Jurisprudentie Vreemdelingenrecht

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie Vreemdelingenrecht
Datum 17-01-2008
Aflevering 1
TitelHof van Justitie EG, 11-12-2007, C-291/05
Citeertitel«JV» 2008/1
SamenvattingGemeenschapsonderdaan. Vrij verkeer van personen. Vrij verkeer van werknemers. Gezinshereniging. Gezinsleven.

(Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie / R.N.G. Eind).
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Grote kamer) van 11 december 2007. # Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tegen R. N. G. Eind. # Verzoek om een prejudiciele beslissing: Raad van State - Nederland. # Vrij verkeer van personen - Werknemers - Recht van verblijf van gezinslid met nationaliteit van derde land - Terugkeer van werknemer naar lidstaat waarvan hij nationaliteit bezit - Verplichting van lidstaat van herkomst van werknemer om gezinslid verblijfsrecht te verlenen - Bestaan van deze verplichting wanneer die werknemer geen reele en daadwerkelijke arbeid verricht. # Zaak C-291/05.
AnnotatorC.A. Groenendijk
Pagina5-13
UitspraakECLI:EU:C:2007:771
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 02-10-2007, 200703408/1
Citeertitel«JV» 2008/2
SamenvattingMachtiging tot voorlopig verblijf, vereiste. Kennismigrant. Formele rechtskracht.
Samenvatting (Bron)Mvv-aanvraag / kennismigrant / aantonen kwalificatie werknemer In het besluit van 6 december 2006 betreffende de vreemdeling heeft de minister, door niet alleen te wijzen op het feit dat het overeengekomen salaris niet marktconform is, maar ook bij zijn oordeel te betrekken dat de werkgever niet door middel van bescheiden heeft gestaafd dat de vreemdeling gekwalificeerd is om de functie van chef-kok uit te oefenen en dat evenmin gebleken is dat de vreemdeling enige ervaring op dit gebied heeft opgedaan, nader gemotiveerd waarom op voorhand aannemelijk is dat niet zal of niet zal kunnen worden voldaan aan hetgeen in de arbeidsovereenkomst is bepaald. Artikel 1d, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, de daarop gegeven toelichting in de Nota van Toelichting en het beleid als vermeld in de Vc 2000 bieden geen grond voor het oordeel dat in een dergelijke situatie de verblijfsvergunning met het oog waarop de vreemdeling de mvv heeft aangevraagd niet mag worden geweigerd. De rechtbank heeft mitsdien ten onrechte overwogen dat in de besluiten van 6 december 2006 een onjuist toetsingskader is gehanteerd en geen juiste uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 26 oktober 2006.
AnnotatorP.A. Willemsen
Pagina14-19
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB5505
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 22-10-2007, 200704566/1
Citeertitel«JV» 2008/3
SamenvattingAanvraag, asiel. Vluchtelingenverdrag, exclusion clause. Ongewenstverklaring. Beroep. Procesbelang.
Samenvatting (Bron)Ongewenstverklaring / 1F Vluchtelingenverdrag / samenloop / procesbelang Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juli 2006 in zaak nr. 200510434/1; JV 2006/347) heeft een vreemdeling, zolang hij ongewenst is verklaard, bij beoordeling van een beroep tegen een besluit op een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking daarvan, geen belang, omdat dit nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000 immers geen rechtmatig verblijf hebben. Belang bij toetsing in rechte van een afwijzing van, zoals hier, een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning is bij samenloop daarvan met een besluit, waarbij een vreemdeling ongewenst is verklaard, eerst aan de orde, indien dat laatste besluit wordt herroepen of ingetrokken, dan wel de ongewenstverklaring wordt opgeheven. De ongewenstverklaring duurde ten tijde hier van belang voort. Appellant had derhalve geen belang bij beoordeling van het door hem tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingestelde beroep. Dat appellant ongewenst is verklaard omdat hem in de asielprocedure artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, doet daaraan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet af. Nu voortduring van de ongewenstverklaring aan verlening van de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de weg staat, kan appellant de tegenwerping van voormelde verdragsbepaling in een procedure gericht tegen de ongewenstverklaring aan de orde stellen. Dat het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag rechtens onaantastbaar wordt indien beoordeling van het daartegen ingestelde beroep achterwege blijft, leidt evenmin tot het oordeel dat appellant belang heeft bij die beoordeling. Mocht de ongewenstverklaring komen te vervallen, dan kan appellant de staatssecretaris verzoeken de weigering een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen te heroverwegen, dan wel een nieuwe aanvraag om verlening van een zodanige vergunning indienen. In dat geval staat het algemeen rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet ten tweeden male aan de rechter kan worden voorgelegd, niet aan toetsing van het daarop te nemen besluit in de weg. De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep ten onrechte niet niet-ontvankelijk verklaard.
Pagina19-21
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB7202
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 25-10-2007, 200703765/1
Citeertitel«JV» 2008/4
SamenvattingAssociatieovereenkomst EEG-Turkije, besluit 1/80. Schorsende werking. Omvang van het geschil.

(X / de uitspraak in zaak nr. AWB 06/43712 van de rechtbank ' s- Gravenhage, zp Rotterdam, van 25 april 2007).
AnnotatorC.A. Groenendijk
Pagina21-24
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 25-10-2007, 200704628/1
Citeertitel«JV» 2008/5
SamenvattingAanvraag, asiel. Toetsing, intensiteit van. Onmenselijke behandeling. Turkije.
