Jurisprudentie Vreemdelingenrecht

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie Vreemdelingenrecht
Datum 13-03-2008
Aflevering 4
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 29-01-2008, 13229/03
Citeertitel«JV» 2008/104
SamenvattingDetentie. Toegang, weigering. Aanvraag, asiel.

(Shayan Baram Saadi / The United Kingdom).
Samenvatting (Bron)No violation of Art. 5-1;Violation of Art. 5-2;Non-pecuniary damage - finding of violation sufficient
AnnotatorG.N. Cornelisse
Pagina393-418
UitspraakECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 31-01-2008, 31252/03
Citeertitel«JV» 2008/105
SamenvattingAanvraag, asiel. Uitzetting. Non-refoulement. Iran. Toetsing, marginale. Rechtsmiddel. Pardonregeling.

(Laleh Mir Isfahani / Nederland).
AnnotatorT.P. Spijkerboer
Pagina418-427
UitspraakECLI:CE:ECHR:2008:0131JUD003125203
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 19-12-2007, 200705182/1
Citeertitel«JV» 2008/106
SamenvattingOngewenstverklaring. Procesbelang. Ontvankelijkheid. Aanvraag, asiel.

(de Staatssecretaris van Justitie / de uitspraak in de zaken nrs. AWB 06/44726, e.a. van de rechtbank 's-Gravenhage, zp Haarlem, van 28 juni 2007).
AnnotatorB.K. Olivier
Pagina427-430
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 04-01-2008, 200705907/1
Citeertitel«JV» 2008/107
SamenvattingOngewenstverklaring, opheffing. Aanvraag, asiel. Onmenselijke behandeling.
Samenvatting (Bron)Ongewenstverklaring / tweede asielaanvraag / rechtmatig verblijf / aanvraag opheffing van de ongewenstverklaring / aard en ernst van het gepleegde misdrijf / 3 EVRM De vreemdeling is bij besluit van 25 maart 2005 krachtens artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst verklaard. Op 30 mei 2006 heeft de vreemdeling een tweede asielaanvraag ingediend. Vaststaat dat de vreemdeling zowel ten tijde van de ongewenstverklaring als ten tijde van het besluit van 11 oktober 2006 geen rechtmatig verblijf als bedoeld in voormeld artikelonderdeel had. Nu aan dit wettelijk vereiste is voldaan, was in zoverre, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen sprake van een bevoegdheidsgebrek. De omstandigheid dat nog niet was beslist op de tweede asielaanvraag van de vreemdeling kan daarin geen verandering brengen. [..] De minister heeft zich in het besluit van 11 oktober 2006, door te verwijzen naar het besluit van 3 mei 2006, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling aan het hiervoor vermelde paragraaf B1/2.2.4.5 van de Vc 2000, geen aanspraak op opheffing van de ongewenstverklaring kon ontlenen en daarbij het door de vreemdeling ingeroepen artikel 3 van het EVRM uitdrukkelijk betrokken. In aanmerking genomen dat de minister de vreemdeling niet is gevolgd in zijn stelling dat hij bij terugkeer in het land van herkomst een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien nader in te gaan op de aard en ernst van het door de vreemdeling gepleegde misdrijf. Onder die omstandigheden heeft de minister, anders dan de rechtbank heeft overwogen, door evenbedoeld aspect buiten beschouwing te laten het besluit van 11 oktober 2006 niet ontoereikend gemotiveerd.
AnnotatorB.K. Olivier
Pagina430-435
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC2487
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 11-01-2008, 200706198/1
Citeertitel«JV» 2008/108
SamenvattingAllenstaande minderjarige vreemdeling. Leeftijdsonderzoek. Motivering. Identiteit- en nationaliteitsvaststelling.

