Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht
Datum 27-03-2006
Aflevering 3
RubriekEditorial
TitelDNA-onderzoek bij veroordeelde minderjarigen
CiteertitelFJR 2006, 20
Auteur(s)A.W.M. Willems
Pagina69-69
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelKinderen en scheiding: het IVRK en de positie van kinderen in het proces
CiteertitelFJR 2006, 21
SamenvattingHet IVRK heeft gevolgen voor de wijze waarop de Raad voor de Kinderbescherming en mediators kinderen betrekken bij beslissingen rond echtscheiding. Dit temeer nu uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat kinderen graag ge´nformeerd willen worden. Voor kinderen is het belangrijk om betrokken te worden bij beslissingen over hun leven na de scheiding.
Auteur(s)M.D.M. Bakker
Pagina70-75
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikelen
TitelEn nu de werkelijkheid
CiteertitelFJR 2006, 22
SamenvattingIn het afgelopen decembernummer van dit tijdschrift hebben de auteurs mevr. mr. Van den Berg en de heer Van de Sanden alle argumenten verzameld, op basis waarvan de provincies aangesproken en voor de rechter gedaagd kunnen worden, teneinde het recht van kinderen op jeugdzorg tot gelding te brengen. Niks mis mee, een dergelijke juridische exercitie. Maar helaas geldt een ander conclusie.
Auteur(s)A.A.W. van Unen
Pagina76-81
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelNaschrift: De bakker leit de moaiste bolen foar 't finster
CiteertitelFJR 2006, 23
Auteur(s)M.F.M. van den Berg , C.A.H. van de Sanden
Pagina82-82
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelReactie
CiteertitelFJR 2006, 24
Auteur(s)I. HŘppler
Pagina83-83
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelNaschrift
CiteertitelFJR 2006, 25
Auteur(s)P. Vlaardingerbroek
Pagina84-84
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetgevingsoverzicht
TitelWetgevingsoverzicht
CiteertitelFJR 2006, 26
SamenvattingIn deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken met betrekking tot de tot stand gekomen en aanhangige wet- en regelgeving op het terrein van het personen-, familie- en jeugdrecht. Dit overzicht ziet op de periode 15 september 2005 tot 15 februari 2006.
Auteur(s)E.A.M. Scheij
Pagina85-90
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie - Adoptie
TitelRechtbank Haarlem, 13-12-2005, 113335/2005-1647
CiteertitelFJR 2006, 27
SamenvattingVerzoek tot gerechtelijke vaststelling van reeds erkend kind niet-ontvankelijk; regeling uitsluitend bedoeld tot vaststelling vaderschap.
Samenvatting (Bron)Als gevolg van de wetswijziging d.d. 21 december 2000 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (welke wijziging per 1 april 2003 in werking is getreden) verkrijgt het kind dat na zijn geboorte door de man is erkend niet langer van rechtswege de Nederlandse nationaliteit. Het kind zou wel de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen indien de man hem vˇˇr zijn geboorte had erkend, terwijl vˇˇr de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ook de postnatale erkenning nationaliteitsgevolg had.
Pagina90-91
UitspraakECLI:NL:RBHAA:2005:AU8617
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie - Adoptie
TitelGerechtshof Arnhem, 14-06-2005, 2004/901
CiteertitelFJR 2006, 28
SamenvattingVerzoek tot gerechtelijke vaststelling van reeds erkend kind wel ontvankelijk; regeling uitsluitende bedoeld tot vaststelling vaderschap.
Samenvatting (Bron)Het hof staat gerechtelijke vaststelling van het vaderschap door de man die het kind reeds heeft erkend, toe. Art 1: 207BW.
Pagina91-92
UitspraakECLI:NL:GHARN:2005:AT7505
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie - Adoptie
TitelGerechtshof 's-Hertogenbosch, 27-10-2005, R200500729
CiteertitelFJR 2006, 29
SamenvattingVerzoek tot gerechtelijke vaststelling van reeds erkend kind kan ook in de situatie waarin nog de mogelijkheid bestaat tot erkenning van datzelfde kind door de vader/verwekker worden toegewezen.
