Jurisprudentie in Nederland

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie in Nederland
Datum 07-11-2023
Aflevering 9
RubriekPersonen- en familierecht
TitelGerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-09-2023
CiteertitelJIN 2023/151
SamenvattingPartneralimentatie; Wijzigingscriteria; Bewuste afwijking wettelijke maatstaven.
Samenvatting (Bron)Partneralimentatie. Grove miskenning en bewuste afwijking wettelijke maatstaven.
AnnotatorA.M.E. Derks
UitspraakECLI:NL:GHARL:2023:7597
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelGerechtshof 's-Hertogenbosch 19-09-2023
CiteertitelJIN 2023/152
SamenvattingPartneralimentatie; Verrekening partneralimentatie.
Samenvatting (Bron)personen- en familierecht; mag de vrouw de vordering die de man op haar heeft uit hoofde van geldlening verrekenen met haar tegenvordering wegens niet betaalde partneralimentatie?
AnnotatorM. Kemmers
UitspraakECLI:NL:GHSHE:2023:2975
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekInsolventierecht
TitelHoge Raad 23-06-2023
CiteertitelJIN 2023/153
SamenvattingBestuurdersaansprakelijkheid; Peeters/Gatzen-vordering; Verrassingsbesluit; Rechtsgronden ambtshalve aanvullen.
Samenvatting (Bron)Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid, art. 6:162 BW. Verkoop octrooien waarvan opbrengst door bank wordt verrekend, vordering wegens benadeling. Trad curator op voor vennootschap of voor gezamenlijke crediteuren (Peeters/Gatzen)? Uitleg stellingen.
AnnotatorM.C. van Rijswijk , J.A.G. de Boer
UitspraakECLI:NL:HR:2023:968
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekCiviel recht
TitelHoge Raad 08-09-2023
CiteertitelJIN 2023/154
SamenvattingOpdracht; Klachtplicht; Grijze lijst; Zwarte lijst; Reflexwerking.
Samenvatting (Bron)Verbintenissenrecht. Overeenkomst van opdracht aan adviseur. Art. 6:233 BW. Contractueel beding over klachtplicht onredelijk bezwarend? Art. 6:236 BW en art. 6:237 BW. Reflexwerking van grijze en zwarte lijst indien wederpartij geen consument is?
AnnotatorW.A. Braams
UitspraakECLI:NL:HR:2023:1197
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekStrafrecht
TitelHoge Raad 19-09-2023
CiteertitelJIN 2023/155
SamenvattingDe beperking van het hoger beroep die het OM heeft aangebracht, is ontoelaatbaar.
Samenvatting (Bron)Caribische zaak. Opzetheling van auto-onderdelen in Curašao, art. 2:397 SrC. Ontoelaatbare beperking van hoger beroep door OvJ en gevolgen daarvan, art. 436.2 SvC. OvJ beperkt h.b. bij akte tot feit 3 subsidiair (heling) en feit B. Hof beoordeelt in h.b. zowel feit 3 primair (diefstal) als subsidiair (heling) en feit B. Had hof de OvJ gedeeltelijk of geheel niet-ontvankelijk moeten verklaren in ingesteld h.b.? Art. 436.2 SvC laat slechts een beperking van h.b. toe tot een of meer gevoegde zaken. Het onder 3 primair resp. subsidiair tenlastegelegde valt echter niet aan te merken als gevoegde zaken in de zin van art. 436.2 SvC. De beperking van h.b. die OvJ heeft aangebracht in relatie tot onder 3 tlgd. is dan ook niet mogelijk. Hof had daarom OvJ n-o moeten verklaren in ingesteld h.b. m.b.t. onder 3 tlgd. (vgl. HR:2011:BP6561 over art. 407 Nederlands WvSv). Voor niet-ontvankelijkverklaring van OvJ in het gehele h.b. bestond in dit geval geen aanleiding, nu ontoelaatbare beperking het hof niet beperkte in de beoordeling van het andere tlgd. feit waartoe h.b. zich uitstrekte (feit B). HR doet zaak zelf af door vernietiging beslissingen hof over onder 3 tlgd. en niet-ontvankelijkverklaring OvJ in h.b. m.b.t. dat feit.
AnnotatorC. van Oort
UitspraakECLI:NL:HR:2023:1211
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHoge Raad 26-09-2023
CiteertitelJIN 2023/156
SamenvattingAfwijzing verzoek DNA-onderzoek op activiteitenniveau in zaak Nicky Verstappen.
