Migrantenrecht

Uitgever Stichting Migratierecht Nederland
Tijdschrift Migrantenrecht
Datum 04-06-2007
Aflevering 5
RubriekRedactioneel
TitelVallen en opstaan
CiteertitelMigrantenrecht 2007, nr 5, p. 183-183
SamenvattingDe Wet Inburgering is van kracht sinds 1 januari 2007. Op nieuw- en oudkomers rust met ingang van dit jaar een inburgeringsplicht voorzien van sanctiestelsel voor niet op tijd geslaagden. Het reservoir oudkomers wordt met behulp van een centrale informatieverschaffende rol van de IB-groep door gemeenten, die een spilfunctie vormen bij de uitvoering van de wet, langzaam leeg gemaakt.
Auteur(s)R. Benevento
Pagina183-183
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikel
TitelDe status van langdurig ingezeten derdelander (1). Achtergrond en inhoud van richtlijn 2003/109/EG
CiteertitelMigrantenrecht 2007, nr 5, p. 184-192
SamenvattingLangdurig ingezeten derdelanders, in Nederland vreemdelingen die houder zijn van of recht hebben op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, kunnen op grond van de werking van richtlijn 2003/109/EG een sterke verblijfsstatus ontlenen aan het gemeenschapsrecht. In het eerste deel van dit artikel wordt de inhoud en achtergrond van de richtlijn besproken. In een volgend deel komt de omzetting van de richtlijn in het Nederlandse vreemdelingenrecht aan bod.
Auteur(s)J.C. de Heer
Pagina184-192
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikel
TitelToepasselijk recht en te verwachten erkenningsproblemen. Enkele opmerkingen in nationaal en Europees perspectief
CiteertitelMigrantenrecht 2007, nr 5, p. 193-206
SamenvattingIn een recente procedure voor de Hoge Raad (HR 15 september 2006) werd door eiseres in cassatie een prikkelend betoog gehouden over de manier waarop de Nederlandse rechter rekening had moeten houden met problemen die iemand kan ondervinden door een situatie van 'internationale disharmonie'. Het betrof in casu problemen die de vrouw zou ervaren door de omstandigheid dat haar in Nederland met toepassing van buitenlands (Marokkaans) recht uitgesproken echtscheiding in het land waarvan zij de nationaliteit bezit (Marokko) niet voor erkenning in aanmerking komt. In deze bijdrage komt aan de orde in hoeverre de rechter bij hantering van regels van toepasselijk recht moet anticiperen op problemen inzake erkenbaarheid. De problematiek wordt besproken in nationaal en Europees perspectief.
Auteur(s)V. van den Eeckhout
Pagina193-206
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekArtikel
TitelDe Raad van State op het procrustesbed: het driejarenbeleid
CiteertitelMigrantenrecht 2007, nr 5, p. 207-209
SamenvattingHet driejarenbeleid kan onder de Vreemdelingenwet 2000 niet bij beleidsregel worden afgeschaft. Om die reden kan ook na de 'afschaffing' bij circulaire per 1 januari 2003 sprake zijn van relevant tijdsverloop. Over beleidsregels en bevoegdheden.
Auteur(s)J. Sanchez Montoto
Pagina207-209
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelSER wil ťťn loket voor arbeidsmigranten
CiteertitelMigrantenrecht 2007, nr 5, p. 210-211
SamenvattingNederland moet aantrekkelijk worden voor arbeidsmigranten die in Nederland kunnen komen werken. Dat zegt de Sociaal-Economische Raad in een advies over het arbeidsmigratiebeleid dat in maart 2007 is uitgebracht. Het advies gaat alleen in op arbeidsmigratie uit zogeheten derdelanden, waarvoor de Vreemdelingenwet (Vw 2000) en de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) van toepassing zijn.
Auteur(s)H.G. Fijn van Draat
Pagina210-211
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekZijkant
TitelGek geworden?
CiteertitelMigrantenrecht 2007, nr 5, p. 212-213
Samenvatting[...]
Ik was, om die vakantie te juridiseren, een begunstigde van gezinsleven. Misschien dat ik me daarom oprichtte toen de rechtbank Middelburg voorbij kwam in een uitspraak van de Afdeling waarin deze het recht op gezinsleven behandelde in een beroep van een psychiatrisch gestoorde vrouw (7 februari 2007, LJN: BA1201, ve07000703). Dit moest worden betrokken bij de hardheidsclausule rond het mvv-vereiste.
