreft beslissing tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerp (zonder terugwijzing).
AnnotatorP.A.M. Mevis , C.L. van der Vis
LinkVolledige tekst annotatie (sr-updates.nl)
UitspraakECLI:NL:HR:2023:231
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 14-02-2023
CiteertitelSR 2023/0041
SamenvattingKan brief van verdachte aan rechtbank, die dag vóór uitspraak rechtbank bij griffie rechtbank is binnengekomen, worden aangemerkt als ‘schriftuur houdende grieven’ tegen vonnis rechtbank?
Samenvatting (Bron)Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. oplichting (meermalen gepleegd), art. 326.1 Sr. 1. Kan brief van verdachte aan Rb, die dag vóór uitspraak Rb bij griffie Rb is binnengekomen, worden aangemerkt als schriftuur houdende grieven tegen vonnis Rb? 2. Rechtsgevolgen overschrijding redelijke termijn bij betekening mededeling verstekarrest hof ex art. 366 Sv i.g.v. niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep. Ad 1. O.g.v. art. 404.1, 404.2, 406.1, 408.1, 408.2, 410.1 en 416 Sv staat tegen vonnissen betreffende misdrijven of overtredingen, die als einduitspraak zijn gegeven, onder de in die bepalingen genoemde omstandigheden hoger beroep open en is tegen vonnissen die geen einduitspraken zijn h.b. slechts gelijktijdig met dat tegen einduitspraak toegelaten. Uit die bepalingen volgt verder dat h.b. pas kan worden ingesteld nadat betreffende einduitspraak is gegeven en dat ook pas na einduitspraak schriftuur houdende grieven a.b.i. art. 410.1 en 416.2 Sv kan worden ingediend. Procespartij kan immers pas na einduitspraak in eerste aanleg beslissen of hij tegen einduitspraak en procedure die daaraan ten grondslag ligt, zodanige bezwaren heeft dat hij zaak in h.b. wil voorleggen en welke bezwaren hij aan rechter in h.b. kenbaar wil maken. Hof heeft vastgesteld dat brief van verdachte bij griffie Rb is binnengekomen voordat Rb in e.a. uitspraak deed. Verder heeft hof vastgesteld dat na die uitspraak geen schriftuur houdende grieven is ingediend en dat ook niet mondeling bezwaren tegen vonnis zijn opgegeven. Gelet op deze vaststellingen getuigt niet-ontvankelijkverklaring door hof van het door verdachte ingestelde h.b. niet van onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. Klacht tegen niet-ontvankelijkverklaring door hof van het door verdachte ingestelde h.b. leidt niet tot cassatie, terwijl HR ook geen grond aanwezig acht waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat hof het door verdachte ingestelde h.b. terecht n-o heeft verklaard, zodat vonnis in e.a. onherroepelijk is geworden. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. schriftuur houdende grieven.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:174
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 14-02-2023
CiteertitelSR 2023/0042
SamenvattingRekening houden met actuele prijzen bij vordering benadeelde partij?
Samenvatting (Bron)Seksueel binnendringen bij iemand in staat van verminderd bewustzijn na GHB-gebruik, art. 243 Sr. Vordering benadeelde partij. Aanschaf nieuwe telefoon door b.p. nadat verdachte na het bewezenverklaarde feit haar oude telefoon onder zich heeft gehouden, waarbij b.p. niet is ingegaan op door verdachte gestelde voorwaarde voor teruggave (intrekking aangifte). Heeft hof bij oordeel dat b.p. recht heeft op bedrag van 669 voor nieuwe telefoon ten onrechte geen rekening gehouden met lagere aanschafprijs van oude telefoon (door indertijd geldende korting) en heeft hof ten onrechte geen nieuw voor oud-aftrek toegepast? HR herhaalt relevante overweging uit HR:2019:793 m.b.t. vermogensschade a.b.i. art. 6:96 BW. Hof heeft bij zijn schadeberekening in dit specifieke geval tot uitgangspunt heeft genomen de daadwerkelijk door b.p. te betalen nieuwprijs van de door haar na het bewezenverklaarde feit aangeschafte telefoon met toebehoren, waarbij hof is uitgegaan van de aankoopprijs zonder korting van de 5,5 maand voor het bewezenverklaarde feit door b.p. aangeschafte telefoon met toebehoren. Dit geeft niet blijkt van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Hof heeft immers vastgesteld dat b.p. als gevolg van verdachtes handelen genoodzaakt werd haar oude telefoon - die enkele maanden oud was en van hetzelfde type was als de nieuw aangeschafte telefoon - te vervangen. De omstandigheid dat b.p. als gevolg hiervan de beschikking kreeg over een enkele maanden nieuwere telefoon, heeft hof kennelijk en niet onbegrijpelijk niet als een daadwerkelijk door b.p. genoten voordeel aangemerkt. Volgt verwerping. CAG: gedeeltelijk anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:135
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 14-02-2023
CiteertitelSR 2023/0043
SamenvattingKan onverhoeds uit de handen van aangever pakken van telefoondoosje worden aangemerkt als ‘geweld’ als bedoeld in artikel 312 lid 1 Sr?
Samenvatting (Bron)Verduistering van telefoon en oplader (321 Sr), diefstal met geweld van doosje van telefoon (312.1 Sr) en mishandeling van verkoper van telefoon (300.1 Sr). Bewijsklacht diefstal met geweld. Kan onverhoeds uit de handen van aangever pakken van telefoondoosje worden aangemerkt als geweld a.b.i. art. 312.1 Sr? Hof heeft m.b.t. dit feit vastgesteld dat aangever zijn telefoon en oplader aan verdachte gaf, dat verdachte op bijrijdersstoel van auto ging zitten en zijn simkaart in telefoon stopte, dat auto vervolgens hard wegreed en verdachte nog snel het doosje van telefoon uit de handen van aangever pakte. s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat sprake was van geweld (dat hier enkel bestond in het onverhoeds uit de handen pakken van doosje) is niet toereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:179
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekHoge Raad
TitelHoge Raad 14-02-2023
CiteertitelSR 2023/0044
SamenvattingKan stiefkind worden aangemerkt als ‘kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin’ als bedoeld in artikel 304 lid 1 Sr?
Samenvatting (Bron)Mishandeling van 13-jarig kind van echtgenote dat bij verdachte en diens echtgenote woont, art. 304.1 jo. 300.1 Sr. Kan stiefkind worden aangemerkt als kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin a.b.i. art. 304.1 Sr? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:112 m.b.t. wetsgeschiedenis over toevoeging van een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin aan art. 304.1 Sr. Opvatting dat voor bewezenverklaring van dit bestanddeel nodig is dat verdachte feitelijk de zorg en opvoeding van het kind op zich heeft genomen in die zin dat hij op enige wijze zorgde voor geestelijk en lichamelijk welzijn en veiligheid van kind en/of ontwikkeling van diens persoonlijkheid bevorderde, is in haar algemeenheid onjuist. s Hofs oordeel geeft gelet op de in bewijsvoering vastgestelde feiten en omstandigheden ook overigens niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:222
Artikel aanvragenVia Praktizijn