Samenvatting (Bron)Geloofwaardigheid asielrelaas / intensiteit rechterlijke toetsing / positieve overtuigingskracht / vermoedens Zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2005 in zaak nr. 200504127/1 (ter voorlichting van partijen aangehecht) volgt, dient, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet alleen van de door de vreemdeling aangedragen feiten, maar ook van de door hem aan de feiten ontleende vermoedens over wat hem als gevolg daarvan bij terugkeer te wachten staat positieve overtuigingskracht uit te gaan. De grief slaagt. [..] Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 27 januari 2003 in zaak nr. 200206297/1; AB 2003, 286), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de asielzoeker in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst. Dit geldt evenzeer voor de beoordeling van het realiteitsgehalte van de door de asielzoeker aan die gestelde feiten ontleende vermoedens over wat hem als gevolg daarvan bij terugkeer aan behandeling te wachten staat. [..] Door de elementen van het asielrelaas los van elkaar en zelfstandig te beoordelen en te waarderen en op grond van de geloofwaardigheid van enkele elementen te overwegen dat de minister de ongeloofwaardigheid van de vermoedens van de vreemdeling dat hij vanwege zijn PKK-lidmaatschap te vrezen heeft voor vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM ondeugdelijk heeft gemotiveerd, heeft de rechtbank niet onderkend dat van het relaas als geheel een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan en, voorbijgaand aan het hiervoor weergegeven toetsingskader, ten onrechte niet met de vereiste terughoudendheid getoetst. Dit deel van de grief slaagt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat, gelet op overweging 2.4.2. geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht mist en daarom ongeloofwaardig wordt geacht. Dit deel van de grief slaagt evenzeer.
Pagina25-28
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB7199
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 31-10-2007, 200705420/1
Citeertitel«JV» 2008/6
SamenvattingAlleenstaande minderjarige vreemdeling. Verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd. Voortgezet verblijf.
Samenvatting (Bron)Ambtshalve verlening verblijfsvergunning regulier / amv / verblijfsvergunning asiel afgewezen / geen toetsing achteraf Uit de systematiek van de wet volgt dat pas bezien kan worden of een vreemdeling in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking 'verblijf als amv' zodra hij niet meer in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Met deze systematiek verdraagt zich niet dat de vraag, of de betrokken vreemdeling in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking 'verblijf als amv', achteraf wordt beantwoord over de periode waarin hij in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Pagina29-31
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB7232
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 31-10-2007, 200707113/1
Citeertitel«JV» 2008/7
SamenvattingVreemdelingenbewaring, gronden. Ongewenstverklaring. Vreemdelingenbewaring, onttrekkingsgevaar. Vreemdelingenbewaring, lichter middel. Belangenafweging. Gezinsleven, inmenging. Onmenselijke behandeling.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / ongewenstverklaring / gezinsleven / lichter middel Gelet op het voorgaande, is in het door de vreemdeling in beroep aangevoerde geen grond te vinden voor het oordeel dat er bijzondere feiten of omstandigheden zijn, op basis waarvan de nadelige gevolgen van de bewaring onevenredig zijn in verhouding tot het met de bewaring te dienen doel. Dat betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bewaring in het geval van de vreemdeling een te zwaar middel is. [..] Aangezien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris het met de bewaring te dienen doel met een minder ingrijpend middel dan bewaring had kunnen bereiken, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet met een lichter middel kan worden volstaan. [..] In dit geval is de inmenging in het door de vreemdeling gestelde gezinsleven met zijn partner en broer gerechtvaardigd in het belang van de openbare orde dat ermee is gediend te voorkomen dat hij zich aan de uitzetting zal onttrekken. In het in beroep aangevoerde is geen grond te vinden voor het oordeel dat de staatssecretaris het belang van de openbare orde, gezien de onder 2.1.2 vermelde gronden van de bewaring, niet heeft mogen laten prevaleren boven het persoonlijk belang van de vreemdeling bij het gezinsleven met zijn partner en broer.
Pagina31-33
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB7257
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 02-11-2007, 200706751/1
Citeertitel«JV» 2008/8
SamenvattingVreemdelingenbewaring, hernieuwde. Nova. Vreemdelingenbewaring, zicht op uitzetting. Laissez-passer. Marokko.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / eerdere inbewaringstelling / nieuwe feiten en omstandigheden / onderzoek niet eerder plaatsgevonden Volgens de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 maart 2007, waarbij de opheffing van de vorige, op 26 juni 2006, aan de vreemdeling, opgelegde maatregel van bewaring is bevolen, heeft de staatssecretaris, nadat presentaties van de vreemdeling bij de Algerijnse autoriteiten tot een negatief resultaat hadden geleid, op 21 februari 2007 besloten stappen te ondernemen om tot een presentatie van de vreemdeling bij de Marokkaanse autoriteiten te komen. Dat de staatssecretaris reeds bij de vorige inbewaringstelling bekend was met de mogelijkheid dat de vreemdeling de Marokkaanse nationaliteit bezit en op basis van toen reeds beschikbare informatie thans wederom tot presentatie bij de autoriteiten van dat land heeft besloten, laat onverlet dat in het kader van deze voorgenomen presentatie onderzoek wordt verricht dat nog niet eerder heeft plaatsgevonden. Door te oordelen dat de mogelijkheid dat de vreemdeling de Marokkaanse nationaliteit bezit niet pas nu voor het eerst in het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling is betrokken en derhalve geen sprake is van een situatie, als bedoeld in voormelde uitspraak van de Afdeling van 26 april 2006, heeft de rechtbank niet onderkend dat bij de vorige inbewaringstelling van de vreemdeling de mogelijkheid dat hij de Algerijnse nationaliteit bezit is onderzocht en het daarna op 21 februari 2007 gestarte nadere onderzoek naar de mogelijkheid dat de vreemdeling onderdaan van Marokko is, niet meer heeft plaatsgevonden en als gevolg van de door de rechtbank s-Gravenhage op 8 maart 2007 bevolen opheffing van de bewaring, ook niet meer kon plaatsvinden.
