Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 10-07-2023
Aflevering 24
RubriekVooraf
TitelHaviltexhaters
CiteertitelNJB 2023/1698
SamenvattingIn Nederland bestaan adepten van de uitlegleer van de Hoge Raad, kort samengevat in de Haviltexmantra,maar er bestaan minstens even hartgrondige bestrijders daarvan, de zogeheten Haviltexhaters. De adepten zijn gemiddeld genomen wat stiller dan de haters; zij hoeven immers de heersende leer niet te bestrijden, noch hoeven zij in hun commerciŽle of andersoortige contracten specifieke uitlegclausules op te nemen. Door te zwijgen gaat het vanzelf goed en dat blijft zo, zolang de Hoge Raad niet van koers verandert (en daar ziet het niet naar uit).
Auteur(s)C.E. Drion
LinkVolledige tekst artikel (njb.nl)
UitspraakECLI:NL:HR:1981:AG4158
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelĎNiet verdisconteerde omstandighedení en evenredigheidstoetsing van formele wetgeving: Een semantische discussie met potentieel grote consequenties
CiteertitelNJB 2023/1699
SamenvattingNaar aanleiding van de toeslagenaffaire wordt over toepassing van het evenredigheidsbeginsel contra formele wetgeving veel gediscussieerd, omdat de mate van rechtsbescherming tegen mogelijk onevenredige, maar democratisch tot stand gekomen formele wetgeving er uiteindelijk van afhangt. Toepassing van het evenredigheidsbeginsel contra wet wordt onderhand erkend, maar gaat onvermijdelijk gepaard met een normatieve rechterlijke toets, die zich slecht verdraagt met ons staatsrecht. Vraag is hoe de responsivering van het bestuursrecht institutioneel kan worden vormgegeven middels modaliteiten waarmee de wetgever meer doordacht en concreter uit kan dragen waarvoor de wetgeving die wordt opgesteld precies bedoeld is. Dat doet recht aan de ordenende functie van het recht: hoe beter de wetgever erin slaagt om de menselijke maat in diens wetgeving te verdisconteren, hoe minder de rechtspraak wordt genoodzaakt door middel van semantische exercities in de behoefte aan menselijke maat te voorzien.
Auteur(s)J. Laninga , M. Duchateau
LinkVolledige tekst artikel (Julia Laninga, LinkedIn.com)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelDisponeren en het vertrouwensbeginsel in het belastingrecht en bestuursrecht
CiteertitelNJB 2023/1700
SamenvattingIn een recent arrest herijkt de Hoge Raad zijn invulling van het dispositievereiste. Dit artikel neemt dat arrest van de belastingkamer onder de loep en plaatst dit in een breder rechtsvergelijkend verband. Wat is de betekenis van disponeren voor de toepassing van het vertrouwensbeginsel in het belastingrecht respectievelijk het bestuursrecht? De conclusie is dat de invulling van het begrip disponeren in beide rechtsgebieden vergelijkbaar is, maar dat de functie die de omstandigheid van disponeren in de beide rechtsgebieden vervult, verschilt.
Auteur(s)T.A. Cramwinckel , N. van Triet
UitspraakECLI:NL:HR:2021:1654
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekFocus
TitelWat is drinkwater? Publieke zorg- en leveringsplicht in het kader van de openbare drinkwatervoorziening
CiteertitelNJB 2023/1701
SamenvattingIn deze bijdrage wordt ingegaan op de publieke zorgplichten van de overheid en drinkwaterbedrijven voor de openbare drinkwatervoorziening in Nederland en de publieke leveringsplicht voor drinkwater die daarbij op de drinkwaterbedrijven rust. In tijden van verminderde waterbeschikbaarheid kan de openbare drinkwater voorziening door schaarste aan voor drinkwaterbereiding geschikte bronnen, laagwaardig gebruik van drinkwater en een toenemende drinkwatervraag onder druk komen te staan. Daarmee wordt de vraag naar de juridische reikwijdte van deze verplichtingen op grond van de Drinkwaterwet relevant. Het begrip Ďdrinkwaterí blijkt daarbij van grote betekenis te zijn.
