Nederlands Juristenblad

Uitgever Wolters Kluwer
Tijdschrift Nederlands Juristenblad
Datum 22-06-2007
Aflevering 25
RubriekVooraf
TitelGifgassen
CiteertitelNJB 2007, 1294
SamenvattingDe veroordeling van de Nederlandse zakenman voor het leveren van stoffen voor gifgassen aan Irak in hoger beroep roept opnieuw de vraag op naar de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid. Die lijkt namelijk op de hoogte te zijn geweest van de leveringen en van het verderfelijke gebruik ervan door het Irakese bewind.
Auteur(s)I.C. van der Vlies
Pagina1505-1505
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekEssay
TitelDe verraderlijke spelonken van het voorwaardelijk opzet. Een constructivistische benadering?
CiteertitelNJB 2007, 1295
SamenvattingDe Hoge Raad oordeelde onlangs in het HIV-III arrest dat een man die zijn partner besmette met hiv niet voor zware mishandeling kan worden vervolgd. Volgens de Hoge Raad bestond er geen aanmerkelijke kans op besmetting, ook al kon worden vastgesteld dat de verdachte zijn partner daadwerkelijk had besmet. Eerdere kritiek hierop door Rozemond is volgens de auteurs van dit artikel onterecht. Het arrest in kwestie is volgens hen een sterk staaltje van de juist ook door Rozemond zo fel begeerde constructivistische rechtsvindingsmethode.
Auteur(s)J.H. van Dijk , G. Spong
Pagina1506-1511
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekWetenschap
TitelOndernemingskamer: verkoop LaSalle 'in de sfeer van artikel 2:107A BW'. Is dat voldoende?
CiteertitelNJB 2007, 1296
SamenvattingIn dit artikel worden de overwegingen geanalyseerd op grond waarvan de Ondernemingskamer tot haar oordeel komt dat het besluit van het bestuur van ABN AMRO tot verkoop van LaSalle een besluit is dat vooraf ter goedkeuring aan de algemene vergadering van aandeelhouders had moeten worden voorgelegd. Conclusie is dat de OK veel woorden wijdt aan de positie van 'de aandeelhouders' waarmee in de uitspraak zijn bedoeld de individuele aandeelhouders van ABN AMRO als rechthebbenden op en verkopers van hun aandelen in het kapitaal ABN AMRO, maar dat de OK haar beslissing uiteindelijk alleen maar baseert op een analoge toepassing van artikel 2:107a BW. Dit artikel schrijft voor dat besluiten van het bestuur van een NV 'omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming' aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders zijn onderworpen. Betwijfeld wordt of de door de OK gegeven motivering in cassatie wel de toets der kritiek zal doorstaan.
Auteur(s)M.J. van Vliet
Pagina1512-1520
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelExperiment raadsman bij politieverhoor: Hoe nu verder?
CiteertitelNJB 2007, 1297
SamenvattingEr is onenigheid ontstaan over de wijze waarop het door de Minister van Justitie aangekondigde experiment met de raadsman bij het politieverhoor moet worden vormgegeven. Op 1 mei 2007 heeft de minister de Tweede Kamer geÔnformeerd over de uitvoering van de motie Dittrich c.s. waarin is verzocht om een experiment de advocaat aanwezig te laten zijn bij het politieverhoor in zaken waarin de verdachte wordt beschuldigd van een levensdelict, onder andere moord en doodslag.
Auteur(s)J. Boksem
Pagina1521-1522
LinkVolledige tekst artikel (maastrichtuniversity.nl)
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekOpinie
TitelVerkiezing Eerste Kamer gevaarlijke farce
CiteertitelNJB 2007, 1298
SamenvattingVolgens artikel 53 van de Grondwet worden de leden van beide Kamers gekozen op de grondslag van evenredige vertegenwoordiging en worden de verkiezingen gehouden bij geheime stemming. De recente verkiezing van de Eerste Kamer wijst uit dat daarvan bepaald geen sprake is.