Pagina34-35
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB7984
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 06-11-2007, 200703324/1
Citeertitel«JV» 2008/9
SamenvattingMet onbekende bestemming. Dublinverordening. Termijn, verlenging. Procesbelang. Hoger beroep. Ontvankelijkheid.
Samenvatting (Bron)Procesbelang / mob / Dublin Voor zover in het namens de vreemdeling ingediende verweerschrift is betoogd dat het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, overweegt de Afdeling dat die omstandigheid het procesbelang van de staatssecretaris niet heeft doen vervallen. Niet uitgesloten is dat de vreemdeling vóór het verstrijken van de overdrachtstermijn, die door de bij uitspraak van 14 juni 2007, in zaak nr. 200703324/2, door de Voorzitter van de Afdeling getroffen voorlopige voorziening is opgeschort, weer verschijnt. Voorts kan op grond van artikel 20, tweede lid, van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening), de terzake van de overdracht gestelde termijn van zes maanden worden verlengd tot achttien maanden indien de asielzoeker onderduikt.
Pagina35-37
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB7982
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 07-11-2007, 200703618/1
Citeertitel«JV» 2008/10
SamenvattingGezinshereniging. Gezinsleven, positieve verplichting. Omvang van het geschil. Beroep, gronden.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 8 december 2006 is aan de kinderen van appellante een mvv verleend. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat door het ten aanzien van de kinderen genomen besluit van 8 december 2006 de situatie aangaande eventuele aanspraken ontleend aan artikel 8 van het EVRM verschilde ten opzichte van die van 4 augustus 2006, zodat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft nagelaten in te gaan op hetgeen appellante in het kader van artikel 8 van het EVRM in beroep naar voren heeft gebracht.
Pagina37-38
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8280
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 07-11-2007, 200706021/1
Citeertitel«JV» 2008/11
SamenvattingDublinverordening. Griekenland. Non-refoulement.
Samenvatting (Bron)Dublinverordening / Griekenland / verdragsschending / concrete aanwijzingen / al dan niet uitgeprocedeerd Ter zitting heeft de staatssecretaris uiteengezet dat het in paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vc 2000 gestelde vereiste, dat de asielzoeker in de verantwoordelijke lidstaat (g)een beslissing heeft gehad, of kan worden beschouwd als uitgeprocedeerd, ertoe strekt aan te geven dat de vraag of er concrete aanwijzingen zijn van verdragsschending zowel bij overname bedoeld in artikel 16 van de Verordening als bij terugname bedoeld in artikel 20 van de Verordening aan de orde kan zijn en dat het voor de beantwoording van die vraag niet uitmaakt of de vreemdeling al dan niet is uitgeprocedeerd. Gelet op deze wijziging kan, anders dan gesteld in het hoger-beroepschrift, de vreemdeling niet worden tegengeworpen dat zij de asielprocedure nog niet heeft doorlopen, aldus de staatssecretaris. In zoverre behoeft de grief derhalve geen bespreking meer. [..] Over de inbreukprocedure is derhalve slechts bekend dat deze door vragen van de Europese Commissie aan de Griekse regering in gang is gezet. Niet bekend is waarop de zorgen van de Commissie omtrent de verenigbaarheid van de Griekse wetgeving en praktijk met de Verordening, die tot die procedure hebben geleid, betrekking hebben. Daarom kan het enkele in gang zetten van die procedure niet worden aangemerkt als een zodanig concreet gegeven dat op grond daarvan moet worden geconcludeerd dat Griekenland de op hem uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM rustende verplichtingen niet eerbiedigt. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat aan de asielprocedure in Griekenland zodanige gebreken kleven dat moet worden geconcludeerd dat bij overdracht een risico bestaat dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen jegens haar niet zal nakomen. De staatssecretaris heeft in dit verband ook belang mogen hechten aan de uitdrukkelijke mededeling van de Griekse autoriteiten in het overnameakkoord dat de vreemdeling in staat gesteld zal worden een asielaanvraag in te dienen.
Pagina38-42
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8283
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 08-11-2007, 200706730/1
Citeertitel«JV» 2008/12
SamenvattingVreemdelingenbewaring, voortvarendheid onderzoek. Laissez-passer. Uitzetting.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / verloop uitzettingshandelingen Appellant klaagt terecht dat de rechtbank met de in de grief bestreden overweging niet heeft onderkend dat uit voormelde uitspraak van de Afdeling volgt dat bij de beoordeling van de vereiste voortvarendheid de individuele feiten en omstandigheden dienen te worden betrokken. De rechtbank had dan ook, nu een daartoe strekkende beroepsgrond was voorgedragen, in dit geval dienen te onderzoeken waarom een periode van dertien dagen noodzakelijk was voor het aanvangen van uitzettingshandelingen. [..] Hoewel niet is gebleken dat in dit geval de staatssecretaris op onderdelen van de uitzettingsprocedure niet sneller had kunnen handelen, is wat betreft het verloop van de hiervoor beschreven handelingen in zijn geheel evenwel geen sprake van een inbreuk op de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid, zodat geen grond bestaat de voortduring van de bewaring om die reden onrechtmatig te achten. Hoewel de klacht terecht is voorgedragen kan de grief derhalve niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.
AnnotatorP.J.A.M. Baudoin
Pagina42-44
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8315
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 08-11-2007, 200707153/1
Citeertitel«JV» 2008/13
SamenvattingVreemdelingenbewaring. Schadevergoeding. Bevoegdheid, vreemdelingenkamer. Ontvankelijkheid. Procesbelang.