Auteur(s)J.A. Veldkamp , H.K. Gilissen , F. Groothuijse , M. van Rijswick
LinkVolledige tekst in artikel besproken rapport (UU.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekPraktijk
TitelCrisissituatie in een wooncomplex met sociale huurwoningen voor senioren
CiteertitelNJB 2023/1702
SamenvattingDit artikel gaat over een crisissituatie in een appartementencomplex met sociale huurwoningen voor senioren. Dit stuk is niet geschreven om kritiek te uiten, maar ter lering voor iedereen die met dit onderwerp te maken heeft of kan krijgen. De maatschappelijke dynamiek rond zorg en wonen roept indringende vragen op over dilemmaís die zich kunnen voordoen rond toekomstbestendig wonen, gedwongen opname en zorg bij crisis situaties, communicatie, burenhulp, eenzaamheid en niet in het minst het spanningsveld dat kan optreden tussen privacywetgeving enerzijds en veiligheid van kwetsbare mensen en de bereidheid tot burenhulp anderzijds.
Auteur(s)J. Spaans
LinkVolledige tekst artikel (NJB.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 09-05-2023, 37928/20
CiteertitelNJB 2023/1703
SamenvattingSchending art. 3 EVRM
UitspraakECLI:CE:ECHR:2023:0509JUD003792820
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - EHRM
TitelEHRM, 02-09-2021, 45581/15
CiteertitelNJB 2023/1704
SamenvattingRecht op vrijheid van meningsuiting.
UitspraakECLI:CE:ECHR:2021:0902JUD004558115
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1705
SamenvattingInternationale bevoegdheid
Samenvatting (Bron)Internationaal privaatrecht. Bevoegdheid, art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis en mededingingsrecht. Is Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van vordering jegens Griekse vennootschap wegens inbreuk op Europees en Grieks mededingingsrecht (misbruik machtspositie op Griekse biermarkt)? Hoofdelijke aansprakelijkheid (Nederlandse) moedervennootschap. Europees mededingingsrecht, vermoeden van beslissende invloed, HvJEU 12 mei 2022, ECLI:EU:C:2022:379 (SEN/AGCM). Werkt dit mededingingsrechtelijke vermoeden door in beoordeling van het nauwe band-vereiste van art. 8, punt 1, Brussel I-bis en hoe verhoudt zich dat tot maatstaf geformuleerd in HvJEU 28 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa) en HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music)? PrejudiciŽle vragen aan HvJEU.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:965
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1706
SamenvattingEen aannemer oefent een retentierecht uit op een appartement.
Samenvatting (Bron)Procesrecht. Grievenstelsel. Tweeconclusieregel. Onbegrijpelijke uitleg memorie van grieven? Retentierecht. Art. 3:291 BW. Heeft overdracht door derde met ouder recht als bedoeld in art. 3:291 lid 2 BW invloed op positie van retentor?
UitspraakECLI:NL:HR:2023:970
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1707
SamenvattingMisbruik van omstandigheden.
Samenvatting (Bron)Verbintenissenrecht; misbruik van omstandigheden (art. 3:44 BW). Heeft gemeente als erfverpachter onredelijk hoge canon bedongen bij omzetting van tijdelijk recht van erfpacht in voortdurend recht van erfpacht? Betekenis hoedanigheid gemeentelijke overheid en gemeentelijk erfpachtbeleid.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:963
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1708
SamenvattingUitleg vordering.
Samenvatting (Bron)Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid, art. 6:162 BW. Verkoop octrooien waarvan opbrengst door bank wordt verrekend, vordering wegens benadeling. Trad curator op voor vennootschap of voor gezamenlijke crediteuren (Peeters/Gatzen)? Uitleg stellingen.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:968
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1709
SamenvattingUitleg vordering.
Samenvatting (Bron)Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid, art. 6:162 BW. Verkoop octrooien waarvan opbrengst door bank wordt verrekend, vordering wegens benadeling. Trad curator op voor vennootschap of voor gezamenlijke crediteuren (Peeters/Gatzen)? Uitleg stellingen.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:967
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1710
SamenvattingZaaksbeschadiging.
Samenvatting (Bron)Verbintenissenrecht. Onrechtmatige daad. Schadevergoeding. Waterleiding. Herstel. Voordeelstoerekening. Art. 6:100 BW.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:956
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1711
SamenvattingEen in Luxemburg gevestigde onderneming stelt werknemers tewerk in Nederland.
Samenvatting (Bron)Internationaal privaatrecht; toepasselijk recht. Pensioenrecht; Wet Bpf 2000 en verplichtstellingsbesluit. Art. 8 Verordening Rome I. HvJEU 15 juli 2021, ECLI:EU:C:2021:600 (SC Gruber Logistics). Vergelijking van het beschermingsniveau van de dwingendrechtelijke regels van het objectief toepasselijke recht met dat van het gekozen recht.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:969
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1712
SamenvattingHandelingsonbekwaamheid.