Auteur(s)H.G. Warmelink
Pagina1522-1523
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekO & M
TitelDe relativiteit van het recht op arbeid van vluchtelingen
CiteertitelNJB 2007, 1299
SamenvattingEen Iranese vluchtelinge, aan wie vijf jaar lang onrechtmatig de vluchtelingenstatus werd onthouden, heeft geen recht op vergoeding van haar inkomensschade. De vreemdelingenrechter vernietigde het besluit over haar vluchtelingenstatus, waarna deze alsnog werd verleend.
Auteur(s)L. di Bella
Pagina1523-1524
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekO & M
TitelHaagse prijs voor Internationaal Recht
CiteertitelNJB 2007, 1300
SamenvattingOp 28 juni a.s. zal voor de tweede maal in het Vredespaleis in Den Haag de Haagse prijs voor Internationaal Recht worden uitgereikt.
Auteur(s)T. Cleizen
Pagina1524-1525
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelVoor de gewetensbezwaarde trouwambtenaar, als het maar geen homo is...
CiteertitelNJB 2007, 1301
SamenvattingIn de afgelopen weken zijn er nogal wat artikelen in de kranten verschenen over tegennatuurlijke (homo)huwelijken, adoptie van kinderen door homofielen en trouwambtenaren met gewetensbezwaren tegen het sluiten van een 'homohuwelijk'.
Auteur(s)P.A.C.H.M. Kerstholt
Pagina1526-1526
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekReacties
TitelNaschrift
CiteertitelNJB 2007, 1302
Auteur(s)A.C. Hendriks
Pagina1526-1526
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 03-04-2007, 62617/00
CiteertitelNJB 2007, 1303
SamenvattingArt. 8 EVRM. Respect voor privťleven. Monitoren van telefoon, internet - en e-mailgebruik van werknemer. Het verzamelen en opslaan van deze informatie vormt een inbreuk op het recht op respect voor het privťleven. Geen wettelijke basis voor de inbreuk naar Engels recht. Schending.

(Copland / Verenigd Koninkrijk).
Samenvatting (Bron)Violation of Art. 8;Not necessary to examine Art. 13;Non-pecuniary damage - financial award;Costs and expenses partial award
Pagina1527-1528
UitspraakECLI:CE:ECHR:2007:0403JUD006261700
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 01-06-2007, C06/022HR
CiteertitelNJB 2007, 1304
SamenvattingEuropese aanbesteding. Aanbestedingsplicht voor ziekenhuizen? Aanbestedende dienst in de zin van Richtlijn 93/36. Peiljaar.
Samenvatting (Bron)Aanbestedingsrecht. Bevel in kort geding tot het initiŽren van Europese aanbestedingsprocedure aan stichting die volgens haar statuten is opgericht met specifiek doel te voorzien in behoeften van algemeen belang (ziekenhuis); begrip aanbestedingsprocedure; begrip aanbestedende dienst, publiekrechtelijke instelling en overheidsfinanciering ex art. 1, onder b, Richtlijn 93/36/EEG, andere behoeften van algemeen belang dan die van industriŽle of commerciŽle aard?; peiljaar.
Pagina1528-1530
UitspraakECLI:NL:HR:2007:AZ9872
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 01-06-2007, R05/169HR
CiteertitelNJB 2007, 1305
SamenvattingAntilliaanse zaak. Uitputting van merkrecht en parallelimport. In de Nederlandse Antillen is parallelimport toegestaan. Functie merk.
Samenvatting (Bron)Antillenzaak; merkenrecht. Afgewezen vordering tot verbod verkoop van flessen whisky Johnnie Walker waarop identificatienummers zijn verwijderd wegens merkinbreuk en onrechtmatige daad; verzet merkhouder tegen parallelimport, strekking art. 23 lid 8 Merkenlandsverordening; herkomstgarantie; kort geding, vrije bewijsleer.
Pagina1530-1530
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA3525
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 01-06-2007, R06/038HR
CiteertitelNJB 2007, 1306
SamenvattingArubaanse zaak. Borgersbrief. De Hoge Raad slaat geen acht op de schriftelijke reactie van de advocaat op de Borgersbrief van de advocaat op de Borgersbrief van de advocaat van de wederpartij.