Samenvatting (Bron)Procesbelang / opheffing vreemdelingenbewaring / schadevergoeding Appellant heeft beroep ingesteld tegen een maatregel, als bedoeld in artikel 93, eerste lid, van de Vw 2000. Gelet op artikel 94, eerste lid, is de rechtbank bevoegd in het kader van dit beroep tevens kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. De tekst van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 biedt geen grondslag voor het oordeel dat een beroep als bedoeld in artikel 94 van die wet vóór de opheffing van de maatregel van bewaring moet zijn ingediend. De opheffing heeft voorts niet tot gevolg dat de vrijheidsontnemende maatregel niet heeft bestaan, noch dat het gevolg van de maatregel met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt. De vreemdeling kan ook na de opheffing van de bewaring de rechtmatigheid daarvan laten toetsen. Mitsdien bestaat geen grond voor het oordeel dat appellant, in het licht van het bepaalde in voormeld artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000, geen procesbelang bij het beroep heeft. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Pagina45-46
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8314
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 09-11-2007, 200702675/1
Citeertitel«JV» 2008/14
SamenvattingGezinshereniging. Machtiging tot voorlopig verblijf, vereiste. Machtiging tot voorlopig verblijf, hardheidsclausule. Gezinsleven, inmenging.
Samenvatting (Bron)Mvv-vereiste / 8 EVRM Het tegenwerpen van het mvv-vereiste in een concreet geval zal, naar het oordeel van de Afdeling, slechts in uitzonderlijke gevallen schending van artikel 8 van het EVRM opleveren, nu de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel slechts tijdelijk van aard is. Het standpunt van de staatssecretaris hierover is door de rechtbank terecht getoetst. Of artikel 8 van het EVRM ook tot vergunningverlening zou moeten nopen, is daarbij, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2004 in zaak nr. 200403756/1 (JV 2004/432), nog niet aan de orde.
AnnotatorP. Boeles
Pagina46-50
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8353
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 12-11-2007, 200703579/1
Citeertitel«JV» 2008/15
SamenvattingTaalanalyse, contra-expertise. Termijn. Voornemenprocedure. Zienswijze. Burundi.
Samenvatting (Bron)Taalanalyse / opstarten contra-expertise / binnen termijn / ten onrechte geen uitstel verleend Bij voornoemde brief heeft de vreemdeling De Taalstudio een opdracht verleend om een contra-expertise uit te voeren. In deze brief heeft de vreemdeling geen enkel voorbehoud gemaakt met betrekking tot de verstrekking van de opdracht. De vreemdeling heeft ter zitting gesteld, en dat is door de staatssecretaris niet bestreden, dat de Taalstudio de opdracht slechts behoeft te aanvaarden en dat daarmede de overeenkomst tot stand komt. Gelet hierop en gelet op het feit dat de opdracht is gericht aan een wat het uitvoeren van taalanalyses betreft als deskundig bekend staand bureau, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de vreemdeling aldus binnen de door de minister gestelde termijn heeft aangetoond dat een contra-expertise is opgestart. [..] Nu de vreemdeling binnen de door de minister gestelde termijn heeft aangetoond dat een contra-expertise is opgestart maar hem geen uitstel voor het indienen van een zienswijze is verleend, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de vreemdeling als gevolg van hem niet toe te rekenen omstandigheden het rapport van de contra-expertise niet in het kader van de besluitvorming op de aanvraag heeft kunnen overleggen. Gelet hierop heeft de rechtbank het eerst in beroep overgelegde rapport van de contra-expertise in de beoordeling mogen betrekken.
Pagina50-52
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8491
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 12-11-2007, 200703870/1
Citeertitel«JV» 2008/16
SamenvattingVluchtelingenverdrag, exclusion clause. Ambtsbericht, individueel. Onmenselijke behandeling. Gezinsleven, gerechtvaardigde inmenging. Privé-leven. Irak.
Samenvatting (Bron)1F Vluchtelingenverdrag / onthouden verblijfsvergunning niet disproportioneel / bijzondere omstandigheden / terughoudende toets Het staat primair aan de staatssecretaris ter beoordeling of zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het onthouden van enige verblijfstitel zonder op voorzienbare termijn over te gaan tot uitzetting uit Nederland disproportioneel zou zijn. De rechtbank dient dit oordeel met terughoudendheid te toetsen. Dat de vreemdeling, naar gesteld, de inburgeringscursus al achter de rug heeft en de opleiding geneeskunde in Nederland bijna heeft afgerond, heeft de minister niet als een bijzondere omstandigheid die tot disproportionaliteit leidt hoeven aanmerken. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat aan de echtgenote en kinderen van de vreemdeling hier te lande een zelfstandige verblijfsvergunning asiel op de grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 is verleend, reeds omdat het niet verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling onverlet laat dat hij bij zijn gezin zal kunnen blijven. Wat betreft het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het EVRM, in het bijzonder het recht op respect voor het privé-leven voor zover ook omvattend de mogelijkheid tot beroepsuitoefening, overweegt de Afdeling dat dit recht niet zo ver strekt dat op grond daarvan toelating verleend moet worden aan een vreemdeling op wie de staatssecretaris artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag heeft toegepast. Het besluit is in het licht hiervan voldoende gemotiveerd. De grief slaagt.
Pagina52-55
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8500
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 13-11-2007, 200707439/1
Citeertitel«JV» 2008/17
SamenvattingVreemdelingenbewaring, zicht op uitzetting. Identiteit, vaststellen. Vertrekmoratorium. Guinee.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / Guinee / vertrekmoratorium / zicht op uitzetting De rechtbank heeft niet onderkend dat het voormelde vertrekmoratorium niet kan leiden tot het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt, zolang de nationaliteit van de vreemdeling niet is vastgesteld. De vraag of het vertrekmoratorium ten aanzien van Guinee op de vreemdeling van toepassing is, kan immers eerst worden beantwoord, nadat de Guinese autoriteiten hebben vastgesteld dat hij de Guinese nationaliteit heeft.
Pagina55-56
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8497
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 14-11-2007, 200702702/1
Citeertitel«JV» 2008/18
SamenvattingDublinverordening. Griekenland. Richtlijn. Non-refoulement. Ongewenstverklaring. Bewijslast.