Samenvatting (Bron)Personen- en familierecht. Echtscheiding. Curatele. Art. 1:153 lid 2 BW. Ontvankelijkheid in cassatie. Kan een onder curatele gestelde zonder toestemming van zijn curator in echtscheidingsprocedure pensioenverweer voeren?
UitspraakECLI:NL:HR:2023:949
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1713
SamenvattingBeloning voor curatoren, bewindvoerders en mentoren.
Samenvatting (Bron)Bewind. Art. 1:447 lid 1 BW. Klachten over oordeel van hof dat beloning voor aanvangswerkzaamheden bij opvolgende bewindvoering gesteld moeten worden op helft van in art. 3 lid 5, onder a, Regeling beloning bewindvoerders, curatoren en mentoren vermelde bedrag, en over oordeel over uitzonderlijke omstandigheden in zin van art. 3 lid 6 van die regeling.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:964
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1714
SamenvattingNiet-genoten vakantiedagen.
Samenvatting (Bron)Arbeidsrecht. Uitbetaling opgebouwde, maar niet-genoten vakantiedagen. Zorg- en informatieverstrekkingsplicht werkgever. Verjaring? Toepasselijkheid art. 7:642 BW. HvJEU 6 november 2018, zaak C-648/16, ECLI:EU:C:2018:874 (Max Planck); HvJEU 22 september2022, zaak C-120/21, ECLI:EU:C:2022:718 (LB).
UitspraakECLI:NL:HR:2023:955
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (civiele kamer)
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1715
SamenvattingWet verplichte geestelijke gezondheidszorg.
Samenvatting (Bron)Wvggz. Art. 6:5 Wvggz. Art. 6:6 Wvggz. Aansluitende zorgmachtiging. Nieuwe machtiging verzocht nadat vorige door verstrijken van geldheidsduur was vervallen.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:972
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1716
SamenvattingMedeplegen van de diefstal met geweld, art. 47 lid 1 Sr
Samenvatting (Bron)Medeplegen diefstal met geweld door samen met haar toenmalige vriend een hun bekende minder valide en rolstoelafhankelijke man s nachts in zijn woning te beroven van geld ( 70), 2 telefoons en rookwaar (art. 312.2.2 Sr) en medeplegen winkeldiefstal (art. 311.1.4 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg t.z.v. gewelddadige woningoverval. 1. Bewijsklacht medeplegen t.a.v. gewelddadige woningoverval. 2. Vorderingen benadeelde partijen van winkeldiefstal t.a.v. proceskosten, art. 532 Sv. Discrepantie tussen dictum hof en overwegingen t.a.v. vorderingen b.p.s. Kon hof verdachte veroordelen in de door b.p.s gemaakte kosten, nu hof heeft overwogen dat b.p.s worden veroordeeld in proceskosten van verdachte? 3. Onvolkomenheid bij beŽdiging van ťťn of meer raadsheren van hof s-Hertogenbosch die uitspraak hebben gewezen, art. 5.2 en 6.2 Wet RO. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft uit de in zijn bewijsvoering vastgestelde feiten en omstandigheden afgeleid dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte gericht op gezamenlijke beroving van aangever en dat bijdrage van verdachte ook van zodanig gewicht is geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat verdachte door (zoals hof bij zijn oordeel heeft betrokken) uiten van bedreigende woorden het strafbare feit ook deels tezamen met medeverdachte heeft uitgevoerd. Ad 2. Om redenen die in CAG staan vermeld, zal HR s hofs uitspraak zo verstaan dat b.p.s zijn veroordeeld in proceskosten van verdachte, welke kosten tot aan datum van s hofs uitspraak zijn begroot op nihil. s Hofs uitspraak brengt mee dat verdachte t.a.v. geding over vorderingen b.p.s ook in hoger beroep geen kosten a.b.i. art. 532 Sv meer zal maken, zodat na deze uitspraak van HR deze kosten eveneens nihil zullen zijn. Ad 3. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking. HR verstaat dat hof b.p.s heeft veroordeeld in proceskosten van verdachte (begroot op nihil).