Samenvatting (Bron)Arubaanse zaak; familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over partneralimentatie na echtscheiding wegens overspel; limitering alimentatieverplichting, toepasselijkheid art. 1:157 lid 4-6 BWA, strekking van art. 25 Landsverordening overgangsbepalingen Nieuw BW; cassatie, beroep op de voet van art. 4 Cassatieregeling ontvankelijk onder sinds 1 augustus 2005 geldend recht wegens onmiddellijke werking art. 429n lid 2 RvA; aan een Borgersbrief te stellen eisen.
Pagina1531-1531
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA1526
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 01-06-2007, R07/066HR
CiteertitelNJB 2007, 1307
SamenvattingWet Bopz. De machtiging is ten onrechte verleend nu daarin een locatie is aangewezen die niet is aangemerkt als psychische ziekenhuis.
Samenvatting (Bron)Bopz; verlening van voorlopige machtiging het verblijf van de betrokkene te doen voortduren in een niet als een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van art. 1 lid 1, aanhef en onder h, Wet Bopz aangemerkte woonafdeling van een zorginstelling; verwijzingsinstructie.
Pagina1532-1532
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA3036
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 01-06-2007, R07/073HR
CiteertitelNJB 2007, 1308
SamenvattingWet Bopz. Voorlopige machtiging. Het inleidende verzoek was niet toewijsbaar, nu de daarbij overgelegde geneeskundige verklaring niet (mede) was ondertekend door de geneesheer-directeur. Onvoldoende is dat de (waarnemend) geneesheer-directeur een bijgevoegd behandelingsplan wel heeft ondertekend, tijdens de zitting aanwezig is en een mondelinge toelichting geeft. Na verwijzing zal moeten worden onderzocht of het inleidende verzoek alsnog kan worden toegewezen.
Samenvatting (Bron)Bopz; verlening van voorlopige machtiging op grond van een niet door ter zitting aanwezige (waarnemend) geneesheer-directeur ondertekende geneeskundige verklaring.
Pagina1532-1533
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA3536
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 01-06-2007, C05/010HR
CiteertitelNJB 2007, 1309
SamenvattingHuur 1624 (oud)-bedrijfsruimte. Huurder vordert ontbinding en schadevergoeding wegens tekortschieten in de opleverings- en onderhoudsverplichting. Verhuurder vordert ontbinding en betaling van achterstallige huur.
Samenvatting (Bron)Huurzaak; oud recht. Geschil over beŽindiging van huurovereenkomst bedrijfsruimte (81 RO).
Pagina1533-1533
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA2011
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 01-06-2007, C06/053HR
CiteertitelNJB 2007, 1310
SamenvattingKredietfaciliteit op betaalrekening. De Lotto heeft een automatische doorlopende machtiging om inleggeld te incasseren van een betaalrekening, maar kan in november 2002 het inleggeld niet incasseren doordat de bank de rekening heeft geblokkeerd wegens een ongeoorloofde debetstand. De Lotto weigert daarom de jackpotprijs van Ä 11.500.000 uit te keren. De rekeninghouder spreekt de bank aan wegens wanprestatie en schending van haar zorgplicht. De rechtbank en het hof wijzen de vordering af.
Samenvatting (Bron)Geschil tussen bank en deelnemer aan loterij (Lotto), die door tijdelijke incassoblokkade wegens ongeoorloofde debetstand bij trekking prijzengeld is misgelopen; omvang van door bank jegens rekeninghouder te betrachten zorgplicht (81 RO).
Pagina1533-1533
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA4601
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 01-06-2007, C06/064HR
CiteertitelNJB 2007, 1311
SamenvattingOvereenkomst tussen gemeente en saneringsbedrijf.
Samenvatting (Bron)Geschil tussen gemeente en saneringsbedrijf over nakoming van in 1982 gesloten overeenkomst en informatieverstrekking door gemeente aan particulieren in kader van actie Tankslag (81 RO).
Pagina1533-1533
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA1825
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 01-06-2007, C06/079HR
CiteertitelNJB 2007, 1312
SamenvattingKredietovereenkomst. Vervolg op HR 21 november 2003, NJ 2004, 130 (Fortis / Hermans).