Auteur(s)J. Luscuere
Pagina212-213
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekJurisprudentie Vreemdelingenrecht
TitelJurisprudentie Vreemdelingenrecht 2007 nr. 6 + 7
CiteertitelMigrantenrecht 2007, nr 5, p. 214-216
Pagina214-216
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekTijdschriften
TitelTijdschriften
CiteertitelMigrantenrecht 2007, nr 5, p. 217-217
Pagina217-217
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekBoeken
TitelBoeken
CiteertitelMigrantenrecht 2007, nr 5, p. 218-218
Pagina218-218
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRaad van State, 14-03-2007, 200700965/1
CiteertitelMigrantenrecht 2007/31
SamenvattingVreemdelingenbewaring, strafrechtelijk voortraject. Staande houden. Bevoegdheid, vreemdelingenkamer.
Samenvatting (Bron)Titel van vrijheidsbeneming / bevoegdheid vreemdelingenrechter Gelet op de beschikbare processen-verbaal van 4 en 10 januari 2007 en de brief van de minister van 23 februari 2007, waarin hij heeft toegelicht dat de vrijheidsbeneming van appellant in de hiervoor genoemde periode berust op artikel 61, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en nu appellant het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt, moet worden vastgesteld dat die vrijheidsbeneming op een strafrechtelijke titel was gebaseerd. De rechter in vreemdelingenzaken kan niet oordelen over de aanwending van deze niet bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 toegekende bevoegdheid. Slechts indien de onrechtmatigheid van die aanwending door de strafrechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de consequenties daarvan voor de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring.
Pagina219-219
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BA1220
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRaad van State, 04-04-2007, 200606601/1
CiteertitelMigrantenrecht 2007/32
SamenvattingMachtiging tot voorlopig verblijf. Schadevergoeding. Middelen van bestaan. Onderzoeksplicht.
Samenvatting (Bron)Schadevergoeding / mvv / onderzoeksplicht / middelenvereiste De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat er geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen door de minister, omdat het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is van de aanvrager om ervoor te zorgen dat de gegevens bij de aanvraag volledig worden overgelegd. Omdat de bij de aanvraag overgelegde gegevens niet volledig waren, heeft de minister appellante () in de gelegenheid gesteld deze gegevens aan te vullen, waarbij uitvoerig en duidelijk is beschreven welke stukken dienden te worden overgelegd. Nu uit de in reactie daarop overgelegde stukken niet duidelijk kon worden afgeleid wat de hoogte van het inkomen van de referent was en of hij duurzaam over voldoende middelen in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 beschikte, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de minister niet onrechtmatig heeft gehandeld door de aanvraag bij het primaire besluit van 18 november 2004 af te wijzen. De onderzoeksplicht van de minister reikt niet zo ver dat hij verdergaande inspanningen had moeten verrichten om de duurzaamheid en hoogte van het inkomen vast te stellen.
Pagina219-219
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BA2825
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRechtbank 's-Hertogenbosch, 26-03-2007, AWB 05/4458
CiteertitelMigrantenrecht 2007/33
SamenvattingWet arbeid vreemdelingen, bestuurlijke boete. Discretionaire bevoegdheid. Arbeid, in loondienst. Tewerkstellingsvergunning. Toetsing, intensiteit van. Vertrouwensbeginsel. Evenredigheidsbeginsel.
Samenvatting (Bron)Wet arbeid vreemdelingen, bestuurlijke boetes, vaststelling overeenkomstig Tarieflijst, (evenredigheids)toetsing, zelf voorzien De op grond van art.19a,lid 1,van de Wav opgelegde boetes betreffen een punitieve sanctie en art. 6 EVRM brengt mee dat de rechtbank vol dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boetes evenredig is in verhouding tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtredingen. Daarbij vormen - anders dan verweerder heeft betoogd - de (financiŽle) omstandigheden van de overtreder een mede te toetsen aspect, zodat aan beleidsregels niet onverkort toepassing kan worden gegeven. In naar voren gebrachte financiŽle omstandigheden heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om van de Tarieflijst af te wijken. Beroep ongegrond
Pagina219-220
UitspraakECLI:NL:RBSHE:2007:BA2022
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRechtbank 's-Gravenhage, 30-11-2006, AWB 05 / 47736
CiteertitelMigrantenrecht 2007/34
SamenvattingWet arbeid vreemdelingen. Vrij verkeer van diensten. Tewerkstellingsvergunning. Gemeenschapsrecht. Polen.