Samenvatting (Bron)Hof s-Hertogenbosch, 27 oktober 2005, gerechtelijke vaststelling vaderschap en erkenning Uit de relatie van de man en de vrouw is op [geboortejaar] een kind geboren. De man heeft dit kind op 21 oktober 2003 erkend. Bij beschikking van 19 november 2003 is op verzoek van de man en de vrouw bepaald dat zij gezamenlijk het gezag over het kind uitoefenen. Op 4 februari 2005 hebben de man en de vrouw gezamenlijk de rechtbank verzocht gerechtelijk vast te stellen dat de man de vader van het kind is. De rechtbank heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Tevens heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen op de grond dat gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet kan geschieden indien het kind twee ouders heeft. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat, nu uit de latere vermelding op de geboorteakte van het kind blijkt dat de man het kind reeds erkend heeft en derhalve juridisch vader van het kind is, op grond van artikel 1:207 lid 2 sub a BW niet de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man kan plaatsvinden. De vrouw komt van deze beslissing in hoger beroep. Door zowel de vrouw als de bijzonder curator van het kind is naar voren gebracht dat het kind een eigen belang heeft bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Nu de man het kind na de geboorte heeft erkend, kan het kind slechts de Nederlandse nationaliteit verkrijgen indien het kind na de erkenning gedurende een onafgebroken periode van tenminste drie jaar door deze man is verzorgd en opgevoed (artikel 6 lid 1 sub c van de Rijkswet op het Nederlanderschap). In casu wonen de vrouw en de man niet samen, waardoor van verzorging en opvoeding als bedoeld in voornoemd artikel geen sprake is. Hof: Gelet op de letterlijke tekst van artikel 1:207 lid 2 sub a BW is gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man niet mogelijk nu het kind door de erkenning reeds twee ouders heeft. De vraag die voorligt is of die wetsbepaling ook van toepassing is in het onderhavige geval van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van dezelfde man die al eerder het kind heeft erkend. Blijkens de Memorie van Toelichting (TK 1995-1996, 24649, nr. 3, onder 2 sub f) kan de gerechtelijke vaststelling worden beschouwd als een laatste mogelijkheid om een familierechtelijke betrekking met de verwekker tot stand te brengen, indien de bereidheid van de verwekker zelf daartoe niet bestaat dan wel wellicht wel heeft bestaan, maar tijdens zijn leven niet geleid heeft tot erkenning. De gerechtelijke vaststelling treedt daarmee ook in de plaats van de brieven van wettiging. Door de brieven van wettiging had blijkens artikel 1:215 lid 1 (oud) BW wettiging plaats indien er wel een erkenning maar geen voorgenomen huwelijk tussen de ouders had plaatsgevonden en in het geval de man die, kennis dragende van de zwangerschap van de moeder, voornemens was met de moeder te huwen en reeds voor de geboorte van het kind was overleden zonder het kind te hebben erkend. In casu heeft de man het kind erkend waardoor het vaderschap van de man vaststaat. Hier doet zich niet voor de situatie dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap de laatste mogelijkheid is om een familierechtelijke band tussen de man en het kind te vestigen omdat deze daartoe zelf niet bereid is omdat deze is overleden. Weliswaar krijgt het kind er door een eventuele gerechtelijke vaststelling geen derde ouder bij maar dat betekent niet dat de wetgever in het licht van boven- staande wetgeschiedenis bij de invoering van artikel 1:207 lid 2 sub a BW beoogd heeft ook in situaties als de onderhavige een extra mogelijkheid in het leven te roepen voor het langs deze weg creŰren van een afstammingsband ( anders: Hof Arnhem 14 juni 2005, 2004/901 LJN: AT7505 en 2004/1165, LJN: AT7508). Gelet op de verschillen in rechtsgevolgen zijn de erkenning en gerechtelijke vaststelling niet onderling inwisselbaar, terwijl ook het openbare orde karakter van het afstammingsrecht en van de regels van de burgerlijke stand zich niet verdraagt met het twee maal doen ontstaan van eenzelfde familierechtelijke betrekking tussen de man en het kind (Jansen, FJR 2005, 2, p.33). Bij de totstandkoming van artikel 1:207 BW in 1998 heeft de wetgever geen rekening kunnen houden met het verschil in nationaliteitsrechtelijke gevolgen van de erkenning en de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Artikel 4 en artikel 6 van de Rijkswet zijn immers pas op 1 april 2003 inwerkinggetreden en zijn destijds opgenomen om misbruik van de erkenning bij het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit tegen te gaan. De vraag is opgeworpen of dat verschil in een situatie als de onderhavige: erkenning door de man die volgens de vrouw ook de verwekker van het kind is, zich wel verdraagt met artikel 8 juncto 14 EVRM. Een eventuele positieve beantwoording van die vraag zou dan echter moeten leiden tot wijziging van de wettelijke nationaliteitsregeling maar heeft niet tot gevolg dat deswege een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in casu toewijsbaar zou zijn. Op grond van het bovenstaande is het hof dan ook van oordeel dat artikel 1:207 lid 2 sub a BW in casu aan gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in de weg staat.