Samenvatting (Bron)Geschil tussen bank en (de erven van) voormalig directeur/groot-aandeelhouder over de betaling van het nog uitstaande saldo van een voor faillissement van de vennootschap door bank opgezegd rekening-courant krediet; vervolg op HR 21 november 2003, nr. C01/328, NJ 2004, 130 (81 RO).
Pagina1533-1533
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA2501
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-05-2007, 03450/05 E
CiteertitelNJB 2007, 1313
SamenvattingAan de verdachte was ten laste gelegd dat hij zich op of omstreeks 14 juli 2003 te Z. ter uitoefening van de jacht in het veld heeft bevonden met een of meer voor de jacht ongeoorloofde middelen te weten een duivencarrousel (ťťn s), althans met een mechanisch lokinstrument (art. 50 Flora- en faunawet). In hoger beroep werd de verdachte vrijgesproken.
Samenvatting (Bron)OM-cassatie. Tussenarrest. Toelaatbaarheid gebruik duivencarrousel bij de jacht. Toegestaan lokmiddel (lokduif) of niet toegestaan mechanisch of electronisch lokinstrument. HR stelt prejudiciŽle vragen aan het BenGH over de uitleg van de Beschikking inz. vaststelling van de middelen die toelaatbaar zijn bij de uitoefening van de jacht, van het Comitť van Ministers van de Benelux Economische Unie (de Beschikking). Verdachte is vrijgesproken voor het jagen met een ongeoorloofd middel, te weten een duivencarrousel, althans een mechanisch lokinstrument. Het hof heeft overwogen dat de duivencarrousel niet als een ongeoorloofd lokmiddel kan worden aangemerkt, nu het hier gaat om een bepaalde methode van gebruik van een geoorloofd lokmiddel, te weten een lokduif. s Hofs uitgangspunt dat o.g.v. art. 50.1 Flora- en faunawet de inzet van lokduiven een in beginsel geoorloofd middel tot jagen is, is juist. O.g.v. die bepaling is uitsluitend het gebruik van levende lokduiven die blind of verminkt zijn, niet geoorloofd. Aan die bepaling kan niet worden ontleend dat het gebruik van dode, opgezette of van plastic of ander kunststof vervaardigde lokduiven niet geoorloofd zou zijn terwijl de wetsgeschiedenis mbt de Flora- en faunawet en haar voorlopers ook geen aanknopingspunt biedt dat niet levende lokduiven een tot jagen ongeoorloofd middel zouden zijn. Dit uitgangspunt strookt voorts met de art. 2 en 3 van de Beschikking. De vraag is evenwel of het i.c. als duivencarrousel aangeduide voorwerp als de door het hof bedoelde methode van gebruik van een lokduif moet worden aangemerkt of als een lokinstrument. Hoewel de Beschikking toelaat dat in de nationale wetgeving lokinstrumenten, mits niet mechanisch of electronisch, worden toegestaan, heeft de NL wetgever er van afgezien om in art. 50 Flora en faunawet enig lokinstrument als toegelaten middel tot de jacht op te nemen, terwijl een dergelijk instrument ook niet is genoemd in art. 5 Besluit beheer en schadebestrijding dieren (het Besluit). Nu ervan uit moet worden gegaan dat de NL wetgever bij de beantwoording van de vraag naar de toelaatbare middelen tot de jacht het begrippenkader van art. 2 en 3 van de Beschikking tot uitgangspunt heeft genomen, rijst de vraag of de duivencarrousel als een lokinstrument i.d.z.v. art. 2 Beschikking moet worden aangemerkt. Zou dat het geval zijn, dan zou de carrousel, ongeacht of het als mechanisch of electronisch heeft te gelden, als middel tot de jacht niet zijn toegelaten nu art. 50 Flora- en faunawet en art. 5 van het Besluit lokinstrumenten niet noemen. s Hofs opvatting zou dan getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. De HR acht het noodzakelijk om de volgende prejudiciŽle vragen te stellen aan BenGH: (a) Is de duivencarrousel aan te merken als een al dan niet mechanisch of electronisch lokinstrument a.b.i. art. 2 van de Beschikking? (b) Indien vraag (a) bevestigend wordt beantwoord, is de duivencarrousel i.c. een middel dat toelaatbaar is bij de jacht i.d.z.v. de Beschikking indien deze wordt gebruikt tot het doden van de houtduif in het kader van de bestrijding van schade aan land- en tuinbouwgewassen en dus wordt gebruikt ter verdelging?