Samenvatting (Bron)Wav / artikel 49 en artikel 50 van het EG-Verdrag Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden voor het bouwproject waarvoor de werkgever tewerkstellingsvergunningen heeft aangevraagd, moeten worden aangemerkt als het verrichten van diensten in de zin van de artikelen 49 en 50 EG-Verdrag. De Poolse dienstverrichter/werkgever, voor wie het recht van vrij dienstenverkeer geldt, terwijl voor zijn Poolse werknemers niet het recht van vrij werknemers verkeer geldt, heeft daarom terecht naar voren gebracht dat op grond van de uitleg van die bepalingen in de arresten HvJEG 27 maart 1990, C-113/89 (Rush Portugesa), HvJEG 9 augustus 1993, C-43/93 (Van der Elst) en HvJEG 21 oktober 2003, C-445/03 (Commissie/Luxemburg), moet worden geconcludeerd dat het stellen van de eis dat de dienstverrichter/werkgever voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden diende te beschikken over tewerkstellingsvergunningen voor zijn werknemers voor wie het vrij werknemersverkeer niet geldt, in strijd is met de artikelen 49 en 50 EG-Verdrag. De beoordeling door middel van het vergunningsveiste vooraf of de werknemers vast in dienst zijn van de werkgever en met de dienstverrichting niet de regels worden overtreden voor voorrang van prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt, waaronder werknemers aan wie het recht op vrij verkeer wel toekomt, boven werknemers aan wie dat recht niet toe komt, kan ook geen stand houden. De werknemers hebben immers niet de bedoeling zich op de Nederlandse arbeidsmarkt te begeven, omdat zij na het verrichten van de werkzaamheden naar hun land van herkomst terugkeren. Voor zover verweerder heeft beoogd met het stellen van de vergunningplicht vooraf te beoordelen of de werkgever de vrijheid van dienstverrichting niet voor een ander doel gebruikt, bijvoorbeeld om zijn personeel naar Nederland te laten overkomen om hen als werknemers werk te verschaffen of ter beschikking te stellen, concludeert de rechtbank dat het daartoe vooraf stellen van het vereiste van een tewerkstellingsvergunning een niet gerechtvaardige belemmering betekent van het vrij verkeer van diensten in de zin van de artikelen 49 en 50 EG-Verdrag. De eis van een tewerkstellingsvergunning impliceert immers formaliteiten en procedurele vertraging als bedoeld in de arresten van het HvJ. Door het stellen van de vergunningseis beschikt verweerder voorts over een beoordelingsvrijheid ten aanzien van de mogelijkheid voor de werkgever om zich met zijn eigen werknemers in Nederland ter beschikking te stellen voor het verrichten van zijn dienst, die niet verenigbaar is met de vrijheid van dienstverrichting van de werkgever.
Pagina220-221
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2006:BA2079
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, 17-04-2007, 07/12267
CiteertitelMigrantenrecht 2007/35
SamenvattingVrijheidsbeperking. Terugkeer(beleid). Pardonregeling. Bevoegdheid, vreemdelingenkamer. Meldingsplicht. Schadevergoeding.
Pagina221-221
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, 08-02-2007, AWB 06 / 43187 en AWB 06 / 43185
CiteertitelMigrantenrecht 2007/37
SamenvattingGezinsvorming. Middelen van bestaan. Machtiging tot voorlopig verblijf. Inherente afwijkingsbevoegdheid.
Samenvatting (Bron)Gezinsvorming / middelen van bestaan Wel voldoende middelen van bestaan ten tijde afgifte mvv, maar niet meer bij aanvraag verblijfsvergunning. Verweerder niet bevoegd tot vergunningverlening op grond van artikel 3.13, eerste lid, Vb. Problemen met werkgever, ziektewet. Geen bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder, op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb en toepasselijke beleidsregels alsnog met toepassing van artikel 4:84 Awb - tot vergunningverlening moet overgaan. Beroep ongegrond. Verzoek afgewezen.
Pagina221-222
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BA2293
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 07-03-2007, AWB 07/4021, e.v.
CiteertitelMigrantenrecht 2007/38
SamenvattingMedische behandeling. Bezwaar. Medisch advies. Uitzetting, medisch beletsel. Voorlopige voorziening.