UitspraakECLI:NL:HR:2023:942
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1717
SamenvattingVoorbedachte raad bij moord op moeder, art. 289 Sr
Samenvatting (Bron)Moord op moeder, art. 289 Sr. Bewijsklacht voorbedachte raad. Nadat verdachte al eerder heeft nagedacht over mogelijkheid om zijn moeder om het leven te brengen, neemt hij uiteindelijk in de hal van het verzorgingshuis het besluit zijn moeder daadwerkelijk te doden, waarna hij haar vervolgens enkele minuten later in de auto op de parkeerplaats bij het verzorgingshuis wurgt met een in de auto aangetroffen tie-wrap. Voorbedachte raad? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2013:963 m.b.t. voorbedachte raad en motiveringsplicht rechter. Hof heeft vastgesteld dat verdachte al meerdere malen had nagedacht over mogelijke oplossingen voor zijn financiŽle probleem, waarbij ťťn van deze oplossingen het om het leven brengen van zijn moeder inhield, en daaruit afgeleid dat verdachte al eerder het plan had om haar van het leven te beroven. Hof heeft verder vastgesteld dat verdachte vervolgens in de hal van het verpleeghuis de uiteindelijke beslissing heeft genomen om zijn moeder van het leven te beroven. Verder heeft hof vastgesteld dat ook tussen dit besluit en de daadwerkelijke uitvoering daarvan in de auto op de parkeerplaats enige tijd is verstreken, mede omdat verdachte heeft getreuzeld zodat daarbij geen mensen in de buurt zouden zijn, en dat verdachte die tussentijd heeft gebruikt om verder na te denken over het moment en de manier waarop het volgens hem zou moeten gebeuren. Uiteindelijk heeft verdachte in zijn auto de keuze gemaakt om haar te wurgen d.m.v. een tie-wrap. Met deze vaststellingen heeft hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd geoordeeld dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Dat s hofs vaststellingen ook inhouden dat verdachte pas op het laatste moment heeft gekozen tussen de verschillende manieren waarop hij zijn voornemen zijn moeder te wurgen kon uitvoeren, is voor begrijpelijkheid van dit oordeel niet relevant. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:943
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1718
SamenvattingKan sprake zijn van het voorhanden hebben van een vuurwapen ondanks dat van dat vuurwapen verschillende onderdelen ontbreken, art. 1, aanhef en onder 3į, WWM?
Samenvatting (Bron)Voorhanden hebben vuurwapen (gaspistool), art. 26.1 WWM. Is sprake van vuurwapen a.b.i. art. 1.3 WWM indien verschillende onderdelen van vuurwapen ontbreken? Opvatting dat geen sprake kan zijn van vuurwapen a.b.i. art. 1.3 WWM indien verschillende onderdelen van vuurwapen ontbreken, is in haar algemeenheid onjuist. Het gaat er immers om of voorwerp bestemd of geschikt is om projectielen of stoffen door een loop af te schieten. Enkele omstandigheid dat voorwerp in gedemonteerde staat wordt aangetroffen of dat voorwerp door ontbreken van onderdeel of onderdelen niet gereed is voor direct gebruik, brengt niet met zich dat die bestemming of geschiktheid van dat voorwerp als vuurwapen ontbreekt. Uit bewijsvoering hof volgt (i) dat verdachte aantal essentiŽle onderdelen van gaspistool (loop en kolf) voorhanden had waarvan het samenstel in elkaar gemonteerd vuurwapen (gaspistool) vormde waaraan sluitveer, sluitveergeleidestang en demontagepal ontbraken en (ii) dat gaspistool bestemd was om projectielen of stoffen door een loop af te schieten. Hof heeft verder geoordeeld dat noch gedemonteerde staat noch ontbreken van enkele onderdelen geschiktheid en bestemming als vuurwapen wegnemen. s Hofs daarop gebaseerde oordeel dat verdachte een vuurwapen zoals bewezenverklaard voorhanden heeft gehad, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook in het licht van het verweer dat aantal onderdelen ontbreekt toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:936
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1719
SamenvattingVerdedigingsverzoek tot horen van getuigen, art. 6 EVRM