Pagina1533-1534
UitspraakECLI:NL:HR:2007:AZ0281
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-05-2007, 00185/06
CiteertitelNJB 2007, 1314
SamenvattingHet eerste middel bevat de klacht dat het onder 1 (en 2) bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Samenvatting (Bron)1. Valselijk opmaken ex art. 225 Sr. 2. Recht op herziening van ten onrechte in rekening gebrachte omzetbelasting. Ad 1. De bewezenverklaring onder 1, vzv. behelzende dat A B.V. op 10-10-1996 en 12-11-1996 valselijk creditfacturen heeft opgemaakt, kan niet zonder meer worden afgeleid uit de bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen, i.h.b. de verklaring van verdachte inhoudende dat "op enig moment in de periode dat de creditnota's en de debetnota zijn opgemaakt" de beslissing is genomen het geld niet over te maken aan B en dat de creditfactuur van 10-10-1996 niet direct verzonden is "omdat we wilden wachten op de daadwerkelijke teruggaaf" laten immers de mogelijkheid open dat A B.V. t.t.v. het opmaken van de creditfactu(u)r(en) geen opzet had om die factu(u)r(en) valselijk op te maken. Ad 2. Volgens HvJEG BNB 2002/167, waarin aan de orde was in hoeverre recht bestaat op herziening van ten onrechte in rekening gebrachte omzetbelasting, is het aan de lidstaten overgelaten te bepalen onder welke voorwaarden ten onrechte gefactureerde omzetbelasting kan worden herzien. In NL gold te dezer zake - tot de intrekking ervan bij brief van de Staatssecretaris van FinanciŽn van 7 maart 2000 - de beleidsregel volgens welke niet eerder recht op herziening bestaat dan wanneer een creditfactuur is uitgereikt dan wel een nieuwe factuur die in de plaats treedt van de oude (HR BNB 2002/362). De beleidsregel veronderstelt een onlosmakelijk verband tussen enerzijds een verzoek tot teruggaaf van ten onrechte aan een debiteur in rekening gebrachte omzetbelasting en anderzijds het in dat verband opmaken van een creditfactuur t.b.v. die debiteur, ook al omdat bij een dergelijk verzoek tot teruggaaf een kopie van die creditfactuur moet worden overgelegd.
Pagina1534-1535
UitspraakECLI:NL:HR:2007:AZ4705
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-05-2007, 00806/06
CiteertitelNJB 2007, 1315
SamenvattingWegens (1) opzetheling (2) diefstal in vereniging met braak (3) medeplegen van opzetheling (4) diefstal in vereniging met braak en (5) diefstal in vereniging met behulp van valse sleutels en (6) belediging van een ambtenaar in functie, werd de verdachte in hoger beroep veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.
Samenvatting (Bron)Medeplegen, bewuste nauwe samenwerking. Geklaagd wordt over de bewijsvoering van het medeplegen van de diefstal door verdachte van 4 (gelijktijdig gestolen) BMWs en 1 (daarvoor gestolen) Mercedes. Het hof heeft naast de vaststelling omtrent het gebruik dat verdachte van de gestolen BMW X5 heeft gemaakt - vastgesteld dat de (gestolen) Mercedes- waarin later die nacht verdachte inzittende bleek te zijn - reeds zeer korte tijd na de diefstal van die BMW's door een aantal getuigen tezamen met 3 van die BMWs is gezien, terwijl nog weer korte tijd later voor de Mercedes en 1 van de BMW's zonder te betalen benzine is getankt. Voorts blijkt uit s hofs vaststellingen dat de inzittenden van de BMWs en de Mercedes elkaar kenden en tijdens hun nachtelijke tocht contact met elkaar hadden, terwijl een aantal van hen onder wie verdachte altijd samen zijn. Uit een en ander, in samenhang beschouwd met de overige bewijsvoering, heeft het hof kunnen afleiden dat tussen verdachte en zijn mededaders sprake was van een voor een bewezenverklaring van het medeplegen vereiste mate van bewuste en nauwe samenwerking. CAG: anders.