Pagina92-93
UitspraakECLI:NL:GHSHE:2005:AU7676
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie - Adoptie
TitelRechtbank Haarlem, 12-07-2005, 110855/05-698
CiteertitelFJR 2006, 30
SamenvattingEchtscheidingsconvenant met kinderalimentatie schept recht van meerderjarig kind op betaling jegens vader.
Samenvatting (Bron)Voor zover het verzoek betrekking heeft op de periode na 23 mei 2005 stelt de vader zich primair op het standpunt dat de zoon in zijn verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien hij geen partij is bij het tussen zijn ouders gesloten convenant en het convenant evenmin een door de zoon aanvaard beding bevat dat voor hem een recht schept de door hem verlangde prestatie van de vader te vorderen. Ingevolge artikel 6: 253, eerste lid BW schept een overeenkomst voor een derde het recht een prestatie van een der partijen te vorderen of op andere wijze jegens een van hen een beroep op de overeenkomst te doen, indien de overeenkomst een beding van die strekking inhoudt en de derde dit beding aanvaardt. Ingevolge het vierde lid van dit artikel geldt het beding als aanvaard wanneer dit onherroepelijk en jegens de derde om niet is gemaakt, indien het ter kennis van de derde is gekomen en door deze niet onverwijld is afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in het onderhavige geval voldaan aan de vereisten van voornoemd artikel zodat de zoon als partij in de overeenkomst geldt. Vast staat dat artikel 3.4 van het tussen de ouders gesloten convenant voor de uit het huwelijk van de ouders geboren kinderen een recht schept op betaling door de vader van de kosten van studie en levensonderhoud tot de 25-jarige leeftijd. Naar haar oordeel zijn de afspraken uit het convenant voorts onherroepelijk geworden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van bovengenoemde echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage, waarin de inhoud van het echtscheidingsconvenant is opgenomen. Overigens is gesteld noch gebleken dat de vader het beding te eniger tijd heeft herroepen. Vervolgens staat vast dat de afspraak tussen de ouders slechts een voordeel voor de zoon inhoudt, namelijk verlenging van zijn aanspraak op betaling van de kosten van levensonderhoud en studie. Nu duidelijk is dat de zoon bekend is met het bestaan van het beding en het niet heeft afgewezen, is, naar de rechtbank meent, in het onderhavige geval voldaan aan alle vereisten van artikel 6: 253, vierde lid BW en kan de zoon nakoming van artikel 3.4 van het convenant van zijn vader vorderen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het starten van de onderhavige procedure tot nakoming van het beding ook zeer wel als aanvaarding van het beding worden aangemerkt, zodat aan de vereisten van artikel 6: 253, eerste lid BW eveneens is voldaan. De rechtbank is, gezien het vorenstaande, van oordeel dat de zoon als partij bij de overeenkomst geldt, zodat het verzoek van de zoon ook voor de periode na 23 mei 2005 ontvankelijk is.
Pagina93-93
UitspraakECLI:NL:RBHAA:2005:AU0331
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie - Adoptie
TitelRechtbank Haarlem, 20-12-2005, 116678
CiteertitelFJR 2006, 31
SamenvattingGeen omzetting kinderalimentatie bij meerderjarigheid indien niet door de rechter bepaald.
Pagina93-94
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie - Adoptie
TitelRechtbank Utrecht, 01-07-2005, 197329 KG ZA 05-650
CiteertitelFJR 2006, 32
SamenvattingHet feit dat niet aan de rechter gevraagd kan worden het kind terug te plaatsen in het gezin van de pleegouders is een ongeoorloofde beperking van het recht op toegang tot de rechter.