Samenvatting (Bron)Medeplegen moord en pogingen tot moord (art. 289 Sr), medeplegen voorhanden hebben van wapens (art. 26.1 WWM) en medeplegen bedreiging, meermalen gepleegd (art. 285.1 Sr) door in 2015 in Amsterdam met een volautomatisch aanvalsgeweer te schieten op een ander ten gevolge waarvan deze is overleden en waarbij twee kogels een passerende tram hebben doorboord. Veroordeling tot levenslange gevangenisstraf. Post-Keskin. Afwijzing van ttz. in hoger beroep gedaan getuigenverzoek o.g.v. noodzaakcriterium. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2017:1015 m.b.t. motiveringseisen aan getuigenverzoeken en HR:2021:576 (post-Keskin) m.b.t. beoordeling van getuigenverzoeken door feitenrechter in situatie dat verzoek betrekking heeft op getuige t.a.v. wie verdediging ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl getuige al (in vooronderzoek of anderszins) belastende verklaring heeft afgelegd. Hof heeft (niet onbegrijpelijk) verzoek tot horen getuige zo uitgelegd dat het ertoe strekt om verklaring van verdachte te ondersteunen dat hij niet persoon was met aanvalsgeweer (AK-47) maar persoon met pistool. s Hofs oordeel dat geen sprake is van situatie waarin belang bij horen van getuige moet worden voorondersteld, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Situatie dat verdachte zijn ondervragingsrecht wil uitoefenen t.a.v. een voor het bewijs gebruikte of te gebruiken, hem belastende verklaring, doet zich hier niet voor (vgl. HR:2022:498). Hof heeft (niet onbegrijpelijk) geoordeeld dat door verdediging geschetst scenario over persoon die aanvalsgeweer hanteerde, niet aannemelijk is geworden, waarbij hof onder meer acht heeft geslagen op de voor bewijs gebruikte resultaten van forensisch onderzoek. Daarvan uitgaande heeft hof geoordeeld dat horen van getuige niet noodzakelijk is gelet op huidige stand van zaken in onderzoek. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is, mede gelet op onderbouwing van verzoek, waaruit ook niet blijkt waarover verdediging deze getuige (in het licht van zijn tot stukken behorende eerdere verklaring) nader wilde bevragen, toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:944
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1720
SamenvattingĎEigen waarnemingí rechter als bewijs, art. 340 Sv
Samenvatting (Bron)Bedreiging, art. 285.1 Sr. Eigen waarneming hof in raadkamer van uitingen van verdachte door filmfragment m.b.v. hoofdtelefoons nogmaals te bekijken en te beluisteren, nadat filmfragment tweemaal tijdens onderzoek ttz. in hoger beroep is getoond, art. 339.1 Sv jo. 340 Sv. Kon hof eigen waarneming, die het pas na sluiting van onderzoek ttz. heeft gedaan, voor bewijs gebruiken? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2006:AX6414 t.a.v. ratio van art. 340 Sv en HR:2019:1414 m.b.t. gebruik voor bewijs van buiten verband van tz. gedane eigen waarneming door rechter van opname van beeld en/of geluid. Uit de motivering van afwijzing hof van voorwaardelijk verzoek van verdediging om deskundige te benoemen blijkt dat hof na sluiting van onderzoek ttz. het filmfragment in raadkamer nogmaals heeft bekeken en beluisterd. Hof heeft daarbij gebruik gemaakt van hoofdtelefoons en het heeft kennelijk pas toen de als bewijsmiddel gebruikte eigen waarneming gedaan en vastgesteld dat verdachte de in dat b.m. weergegeven uitingen heeft gedaan. Uit p-v van tz. blijkt echter niet dat tijdens onderzoek ttz. het daar vertoonde filmfragment op dezelfde manier - met hoofdtelefoons - is beluisterd en ook niet dat aan de orde is gesteld dat hof na sluiting van onderzoek ttz. zou (kunnen) overgaan tot het op die manier beluisteren van het filmfragment. Over die werkwijze hebben verdediging en vertegenwoordiger van OM zich dus ook niet kunnen uitlaten. Onder deze omstandigheden had hof de eigen waarneming niet voor bewijs mogen gebruiken. Volgt vernietiging en terugwijzing.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:920
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1721
SamenvattingKennelijk leugenachtige verklaring van verdachte als bewijs