Samenvatting (Bron)Griekenland / Dublin / non-refoulement / inschrijving in het Griekse Nationaal Register Ongewenste Vreemdelingen Uit een door de vreemdeling overgelegde vertaling van een besluit van de Chef van de Directie van de politie in Eboia van 5 juni 2006, waarin de registratie als ongewenst vreemdeling is vermeld, blijkt dat tevens is besloten de vreemdeling niet in bewaring te stellen omdat hij niet onder verdenking staat en hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. Onder die omstandigheden heeft de staatssecretaris in de registratie van de vreemdeling in het register geen concreet aanknopingspunt hoeven zien dat aanleiding geeft nader te onderzoeken of in dit geval voldoende verzekerd is dat Griekenland jegens de vreemdeling zal voldoen aan zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De staatssecretaris betoogt terecht dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het aan de vreemdeling was zijn stelling dat zijn registratie in het register betekent dat Griekenland toetsing aan het beginsel van non-refoulement achterwege zal laten, te staven. Nu de vreemdeling dat heeft nagelaten vormt die registratie geen concreet aanknopingspunt als vorenbedoeld. De grief slaagt.
Pagina56-58
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8502
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 15-11-2007, 200705643/1
Citeertitel«JV» 2008/19
SamenvattingRechtmatig verblijf. Slowakije. Procesbelang. Naturalisatie.
Samenvatting (Bron)Procesbelang / gemeenschapsonderdaan / verblijfsvergunning regulier De rechtbank had kunnen en moeten onderkennen dat appellant een belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep, reeds omdat één van de voorwaarden voor het verkrijgen voor naturalisatie de duur van het rechtmatig verblijf in Nederland is, en dat niet is uitgesloten dat het rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning regulier in dit geval eerder zou kunnen aanvangen dan het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
Pagina58-59
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8862
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 16-11-2007, 200705222/1
Citeertitel«JV» 2008/20
SamenvattingAanvraag, herhaalde. Nova. Richtlijn. Wijzing van recht. Azerbeidzjan.
Samenvatting (Bron)Herhaalde aanvraag / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / beoordeling gewapend conflict Alvorens artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn aan te kunnen merken als een voor de vreemdelingen relevante wijziging van het recht en de besluiten op de aanvragen te kunnen toetsen, had de rechtbank dan ook dienen te beoordelen of de vreemdelingen hebben aangetoond dat in Azerbeidzjan ten tijde van deze besluiten, anders dan de minister in deze besluiten heeft aangegeven, sprake was van een gewapend conflict, als vorenbedoeld. Deze beoordeling heeft zij evenwel niet verricht. Evenmin heeft de rechtbank beoordeeld of de vreemdelingen voor het overige in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben aangevoerd dan wel dat uit het aldus door hen aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hen relevante wijziging van het recht voordoet.
Pagina59-61
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8879
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 28-11-2007, 200701576/1
Citeertitel«JV» 2008/21
SamenvattingWet arbeid vreemdeling, bestuurlijke boete. Getuigen.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 24 oktober 2005 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) de vennootschap onder firma Cafetaria Het Smitje (hierna: Het Smitje) een boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd van 8.000 wegens het zonder tewerkstellingsvergunning hebben laten verrichten van arbeid door [vreemdeling].
Pagina61-63
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8933
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 28-11-2007, 200701909/1
Citeertitel«JV» 2008/22
SamenvattingAlleenstaande minderjarige vreemdeling, beëindiging leefgelden ex-ama's. Mediche noodsituatie. Opvang. Regeling opvang asielzoekers. Onderzoeksplicht.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 11 juli 2006 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de aan [appellant] verstrekte leefgelden op grond van de "Beleidsregels beëindiging verstrekking leefgelden aan ex-ama's" van 19 november 2004 (hierna: de beleidsregels) beëindigd.
Pagina63-66
UitspraakECLI:NL:RVS:2007:BB8943
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Roermond, 22-10-2007, AWB 06/852 VERWIJZINGSBESLISSING
Citeertitel«JV» 2008/23
SamenvattingPrejudiciële vragen. Associatieovereenkomst EEG-Turkije, Besluit 1/80. Gezinshereniging, verruimde. Verblijfsvergunning, intrekking.
Samenvatting (Bron)Prejudiciële vragen / art. 7 Associatiebesluit 1/80 In vervolg op het eerdere heropeningsbesluit van 6 juli 2007, waarbij de Meervoudige Kamer van zittingsplaats Roermond het voornemen kenbaar heeft gemaakt om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EG en partijen in de gelegenheid heeft gesteld om op die vragen te reageren, is bijgevoegde verwijzingsbeslissing van 22 oktober 2007 aan het Hof van Justitie verzonden. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de uitleg van artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 tussen de EG en Turkije. Volgens dit artikel hebben gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen, het recht om (..) te reageren op een arbeidsaanbod (dit impliceert het recht om in de lidstaat te verblijven), wanneer zij sedert ten minste drie jaar aldaar legaal wonen. De cruciale vraag is kort gezegd of een huwelijk van een gezinslid (de bij een Turkse werknemer inwonende dochter) een eind maakt aan het 'legaal wonen' van dat gezinslid, wanneer dat gezinslid na dat huwelijk bij haar ouders (lees de Turkse werknemer) blijft wonen.
Pagina66-75
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BB8257
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 24-10-2007, AWB 07/10337
Citeertitel«JV» 2008/24
SamenvattingAanvraag, herhaalde. Nova. Richtlijn. Wijziging van recht. AC-procedure. Bescherming autoriteiten. Nigeria.