Pagina1535-1536
UitspraakECLI:NL:HR:2007:AZ6126
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-05-2007, 00651/07 CW
CiteertitelNJB 2007, 1316
SamenvattingCassatie in het belang van de wet.
Samenvatting (Bron)Promis II-arrest. Cassatie in belang der wet. Uitleg art. 359.2 en 3 Sv (Wet bekennende verdachte). 1. Bewijsmotivering. 2. Verwijzing naar bewijsmiddel bij zakelijke samenvatting daarvan. Ad 1. Het wettelijk stelsel moet aldus worden begrepen dat de motivering van de bewezenverklaring - behoudens indien sprake is van een bekennende verdachte - op zijn minst dient te bestaan uit de weergave in het vs van die onderdelen van de bewijsmiddelen die de rechter redengevend acht voor de bewezenverklaring. 's Hofs werkwijze i.c. t.a.v. de bewijsmotivering, komt erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden (f&o) waarop de beslissing steunt dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, in een terstond uitgewerkt vs zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij het hof heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die f&o zijn ontleend. In beginsel is die werkwijze niet i.s.m. art. 359.3 Sv. Een dergelijke bewijsredenering kan de inzichtelijkheid van de door de rechter gevolgde gedachtegang bevorderen, terwijl niet wordt tekortgedaan aan de andere wezenlijke functie van de bewijsmotivering dat de rechter op controleerbare wijze zich ervan vergewist dat de beslissing dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, steunt op daartoe redengevende f&o die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Gunstig effect van de hier gevolgde werkwijze is dat verdachte terstond na de uitspraak beschikt over een uitgewerkt vs. Van een later op te maken "aanvulling" op het vs ex art. 365a Sv kan immers geen sprake meer zijn, omdat bij deze werkwijze geen verkort vs wordt gewezen. Dat in die werkwijze de redengevende inhoud van een bewijsmiddel zakelijk wordt samengevat, is op zichzelf niet onverenigbaar met genoemd motiveringsvoorschrift, waarbij uiteraard die redengevend geachte inhoud geen geweld zal mogen worden aangedaan. Wel zullen de redengevende f&o en de vermelding daarvan moeten worden onderscheiden van gevolgtrekkingen - geheel of ten dele van feitelijke aard - die de rechter aan die f&o verbindt. Waar met een dergelijke gevolgtrekking wordt volstaan zonder dat de onderliggende redengevende f&o worden vermeld, is aan het wettelijk motiveringsvereiste niet voldaan. Benadrukt wordt dat het bij deze werkwijze noodzakelijk is dat de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die f&o zijn ontleend, zo nauwkeurig is dat zij de procesdeelnemers en de hogere rechter in staat stelt te beoordelen of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd. Ad 2. Door onder verwijzing naar een 7-tal pagina's beslaand pv van politie te volstaan met de gevolgtrekking dat verdachte en zijn medeverdachte op de hoogte waren van de aanwezigheid van de hennepplanten in de woning, zonder nadere aanduiding van de in dat pv gerelateerde f&o waaraan het die gevolgtrekking heeft verbonden, heeft het hof niet voldaan aan hetgeen hiervoor is overwogen mbt het zakelijk samenvatten van de redengevende inhoud van een bewijsmiddel en de daarbij noodzakelijke nauwkeurigheid van de verwijzing naar dat bewijsmiddel.
Pagina1536-1538
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA0425
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 15-05-2007, 00650/07 CW
CiteertitelNJB 2007, 1317
SamenvattingCassatie in het belang van de wet.