Samenvatting (Bron)Wederrechtelijke vrijheidsberoving van, ontucht met en doodslag op elfjarige jongen op de Brunssummerheide in 1998 (art. 282, 247 en 287 Sr) en verwerven en bezit kinderporno (art. 240b Sr). Schakelbewijs. 1. Bewijsklacht ontucht. 2. Bewijsklacht wederrechtelijke vrijheidsberoving. 3. Bewijsklacht doodslag. 4. Afwijzing voorwaardelijk verzoek tot benoeming van deskundige voor verrichten van DNA-onderzoek op activiteitenniveau. Ad 1. In het licht van de door hof vastgestelde feiten en omstandigheden is s hofs oordeel dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario (over de manier waarop, tijdens een toevallige vondst van het lichaam van slachtoffer, o.m. DNA-materiaal van verdachte in en op de onderbroek van slachtoffer is beland) niet aannemelijk is, niet onbegrijpelijk. Gelet hierop is s hofs oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht met slachtoffer evenmin onbegrijpelijk. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1455 over redengevendheid van schakelbewijs. Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiŰle punten overeenkomen. Hof heeft zonder schending van enige rechtsregel en niet onbegrijpelijk voor de bewezenverklaring van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, naast andere omstandigheden, redengevend geacht dat verdachte bij incidenten in 1984 en 1985 jongens gedurende het plegen van ontuchtige handelingen wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden. Ad 3. Hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat slachtoffer is overleden door smoren, al dan niet in combinatie met stress. Aan de modus operandi in de zaken uit 1984 en 1985 (waarbij verdachte telkens een hand voor de mond van betreffende jongen heeft gehouden) heeft hof ontleend dat de handeling die tot de dood heeft geleid, heeft bestaan uit het drukken/houden van de hand van verdachte op de mond/neus van slachtoffer. Over het opzet heeft hof o.m. overwogen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte op het moment van het bewezenverklaarde handelen aan de mogelijkheid heeft gedacht dat slachtoffer als gevolg daarvan zou komen te overlijden, welk oordeel kennelijk mede is ontleend aan de algemene ervaringsregel dat de toepassing van smorend geweld naar zijn aard een handeling betreft die enige tijd moet hebben geduurd en met enige kracht moet zijn uitgevoerd, wil het tot de dood van slachtoffer leiden en waarbij ook voor degene die gedraging uitvoert waarneembaar is dat bij het voortduren daarvan een grote kans op overlijden ontstaat. s Hofs oordelen getuigen - ook wat betreft de bewezenverklaring van het smoren, het vereiste causaal verband en het opzet van verdachte op de dood van slachtoffer - niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Ad 4. Verzoek strekt ertoe onderbouwing te krijgen van door verdediging opgeworpen mogelijkheden van contaminatie die het sporenbeeld op onderbroek van slachtoffer zouden kunnen verklaren. Hof heeft - niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat de opgeworpen mogelijkheden van contaminatie in het geheel niet aannemelijk zijn, waarbij i.h.b. acht is geslagen op verklaringen van een ttz. in hoger beroep gehoorde deskundige. Mede gelet daarop heeft hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de noodzaak van het verzochte onderzoek niet is gebleken. Klacht dat afwijzing van verzoek niet verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces ex art. 6 EVRM kan ook niet slagen. Mede gelet op de mogelijkheden die verdediging heeft gekregen om, o.m. door het horen van getuigen en van genoemde deskundige, het alternatieve scenario te onderbouwen, getuigt s hofs oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
AnnotatorC. van Oort
UitspraakECLI:NL:HR:2023:1303
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBestuursrecht
TitelCentrale Raad van Beroep 12-07-2023
CiteertitelJIN 2023/157
SamenvattingBrief ten onrechte niet aangemerkt als verzoek om terug te komen van; Besluiten onmiskenbaar onjuist; Handhaving besluiten evident onredelijk.
Samenvatting (Bron)Aflossing studieschuld. De brief tegen de bedoelde besluiten uit voorgaande jaren is ten onrechte niet behandeld als een verzoek om terug te komen van. De handhaving van de (vier) besluiten is evident onredelijk . De minister moet terugkomen van deze besluiten, voor zover er daarbij van is uitgegaan dat appellante een partner had. Proceskostenveroordeling.
AnnotatorJ.H. Keinemans
UitspraakECLI:NL:CRVB:2023:1422
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelCollege van Beroep voor het bedrijfsleven 04-07-2023
CiteertitelJIN 2023/158
SamenvattingPro forma bezwaar, Niet tijdig aanvullen beroepsgronden, Pro forma bezwaar was te laat, Mag het bestuursorgaan na een niet-ontvankelijkverklaring (op onjuiste gronden) nog een punt maken van de termijnoverschrijding, Is de lijn van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1500) van toepassing?
Samenvatting (Bron)Bezwaar n-o. De minister mag in het verweerschrift nog een andere grond aanvoeren voor zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Geen sprake van strijd met het rechtszekerheid-, vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel.
AnnotatorR.J.N. Schl÷ssels
UitspraakECLI:NL:CBB:2023:343
Artikel aanvragenVia Praktizijn