Samenvatting (Bron)Herhaalde aanvraag / artikel 7 Definitierichtlijn / relevante wijziging van het recht / doeltreffend juridisch systeem Verweerder heeft eiseres in eerdere procedures tegengeworpen dat zij niet heeft aangetoond dat het bij voorbaat zinloos of gevaarlijk zou zijn om bescherming van de autoriteiten in te roepen. Partijen verschillen van mening over de vraag of dit criterium verschilt van het in artikel 7 van de Definitierichtlijn opgenomen criterium ten aanzien van de beschermingsmogelijkheden in het land van herkomst. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de aanwezigheid van een doeltreffend juridisch systeem niet garandeert dat een persoon tegen elke vervolging zonder meer de gewenste bescherming krijgt. Eiseres heeft dit ook niet gesteld. Echter, met het stellen van het vereiste van een doeltreffend juridisch systeem is een algemene voorwaarde geformuleerd, waaraan de door het land van herkomst te treffen redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade minimaal dienen te voldoen. Het tot nu toe gehanteerde criterium bevatte niet een dergelijk algemeen criterium. Een situatie, waarin niet op voorhand vaststaat dat het inroepen van bescherming van de autoriteiten zinloos is, maar tevens ernstig kan worden getwijfeld aan de doeltreffendheid van het juridische systeem, zou toetsend aan artikel 7 van de Definitierichtlijn tot een ander resultaat kunnen leiden dan toetsend aan het tot nu toe gehanteerde criterium. Er is derhalve sprake van een wijziging van het recht. Deze wijziging is voorts relevant voor eiseres, aangezien in rechte vaststaat dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nigeriaanse autoriteiten haar niet kunnen of willen beschermen, maar eiseres nadien diverse stukken heeft overgelegd op grond waarvan de aanwezigheid van een doeltreffend juridisch systeem zoals bedoeld in artikel 7 van de Definitierichtlijn in Nigeria kan worden betwijfeld. Nu er sprake is van voor eiseres relevant nieuw recht heeft verweerder het beroep van eiseres ten onrechte op grond van artikel 4:6 van de Awb afgewezen en binnen 48 uur in de AC-procedure afgedaan. Beroep gegrond.
Pagina75-79
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BB8107
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Utrecht, 26-10-2007, AWB 07/10368
Citeertitel«JV» 2008/25
SamenvattingVerblijfsvergunning, wijziging beperking. Voortgezet verblijf, verblijfsgat. Diplomatiek personeel.
Samenvatting (Bron)Voortgezet verblijf / verblijfsgat / geprivilegieerde status Eiser vraagt wijziging van de beperking verblijf bij partner in voortgezet verblijf. De rechtbank overweegt dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat niet voldaan wordt aan de voorwaarde dat eiser drie jaar hier te lande heeft verbleven als houder van een verblijfsvergunning. Er is sprake van een verblijfsgat waarin eiser beschikte over een geprivilegieerde status. De reden waarom een verblijfsgat is ontstaan is niet van belang. De rechtbank verwijst hiertoe naar een uitspraak van de ABRvS van 27 oktober 2003 (LJN: AN7547). De vraag of eiser destijds terecht in het bezit is gesteld van deze status en of deze door hem gewenst was, acht de rechtbank niet relevant, nu daaraan in dit kader geen consequenties verbonden kunnen zijn. Echter bij de beoordeling van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 3.52 Vb dient naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ratio van artikel 3.51 Vb, betekenis toe te komen aan de omstandigheid dat de relatie tussen eiser en zijn partner niet is verbroken en dat eiser wel degelijk rechtmatig in Nederland verbleef. Daarbij acht de rechtbank voorts van belang dat eiser in de periode dat hij in het bezit was van de geprivilegieerde status getracht heeft een verblijfsvergunning te verkrijgen op grond van de Vw. Deze aanvraag werd buiten behandeling gesteld, juist omdat eiser in het bezit was van de geprivilegieerde status. Dat eiser hiertegen geen rechtsmiddel heeft aangewend kan hem niet worden verweten, aangezien hij daarbij geen procesbelang had. Door voornoemde omstandigheden in het bestreden besluit niet in zijn overwegingen te betrekken heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 3.52 Vb. Beroep gegrond.
Pagina79-83
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BB7170
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Maastricht, 05-11-2007, AWB 07/3686
Citeertitel«JV» 2008/26
SamenvattingOngewensverklaring. Associatieovereenkomst EEG-Turkije, Besluit 1/80. Richtlijn. Rechtmatig verblijf. Duitsland. Gezinsleven, gerechtvaardige inmenging.
Samenvatting (Bron)Ongewenstverklaring / besluit 1/80 / rechtmatig verblijf in Duitsland / rechtspositie in Nederland De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiseres, als dochter van een Turkse werknemer, binnen de werkingssfeer van Besluit 1/80 valt in verband met eventuele toetsing aan het (communautaire) openbare ordebegrip. De rechtbank gaat ervan uit dat eiseres in Duitsland (lidstaat van ontvangst) rechtmatig verblijf heeft genoten op grond van artikel 7. Het is niet aan de Nederlandse autoriteiten om te bepalen of deze (verblijfs)rechten nog in stand zijn gebleven. Zelfs in zodanig geval wordt eiseres niet gevolgd in haar stelling dat deze rechten van invloed zijn op haar rechtspositie in Nederland. Uit geen van de bepalingen van Besluit 1/80 blijkt immers dat de hieraan ontleende rechten verder reiken dan het grondgebied van de betreffende lidstaat. In dit verband acht de rechtbank onder meer van belang een arrest van het Hof van 18 juli 2007, zaak C-325/05 (Derin). Van ongeoorloofde discriminatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Voorts kan eiseres geen geslaagd beroep doen op Richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. Geen schending van artikel 8 van het EVRM. Van eiseres mocht meer onderbouwing worden verwacht over de uitoefening van het gezinsleven met haar echtgenoot en zijn medische situatie. Mede gelet op de ernst van de gepleegde misdrijven belangenafweging niet onjuist. Weliswaar tweede generatie maar gezien de omstandigheden kan niet worden aangenomen dat zij in het geheel geen banden meer heeft met de Turkse samenleving. Ten aanzien van het familieleven met haar in Duitsland woonachtige dochter, behoefde verweerder geen positieve verplichting aan te nemen.