Samenvatting (Bron)Promis II-arrest. Cassatie in belang der wet. Uitleg art. 359.2 en 3 Sv (Wet bekennende verdachte). 1. Bewijsmotivering. 2. Weergave getuigeverklaring. Ad 1. Het wettelijk stelsel moet aldus worden begrepen dat de motivering van de bewezenverklaring - behoudens indien sprake is van een bekennende verdachte - op zijn minst dient te bestaan uit de weergave in het vs van die onderdelen van de bewijsmiddelen die de rechter redengevend acht voor de bewezenverklaring. s Hofs werkwijze i.c. t.a.v. de bewijsmotivering, komt erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden (f&o) waarop de beslissing steunt dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, in een terstond uitgewerkt vs zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij het hof heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die f&o zijn ontleend. In beginsel is die werkwijze niet i.s.m. art. 359.3 Sv. Een dergelijke bewijsredenering kan de inzichtelijkheid van de door de rechter gevolgde gedachtegang bevorderen, terwijl niet wordt tekortgedaan aan de andere wezenlijke functie van de bewijsmotivering dat de rechter op controleerbare wijze zich ervan vergewist dat de beslissing dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, steunt op daartoe redengevende f&o die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Gunstig effect van de hier gevolgde werkwijze is dat verdachte terstond na de uitspraak beschikt over een uitgewerkt vs. Van een later op te maken "aanvulling" op het vs ex art. 365a Sv kan immers geen sprake meer zijn, omdat bij deze werkwijze geen verkort vs wordt gewezen. Dat in die werkwijze de redengevende inhoud van een bewijsmiddel zakelijk wordt samengevat, is op zichzelf niet onverenigbaar met genoemd motiveringsvoorschrift, waarbij uiteraard die redengevend geachte inhoud geen geweld zal mogen worden aangedaan. Wel zullen de redengevende f&o en de vermelding daarvan moeten worden onderscheiden van gevolgtrekkingen geheel of ten dele van feitelijke aard - die de rechter aan die f&o verbindt. Waar met een dergelijke gevolgtrekking wordt volstaan zonder dat de onderliggende redengevende f&o worden vermeld, is aan het wettelijk motiveringsvereiste niet voldaan. Benadrukt wordt dat het bij deze werkwijze noodzakelijk is dat de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die f&o zijn ontleend, zo nauwkeurig is dat zij de procesdeelnemers en de hogere rechter in staat stelt te beoordelen of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd. Terzijde wordt opgemerkt dat een bewijsmotivering bij wijze van een bewijsredenering als i.c. het gevaar in zich bergt dat niet alle onderdelen van de bewezenverklaring genoegzaam worden gemotiveerd, doordat die redenering te zeer wordt afgestemd op hetgeen verdachte tegen het hem gemaakte verwijt heeft ingebracht. Zo is i.c. de bewezenverklaring van het letsel niet van enige motivering voorzien maar het middel klaagt daar niet over. Ad 2. Het hof heeft, mede gelet op de verdere redactie van de bestreden uitspraak, met de bewoordingen (dat uit de verklaring van X) blijkt dat etc., klaarblijkelijk slechts bedoeld verkort en zakelijk weer te geven wat aangever X heeft verklaard omtrent hetgeen hij heeft waargenomen en ondervonden. Daarom moet genoemde zinsnede worden gelezen als: "De verklaring van aangever X houdt in dat hij heeft waargenomen en ondervonden dat". Aldus verstaan behelst het niet een gevolgtrekking van het hof, maar een zakelijke weergave van datgene wat de aangever heeft verklaard te hebben waargenomen en ondervonden. In dit opzicht voldoet de bewijsmotivering aan hetgeen hiervoor is overwogen mbt het zakelijk samenvatten van de redengevende inhoud van een bewijsmiddel.
Pagina1538-1539
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA0424
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 22-05-2007, 00468/06
CiteertitelNJB 2007, 1318
SamenvattingHet middel stelt de vraag aan de orde of er sprake is van 'een andere feitelijkheid' in de zin van art. 246 Sr waardoor het slachtoffer - een vrouw van 77 jaar - werd gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. De Hoge Raad zet uiteen waarom hiervan in dit geval inderdaad sprake is.
Samenvatting (Bron)Feitelijkheid in art. 246 Sr. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het slachtoffer a.g.v. het onverhoeds binnenlopen van de woning van het slachtoffer en het doorgaan met de ontuchtige handelingen ondanks dat het slachtoffer (meermalen) zei dat hij daarmee niet moest doorgaan geen weerstand kon bieden aan verdachte en aldus werd gedwongen tot het dulden van diens ontuchtige handelingen. Mede gelet op de omstandigheid dat verdachte t.t.v. het feit 27 jaar oud was en het slachtoffer 77 jaar en op de overige inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste uitleg van de term feitelijkheid a.b.i. art. 246 Sr.