Samenvatting (Bron)Opzettelijke brandstichting in eigen sportschool (art. 157.1 Sr), voorhanden hebben van pistool en munitie (art. 26.1 WWM), doen van valse aangifte van poging moord/doodslag en brandstichting (art. 188 Sr). Kennelijke leugenachtigheid. Is sprake van kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte die voor bewijs kan worden gebruikt? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:1864 m.b.t. gebruik kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs. Oordeel hof dat verklaring van verdachte, v.zv. inhoudende dat anderen verantwoordelijk zijn voor brandstichting in sportschool en beschieten van verdachte, als kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Hof heeft overwogen dat de onderzoeksresultaten om drie redenen niet zijn te rijmen met fundamentele onderdelen van verklaring van verdachte. Hof heeft gedetailleerd aangegeven welke onderdelen van de verklaring als kennelijk leugenachtig moeten worden aangemerkt en op welke uit de bewijsvoering blijkende f&o zijn oordeel berust dat die verklaring niet alleen onverenigbaar is met die f&o, maar ook als kennelijk leugenachtig moet worden beschouwd. Daarbij is i.h.b. van belang dat de door hof vastgestelde discrepanties tussen die verklaring en de door hof besproken onderzoeksbevindingen van zodanige aard zijn dat deze zich niet verdragen met (bijvoorbeeld) een vergissing. Hof heeft verder i.v.m. relevantie van discrepanties voor bewijsvoering in aanmerking genomen dat verdachte zelf tijd en gelegenheid had om brand te stichten en dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van anderen, zodat het (gelet op de uit bewijsvoering blijkende f&o in samenhang met de door verdachte afgelegde kennelijk leugenachtige verklaring) niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die brand heeft gesticht, zichzelf heeft beschoten en valse aangifte heeft gedaan. Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:945
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1722
SamenvattingCassatie in uitleveringszaak, art. 31 lid 1 Uitleveringswet
Samenvatting (Bron)Vervolgingsuitlevering van opgeŽiste persoon (Nederlandse en Turkse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. moord. Afwijzing door Rb van verzoek om minister te adviseren over uitbreiding van terugkeergarantie vanwege militaire dienstplicht van opgeŽiste persoon. O.g.v. art. 31.1 UW kan tegen uitspraak van Rb over verzoek tot uitlevering cassatieberoep worden ingesteld. Van deze uitspraak maakt in art. 30.2 UW bedoelde advies geen deel uit. Daaruit volgt dat in cassatie niet geklaagd kan worden over door de Rb uitgebracht advies en ook niet over beslissing van Rb om niet zon advies uit te brengen (vgl. HR:1985:AD5682). Volgt verwerping.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:934
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Hoge Raad (strafkamer)
TitelHoge Raad 20-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1723
SamenvattingBenadeelde partij en vergoeding van schade wegens aantasting in de persoon Ďop andere wijzeí, art. 6:106, aanhef en onder b, BW
Samenvatting (Bron)Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, art. 285.1 Sr. Vordering benadeelde partij (medewerkster ziekenhuis) tot vergoeding van immateriŽle schade. Is sprake van aantasting in persoon op andere wijze a.b.i. art. 6:106.b BW? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 en HR:2019:376 m.b.t. gevallen waarin sprake kan zijn van aantasting in persoon op andere wijze a.b.i. art. 6:106.b BW. Toewijzing van vordering b.p. en oplegging schadevergoedingsmaatregel berusten op oordeel hof dat, gelet op aard en ernst van normschending en gevolgen daarvan, sprake is van aantasting in persoon op andere wijze a.b.i. art. 6:106.b BW. Daaraan heeft hof in de kern ten grondslag gelegd dat b.p. met een misdrijf tegen het leven gericht is bedreigd in een e-mail aan haar werkgever, dat b.p. als gevolg daarvan maatregelen heeft moeten nemen om zichzelf te beschermen en zich veilig te voelen, en dat deze bedreiging grote impact had op b.p., mede gelet op haar verantwoordelijkheid voor de veiligheid van haar personeel. Die vaststellingen kunnen echter oordeel dat sprake is van aantasting in persoon op andere wijze niet dragen, mede in aanmerking genomen dat hof niet heeft vastgesteld waaruit die grote impact concreet bestond, terwijl uit schadeformulier ook blijkt dat b.p. zich thans weer redelijk veilig voelt. Volgt (partiŽle) vernietiging t.a.v. vordering b.p. en oplegging schadevergoedingsmaatregel en terugwijzing. CAG: anders.