AnnotatorP. Boeles
Pagina83-92
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BB7841
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 17-09-2007, AWB 07/34303
Citeertitel«JV» 2008/27
SamenvattingToegang, weigering. Schengengrenscode. Visum. Voorlopige voorziening. Spoedeisend belang.
Samenvatting (Bron)Schengenvisum / toegangsweigering / zorgvuldigheid Vreemdelinge die in het bezit is van een schengenvisum wordt krachtens artikel 13 juncto 5 van de SGC de toegang tot Nederland geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De reden is dat zij niet in het bezit is van passende documentatie waaruit het doel en de omstandigheden van het verblijf blijken. Op de 18de dag is administratief beroep ingediend tegen de toegangsweigering en verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt verzoekster te behandelen als ware haar de toegang niet geweigerd. De zitting is op de 26ste dag. Het gemeenschapsrecht eist een effectieve rechtsbescherming, ook bij toegangsweigering. Die bescherming vraagt, gelet op het karakter van de toegangsweigering en artikel 13 van de SGC, om een snelle procedure leidend tot een oordeel over de rechtmatigheid van de toegangsweigering en een beslissing in beroep die de weigering ongedaan kan maken Er ligt in dit geval geen beslissing op het administratief beroep voor en dus ontbreekt toegang tot de rechter. Daarom dient de voorzieningenrechter de rechtmatigheidstoetsing van de eerste toegangsweigering zwaar te laten wegen, en minder zwaar de prognose op de uitkomst van het administratieve beroep. Hij zal zonodig een maatregel moeten treffen die de opheffing van de toegangsweigering benadert. Effectieve rechtsbescherming vereist dit, omdat de werking van de toegangsweigering onmiddellijk is en de gevolgen voor de geweigerde in verband met de plaats waar die wordt verricht ingrijpend zijn voor de geweigerde. Volgens artikel 7 van de SGC moest verzoekster bij de grenscontrole aan een grondige onderzoek worden onderworpen, waarbij het doel van het voorgenomen verblijf nauwgezet wordt onderzocht. De aldus vereiste zorgvuldigheid moet niet alleen beoogd illegale immigratie tegen te gaan, maar ook voorkomen dat bona fide toegangsvragers lichtvaardig worden geweigerd en onheus worden bejegend. De grenswachters hebben in dit geval die zorgvuldigheid niet betracht. Dit klemt te meer nu de Oostenrijkse autoriteiten aan verzoekster een visum hebben afgegeven. De omstandigheid dat verzoekster tijdens de asielprocedure na de toegangsweigering enigszins tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent het doel van haar reis, doet aan de onrechtmatigheid van de eerste toegangsweigering niet af. Om zoveel mogelijk een effectieve rechtsbescherming te benaderen wordt het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Die strekt er toe dat verzoekster wordt behandeld als ware haar de toegang niet geweigerd. Immers, de voorzieningenrechter kan niet beslissen op het administratief beroep, verweerder heeft tot op heden daarop geen besluit genomen, en verzoekster heeft een spoedeisend belang in verband met de ingrijpendheid van de toegangsweigering, haar grensdetentie en de geldigheidsdata van haar ticket en visum.
Pagina92-98
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BB8136
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 15-10-2007, AWB 06/41861
Citeertitel«JV» 2008/28
SamenvattingOnmenselijke behandeling. Bangladesh, Bihari. Motivering.
Samenvatting (Bron)Artikel 3 EVRM / Bangladesh / Bihari / Salah Sheekh / motivering Eiser, afkomstig uit Bangladesh, vreest bij terugkeer naar zijn land voor een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling van de zijde van de Bengaalse politie en/of gevangenbewaarders. Verweerder heeft overwogen dat eiser niet heeft voldaan aan het individualiseringsvereiste en derhalve zijn vrees onvoldoende heeft onderbouwd. Niet in geschil is dat eiser in zijn land van herkomst wordt verdacht van illegaal wapenbezit en zich, eenmaal op borgtocht vrijgelaten, niet heeft gehouden aan zijn meldplicht. Eveneens is niet in geschil dat eiser behoort tot een etnische minderheid: de Bihari. Uit het door eiser overgelegde rapport van Amnesty International uit 2000 komt naar voren dat in Bangladesh op grote schaal martelingen en mensenrechtenschendingen door de politie plaatsvinden, zonder dat hiertegen daadwerkelijk door de overheid wordt opgetreden. Voorts heeft eiser een rapport van Amnesty International overgelegd over de periode van januari 2003 tot en met december 2004, waaruit geen verbetering blijkt. Wel blijkt dat minderheden een bijzonder kwetsbare positie innemen. In het in beroep overgelegde World Report 2007 van Human Rights Watch over Bangladesh, wordt melding gemaakt van het feit dat in 2006 veel verdachten buitengerechtelijk zijn geëxecuteerd en dat overlijden in gevangenschap door gebruik van geweld door bewakers, veelal in afwachting van een proces, regelmatig voorkomt. Uit met name de uitspraak van het EHRM in de uitspraak inzake Salah Sheekh, rechtsoverweging 268 blijkt dat de omvang van het risico om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen van doorslaggevend belang is bij de boordeling van de vraag of sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De omvang van dit risico wordt niet enkel gemeten aan de hand van de mate waarin er sprake is van specifiek op de persoon gerichte acties (singled out). De algemene situatie waarin sprake is van willekeurig geweld moet eveneens worden betrokken bij de boordeling van het risico. Daarnaast heeft het EHRM in deze zaak benadrukt dat de beoordeling door de staat of er een risico op schending van artikel 3 EVRM bestaat deugdelijk en voldoende moet zijn onderbouwd aan de hand van informatie uit nationale bronnen of uit andere betrouwbare en objectieve bronnen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op ondeugdelijke wijze heeft gemotiveerd waarom eiser onder deze omstandigheden niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Verweerder heeft zijn betwisting van de in deze rapporten geschetste situatie op geen enkele wijze onderbouwd, bijvoorbeeld door te verwijzen naar een algemeen ambtsbericht. Van een deugdelijke en voldoende onderbouwing van het oordeel van de staat omtrent het risico van een schending van artikel 3 van het EVRM aan de hand van informatie uit nationale bronnen alswel uit andere betrouwbare en objectieve bronnen is dan ook geen sprake. Indien wordt uitgegaan van de in deze rapporten geschetste grote schaal waarop door de politie in Bangladesh verdachten worden gemarteld, waarbij minderheden extra kwetsbaar zijn, oordeelt de rechtbank dat eiser, nu niet is betwist dat hij inmiddels wordt verdacht van twee misdrijven, alsmede dat hij behoort tot de Bihari-minderheidsgroep, een reëel risico loopt bij terugkeer te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. In dat geval zal hij dan ook geen further distinguishing features hoeven aantonen.