Samenvatting (Bron)Voorlopige voorziening / analoge toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 / nieuwe BMA-advies / belangenafweging De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder een onjuist standpunt heeft ingenomen met betrekking tot het procesbelang van eisers bij de onderhavige verzoeken. Op grond van artikel 3, derde lid, onder g, van de Rva kan een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, aanhef en onder f of h, van de Vw 2000, en zich, naar het oordeel van de Minister, feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 aanspraak maken op Rva-verstrekkingen. Eisers hebben verweerder verzocht te verklaren dat in verband met de gezondheid van eiser 1 in het geval van eisers sprake is van een situatie analoog aan artikel 64 van de Vw 2000, zodat zij aanspraak kunnen maken op Rva-verstrekkingen, waarin dan ook hun belang is gelegen. Uit artikel 64 van de Vw 2000 volgt dat dit niet enkel geldt voor degene wiens gezondheidstoestand aan het reizen in de weg staat, maar eveneens voor zijn of haar gezinsleden. De rechtbank overweegt dat verweerder in hetgeen eisers in bezwaar hebben aangevoerd, in combinatie met de door hen overgelegde medische stukken, kennelijk aanleiding heeft gezien om opnieuw een BMA-rapport op te vragen met betrekking tot de gezondheidstoestand van eiser 1. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet vooruit kan worden gelopen op het nieuwe BMA-advies dat ten behoeve van eiser 1 zal worden uitgebracht, echter dit doet niet af aan het feit dat zoals hiervoor is overwogen het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dit betekent dat een afweging moet worden gemaakt, waarbij de mogelijke gevolgen van het ten onrechte niet toewijzen van de voorziening moeten worden afgewogen tegen de mogelijke gevolgen van het ten onrechte wel toewijzen van de voorziening. Hierbij zal de onomkeerbaarheid van de gevolgen eveneens een rol spelen. De rechtbank overweegt ten eerste dat de verzoeken strekken tot het opdragen aan verweerder om het beleid met betrekking tot analoge toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 uit te voeren zodat eisers aanspraak kunnen maken op Rva-verstrekkingen. Indien uit het op te stellen BMA-advies mocht blijken dat er geen sprake is van een situatie analoog aan artikel 64 van de Vw 2000 kunnen de Rva-verstrekkingen worden stopgezet. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de door eisers overgelegde stukken zoals hiervoor genoemd zodanige twijfel oproepen over de houdbaarheid van de huidige (medische) situatie van eisers dat ernstige onomkeerbare consequenties hiervan niet kunnen worden uitgesloten. De afweging van deze belangen brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verzoeken moeten worden toegewezen. De rechtbank zal verweerder opdragen artikel 64 van de Vw 2000 van analoge toepassing te verklaren en de nodige stukken binnen een week na de datum van deze uitspraak door te zenden naar het COA.
Pagina222-222
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BA1594
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Dordrecht, 22-03-2007, AWB 07/9552
CiteertitelMigrantenrecht 2007/36
SamenvattingVreemdelingenbewaring. Rechtmatig verblijf. Besluit 1/80 EEG-Turkije. Openbare orde. Ongewenstverklaring.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / rechtmatig verblijf / Associatiebesluit 1/80 EEG-Turkije / ongewenstverklaring Eiser heeft gesteld dat de bewaring dient te worden opgeheven, omdat eiser verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 EEG-Turkije en het Europese Vestigingsverdrag. De rechtbank volgt deze stelling niet. Daargelaten de vraag of eiser rechten heeft opgebouwd op grond van dat besluit bepaalt artikel 14, eerste lid, van Besluit 1/80 dat het verblijfsrecht wordt beŽindigd indien sprake is van - zakelijk weergegeven - gedrag van eiser dat een fundamentele bedreiging vormt voor de openbare orde. Verweerder heeft dit in de Vreemdelingencirculaire 2000 in algemene zin uitgewerkt in de hoofdstukken B11/3.7 en B10/7.2.1 en van eiser specifiek gemotiveerd uiteengezet in de beslissing tot ongewenstverklaring d.d. 15 januari 2007 en met name ten aanzien van de strafbare feiten die voor die beslissing de grondslag vormden. Hiertegenover heeft eiser onvoldoende aangevoerd, en de rechtbank is daarvoor ook niet gebleken, dat zijn beroep op Besluit 1/80 alsnog aannemelijk maakt. De grief wordt dan ook verworpen. Dat eiser tegen de ongewenstverklaring bezwaar heeft aangetekend, leidt niet tot het oordeel dat die ongewenstverklaring eiser niet tegengeworpen kan worden, zolang niet in rechte ten aanzien van de ongewenstverklaring anders is geoordeeld.
Pagina221-221
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BA1603
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelBeschikking staatssecretaris van Justitie, 10-04-2007, 0012-11-8074
CiteertitelMigrantenrecht 2007/39
SamenvattingVerblijfsvergunning, verlenging. Paspoortvereiste. Gezinsleven, inmenging. Besluit, intrekking. Vietnam.
Pagina222-223
Artikel aanvragenVia Praktizijn