Pagina1539-1540
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA0862
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 22-05-2007, 01122/06 B
CiteertitelNJB 2007, 1319
SamenvattingHet verzoek van de klaagster tot teruggave aan haar van in beslag genomen geldbedragen werd door de rechtbank ongegrond verklaard, waarbij zij overwoog dat (weliswaar) het onderzoeksbelang het voortduren van het beslag niet langer vorderde maar dat toch geen teruggave van de geldbedragen zou worden bevolen 'aangezien er ook conservatoir beslag zal worden gelegd...'.
Samenvatting (Bron)Beklagzaak. Ingevolge art. 116.1 Sv doet het OM de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene zodra het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet. In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het OM bij de behandeling van een beklag a.b.i. art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van de strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dat punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen. I.c. heeft de OvJ te kennen gegeven dat het onderzoeksbelang zich niet langer verzet tegen opheffing van het beslag. De rb had derhalve het beklag gegrond moeten verklaren en o.g.v. art. 552a.6 Sv de daarmee overeenkomende last behoren te geven. Het oordeel van de rb dat zij geen last tot teruggave zal geven aangezien conservatoir beslag zal worden opgelegd, is onjuist nu de wet daarin niet voorziet.
Pagina1540-1540
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA1637
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 27-04-2007, 40797
CiteertitelNJB 2007, 1320
SamenvattingAan algemene vereisten voor aftrekbaarheid buitengewone lasten hoeft in casu niet te worden getoetst.
Samenvatting (Bron)Art. 46, leden 1 en 18, Wet IB 1964. Buitengewone lasten. Extra uitgaven voor levensonderhoud gehandicapte kinderen. Inkomens- en vermogenstoets van toepassing?
Pagina1540-1541
UitspraakECLI:NL:HR:2007:BA3863
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelHoge Raad, 27-04-2007, 41333
CiteertitelNJB 2007, 1321
SamenvattingBelanghebbende is gebonden aan vaststellingsovereenkomst ondanks kort voordien gewezen nieuwe jurisprudentie.
Samenvatting (Bron)Vaststellingsovereenkomst. Dwaling. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Redelijkheid en billijkheid.
Pagina1541-1542
UitspraakECLI:NL:HR:2007:AV0432
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRaad van State, 06-06-2007, 200608642/1
CiteertitelNJB 2007, 1322
SamenvattingIn de omstandigheid dat de Koningin de Voorzitter is van de Raad van State ziet de Afdeling geen grond om van het hoger beroep geen kennis te nemen, nu er geen verband bestaat tussen dat Voorzitterschap en de uitoefening van de rechtsprekende taak van de Afdeling en derhalve niet valt in te zien dat bedoeld Voorzitterschap gegronde twijfel kan doen ontstaan aangaande de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Afdeling.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 4 september 2003 heeft appellant (hierna: de minister) het verzoek van de stichting "Nederlandse Programma Stichting" (hierna: de NPS) om openbaarmaking van documenten afgewezen voor zover het documenten betreft die bij het ministerie berusten en geweigerd het verzoek door te zenden naar het Kabinet van de Koningin (hierna: het Kabinet) voor zover het documenten betreft die daar berusten.
Pagina1542-1544
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BA6497
Artikel aanvragenVia Praktizijn
RubriekRechtspraak
TitelRaad van State, 06-06-2007, 200608140/1
CiteertitelNJB 2007, 1543
SamenvattingUit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriŽle schade wordt verondersteld. In dit geval is de vastgestelde vergoeding niet onjuist.
Samenvatting (Bron)Bij besluiten van 6 februari 2001 is namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de toekenning van huursubsidie op grond van de Huursubsidiewet (hierna: de wet) aan [wederpartij] voor de tijdvakken 1 juli 1997 tot en met 30 juni 1998 respectievelijk 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 herzien en de teveel toegekende huursubsidie teruggevorderd.
Pagina1544-1545
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BA6496
Artikel aanvragenVia Praktizijn