Pagina98-103
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BB8127
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 09-11-2007, AWB 07/40322
Citeertitel«JV» 2008/29
SamenvattingVreemdelingenbewaring, zicht op uitzetting. Laissez-passer. China. Schadevergoeding.
Samenvatting (Bron)China / uitzettingsmogelijkheden / persoonsregistratiesysteem In het artikel Persoonsregistratie in China en zicht op uitzetting, in MR 2007, nr. 8, p. 316 e.v. van M. Collet en W.J. Jiang wordt de persoonsregistratie in China beschreven. Van ieder huishouden wordt door de lokale autoriteiten handgeschreven bijgehouden in een schrift of boek welk huis of appartement door wie wordt bewoond (het hukou-systeem). Periodiek wordt het hele boek overgeschreven om ruimte te maken voor nieuwe mutaties, waarbij namen van vertrokken personen worden weggelaten. De oude boeken worden vervolgens vernietigd. Anders dan thans zijdens verweerder is betoogd is het functioneren van het Chinese bevolkingsregister relevant voor de vraag of er zicht op uitzetting binnen afzienbare termijn bestaat in bewaringszaken van vreemdelingen, afkomstig uit China. Dit is immers een van de redengevende factoren geweest bij het bepalen van het algemene, actuele standpunt van verweerder dienaangaande. De rechtbank leidt dit af uit de uitspraak van de AbRS van 16 april 2007 (JV 2007, 242). In rechtsoverweging 2.1 is als betoog van verweerder opgenomen dat de Chinese autoriteiten over een uitgebreid bevolkingsregister beschikken. Hierdoor zou het voor de Chinese autoriteiten gemakkelijker zijn om een vreemdeling te traceren naarmate de vreemdeling meer juiste gegevens verstrekt. Nu in het voornoemde artikel van M. Collet en W.J. Jiang de functionaliteit en betrouwbaarheid van het Chinese persoonsregistratiesysteem in sterke mate wordt gerelativeerd, alsmede wordt gewezen op het onvermogen van veel Chinezen om de relevante gegevens te produceren, had verweerder zich - bijvoorbeeld aan de hand van deskundig advies - dienen te beraden op de vraag of deze informatie klopt en zo ja, wat daarvan de gevolgen zijn voor het zicht op uitzetting van in bewaring gestelde Chinezen. Verweerder heeft dit evenwel nagelaten, terwijl daartoe wel de gelegenheid heeft bestaan, nu bedoelde informatie aan verweerder was toegezonden. Voorts heeft verweerder, gelet op de bijzonderheden van het onderhavige geval zoals hiervoor weergegeven, onvoldoende weerlegd dat het onweersproken lange verblijf van eiser buiten China en het overlijden van eisers ouders negatieve gevolgen hebben voor de uitzettingsmogelijkheden van eiser, in het bijzonder in het licht van voornoemd artikel van M. Collet en W.J. Jiang.
Pagina104-106
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BB9901
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, 19-11-2007, AWB 07/20281 VRWET
Citeertitel«JV» 2008/30
SamenvattingVisum, kort verblijf. Garantstelling. Hoorplicht.

(X, van Indiase nationaliteit / Minister van Buitenlandse Zaken).
Pagina107-110
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 18-10-2007, AWB 07/35275
Citeertitel«JV» 2008/31
SamenvattingVoorlopige voorziening. Verblijfsbescheiden en verblijfsaantekeningen. Spoedeisend belang. Rechtmatig verblijf.
Samenvatting (Bron)Afgifte W2-document / artikel 3.3 Vv 2000 / vereiste van zeer bijzondere omstandigheden / onverbindendheid Afgifte W2-document aan vreemdeling met rechtmatig verblijf op grond van regulier aanvraag die niet in het bezit is van een paspoort. Artikel 3.3 van het Voorschrift Vreemdelingen (Vv) 2000 is mogelijk onverbindend. De oorspronkelijke tekst van artikel 4.21 lid 1 onder d van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de wijziging daarvan, als mede de toelichting daarop en de oorspronkelijke uitwerking in 3.5 van het Vv 2000 zijn duidelijk. De uitwerking in 3.3 van het Vv 2000, waarin dit document slechts in zeer bijzondere omstandigheden wordt toegekend aan vreemdelingen zonder paspoort en met procedureel rechtmatig verblijf, is daarmee niet in overeenstemming. Toewijzing voorlopige voorziening tot afgifte van dit document.
Pagina110-113
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BB8117
Artikel aanvragenVia Praktizijn