UitspraakECLI:NL:HR:2023:941
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 07-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1724
SamenvattingRechtbank heeft, zelf in de zaak voorziend, aan omgevingsvergunning verbonden voorschrift aangepast in strijd met verbod van reformatio in peius.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 18 april 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan H.D.V. Den Bosch Orhan Gazi omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een Turks cultureel centrum en een moskee op het perceel Zandveldstraat 3 te s-Hertogenbosch. Het bouwplan voorziet in de bouw van een Turks cultureel centrum en een moskee op de hoek van de Zandveldstraat en de Schutskampstraat te s-Hertogenbosch. De beoogde moskee is voorzien nabij het nabijgelegen winkelcentrum De Helftheuvelmoet en moet de op hetzelfde terrein gelegen moskee vervangen. Voor de bezoekers worden er 48 parkeerplaatsen aangelegd op eigen terrein. Voor zover er meer parkeerplaatsen nodig zijn is het de bedoeling dat er gebruik wordt gemaakt van nabijgelegen openbare parkeerplaatsen waaronder die aan de Zandveldstraat. De coŲperatie komt op voor de belangen van de winkeliers in het winkelcentrum. Zij heeft hoger beroep ingesteld omdat het bouwplan volgens haar voorziet in onvoldoende parkeerplaatsen waardoor moskeebezoekers zullen parkeren op parkeerplaatsen die bestemd zijn voor bezoekers van het winkelcentrum.
UitspraakECLI:NL:RVS:2023:2213
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 12-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1725
SamenvattingHet is niet aan de staatssecretaris om te onderzoeken of een verblijfsrecht van een vreemdeling in een andere lidstaat is beŽindigd, maar aan de vreemdeling om dit aannemelijk te maken.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 2 mei 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2023:2251
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 14-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1726
SamenvattingEen vreemdeling heeft na verlening van een reguliere vergunning geen belang meer bij een procedure over een afgewezen aanvraag om uitstel van vertrek, omdat dit uitstel van vertrek geen rechtmatig verblijf oplevert dat meetelt voor naturalisatie.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 8 april 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2023:2296
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 16-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1727
SamenvattingEr is geen aanleiding om prejudiciŽle vragen te stellen over de vraag of de bewaringsrechter verplicht is om bij de vaststelling dat een maatregel onrechtmatig is, te beslissen tot onmiddellijke invrijheidsstelling als er al een opvolgende maatregel is opgelegd.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 13 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
UitspraakECLI:NL:RVS:2023:2353
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - Raad van State
TitelRaad van State 19-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1728
SamenvattingAangezien artikel 16, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet is geÔmplementeerd, is de staatssecretaris niet bevoegd om gestelde partners simultaan te horen bij een vermoeden van een schijnhuwelijk.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 24 oktober 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
UitspraakECLI:NL:RVS:2023:2357
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 20-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1729
SamenvattingVerrekening kosten voor verwijdering van gasaansluiting in strijd met Europees recht
Samenvatting (Bron)Beroep tegen wijziging Tarievencode Gas over de verrekening van de kosten voor verwijdering van een gasaansluiting is gegrond. De ACM heeft zich bij het nemen van het codebesluit ten onrechte gebaseerd op artikel 5b van de Regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden gas. In deze bepaling heeft de minister een regel gesteld voor de wijze waarop de ACM in het geval van verwijdering van een gasaansluiting de tariefstructuren moet vormgeven. Uit artikel 39, vierde lid, van Richtlijn 2009/79/EG (Derde Gasrichtlijn) volgt echter dat de minister de ACM geen instructie mag geven om bepaalde tariefstructuren te hanteren. Gelet hierop had de ACM artikel 5b van de regeling buiten toepassing moeten laten en mocht de ACM uitsluitend haar eigen afweging ten grondslag leggen aan het codebesluit. Dat heeft de ACM echter niet gedaan. Het codebesluit kan daarom niet in stand blijven.
UitspraakECLI:NL:CBB:2023:297
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak - College van Beroep voor het bedrijfsleven
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 20-06-2023
CiteertitelNJB 2023/1730
SamenvattingAfwijzen aanvraag subsidie.
Samenvatting (Bron)Afwijzing aanvraag TRSEC-subsidie voor evenement. Niet op voorhand uit te sluiten dat de stichting een vergoeding voor kosten die niet op grond van de ATE zijn vergoed kan ontvangen. De stichting voldoet niet aan de voorwaarden van de TRSEC, de minister mocht de aanvraag afwijzen op de grondslag dat voor de vorige editie van het evenement geen annuleringsverzekering met pandemiedekking was afgesloten.
UitspraakECLI:NL:CBB:2023:315
Artikel aanvragenVia Praktizijn