Samenvatting (Bron)Afgifte kind aan pleegouders bevolen nu voogd (BJZ) geen vervangende toestemming heeft gevraagd om wijziging te brengen in het verblijf van de minderjarige. Kind was door BJZ in het pleeggezin geplaatst in het kader van een voogdijmaatregel en woonde daar langer dan een jaar.
Pagina94-95
UitspraakECLI:NL:RBUTR:2005:AU1063
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie - Adoptie
TitelGerechtshof 's-Hertogenbosch, 05-10-2005, R200500113
CiteertitelFJR 2006, 33
SamenvattingIndien een alimentatieplichtige definitief is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, wordt een verzoek tot nihilstelling van de alimentatie voor de duur van de schuldsaneringsregeling toegewezen; geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen.
Samenvatting (Bron)Uit het huwelijk van partijen zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren. Partijen zijn inmiddels gescheiden en de kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van de man om de hem opgelegde kinderalimentatie wegens wijziging van omstandigheden op nihil te stellen, afgewezen. In hoger beroep stelt de man onder meer dat de rechtbank ten onrechte de wijziging van omstandigheden, zijnde zijn faillissement, dat later is omgezet in een schuldsaneringsregeling, niet in haar oordeel heeft meegenomen. Hij voert aan dat ingevolge het saneringsplan alle inkomsten boven het vrij te laten te laten bedrag aan de boedel toekomen en dat het vrij te laten bedrag neerkomt op de bijstandsnorm, zodat geen draagkracht voor het betalen van kinderalimentatie resteert. De vrouw heeft het voorgaande betwist. Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man tot nihilstelling in ieder geval dient te worden toegewezen voor de periode waarin de man in staat van faillissement verkeerde. De faillietverklaring heeft immers tot gevolg gehad dat de man en zijn echtgenote tot de opheffing van het faillissement al hun inkomen boven het niveau van 90 % van de op hen toepasselijke WWB-norm hebben moeten afdragen ten behoeve van de schuldeisers, zodat de man gedurende zijn faillietverklaring geen draagkracht had tot het betalen van kinderalimentatie. De beslissing van het hof ten aanzien van de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van toepassing van de schuldsaneringsregeling is niet anders. Uitgangspunt moet zijn dat, indien een alimentatieplichtige definitief is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, een verzoek tot nihilstelling van de alimentatie voor de duur van de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad komt naar voren dat bijzondere omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat een uitzondering op dit uitgangspunt wordt gemaakt. Het hof is echter van oordeel dat in casu geen sprake is van zodanige omstandigheden. Het netto inkomen dat de bewindvoerder bij de laatste berekening van het vrij te laten bedrag in aanmerking heeft genomen, is inderdaad lager dan het netto inkomen dat het hof op grond van de salarisspecificaties van februari tot en met april 2005 heeft berekend. Echter de bewindvoerder ziet geen aanleiding om het huidige vrij te laten bedrag van de man te verhogen, terwijl hij via de postblokkades alle salaris- specificaties ontvangt. Bovendien heeft de bewindvoerder zowel het vrij te laten bedrag als de boedelbijdrage hoger vastgesteld dan in september 2004. Daar komt nog bij dat niet gebleken is dat de man naast zijn inkomsten uit arbeid bij zijn werkgever andere inkomsten genereert of kan genereren. Evenmin is gebleken dat de man zonder voldoende noodzaak toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft verzocht. Tenslotte neemt het hof in aanmerking dat de man en zijn echtgenote volgens de bewindvoerder zich correct houden aan de verplichtingen verbonden aan de schuldsaneringsregeling. Het hof acht het ook in het belang van de kinderen dat de man in staat wordt gesteld om via de schuldsaneringsregeling schoon schip te maken. Immers na ommekomst van drie jaar zal de man weer beschikken over zijn volledige inkomen waaruit hij weer alimentatie kan betalen. Daarnaast zal de vrouw zeer waarschijnlijk via de schuldsaneringsregeling een deel van de achterstand van de alimentatiebetalingen ontvangen. Volgt vernietiging van de bestreden beschikking en toewijzing van het verzoek van de man tot nihilstelling voor de duur van de schuldsaneringsregeling.
Pagina95-95
UitspraakECLI:NL:GHSHE:2005:AU5093
Artikel aanvragenVia Praktizijn