(de Staatssecretaris van Justitie / de uitspraak in zaak nr. AWB 06/27474 van de rechtbank 's-Gravenhage, zp Groningen, van 10 juli 2007).
AnnotatorP.A. Willemsen
Pagina435-438
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 11-01-2008, 200708177/1
Citeertitel«JV» 2008/109
SamenvattingVreemdelingenbewaring, lichter middel. Toetsing, marginale. Vreemdelingenbewaring, onttrekkingsgevaar. Vluchtelingenverdrag art 1F.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / lichter middel / marginale toetsing Aan de inbewaringstelling is ten grondslag gelegd dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert wegens het vermoeden van onttrekking aan uitzetting, omdat de vreemdeling niet over een identiteitspapier, als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 beschikt en hij ongewenst is verklaard. Gelet op deze gronden heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat de openbare orde de inbewaringstelling van de vreemdeling vorderde, omdat er aanwijzingen waren om te vermoeden dat hij zich aan zijn uitzetting zou onttrekken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 16 augustus 2005 in zaak nr. 200505443/1, JV 2005/396), dient de rechtbank indien gronden voor bewaring aanwezig zijn, het standpunt van de staatssecretaris of gelet op alle omstandigheden en het belang dat met de bewaring wordt gediend met een lichter middel kan worden volstaan terughoudend te toetsen. Door te overwegen dat de staatssecretaris in redelijkheid had moeten volstaan met de toepassing van een lichter middel, omdat de vreemdeling naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate het vermoeden heeft weerlegd dat hij zich aan zijn uitzetting zal onttrekken en zijn belangen bij invrijheidstelling zeer zwaar wegen, terwijl het door de staatssecretaris gestelde belang van de openbare orde naar het oordeel van de rechtbank moet worden gerelativeerd, heeft de rechtbank ten onrechte haar eigen oordeel voor dat van de tot dat oordeel bevoegde staatssecretaris in de plaats gesteld. Gelet op de gronden die aan de inbewaringstelling ten grondslag zijn gelegd, in het bijzonder de grond dat de vreemdeling ongewenst is verklaard wegens het bepaalde in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen grond kan worden gezien om van het opleggen van de maatregel van bewaring af te zien en het risico te aanvaarden dat de vreemdeling zich niet meer zou melden, zodra zijn uitzetting daadwerkelijk in zicht zou komen.
Pagina438-441
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC1866
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 11-01-2008, 200708756/1
Citeertitel«JV» 2008/110
SamenvattingVreemdelingenbewaring. Appčlverbod, doorbreking. Procesorde, beginselen van goede. Hoor en wederhoor. Fair trial.
Samenvatting (Bron)Doorbreking appčlverbod / schending beginsel van hoor en wederhoor / reactie op voortgangsrapportage niet in beoordeling betrokken De aangevallen uitspraak vermeldt dat de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld om na ontvangst van de door de staatssecretaris verstrekte gegevens hierop te reageren, maar dat hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt, waarna het onderzoek ter zitting achterwege is gebleven en het onderzoek is gesloten. Uit een door de griffier van de rechtbank opgemaakte telefoonnotitie van 11 december 2007 van een gesprek tussen de gemachtigde van de vreemdeling en genoemde griffier blijkt dat de reactie op de voortgangsrapportage van 30 november 2007 wel door de rechtbank is ontvangen, doch in een ander dossier is gevoegd en derhalve niet bij de beoordeling van het beroep is betrokken. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de uitspraak is gedaan met schending van het beginsel van hoor en wederhoor, zodanig dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces en de Afdeling van het hoger beroep kennis moet nemen, alhoewel de Vw 2000 daartoe geen grondslag biedt.
Pagina441-442
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC1865
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 14-01-2008, 200704756/1
Citeertitel«JV» 2008/110
SamenvattingAanvraag, herhaalde. Nova. Ambtsbericht. Onmenselijke behandeling. Somalië, Galgale.
Samenvatting (Bron)Somalië / Galgale bevolkingsgroep / 3 EVRM / Salah Sheekh / herhaalde aanvraag Uit deze ambtsberichten blijkt niet dat de Galgale bevolkingsgroep een minderheidsgroep is die zodanig kwetsbaar is, dat de leden ervan reeds op grond van het behoren tot die groep geen bescherming kunnen krijgen tegen ernstige mensenrechtenschendingen waarvan zij het doelwit zijn. Evenmin is ten aanzien van de vreemdeling vastgesteld dat hij in het verleden wegens het behoren tot de Galgale bevolkingsgroep onderworpen is geweest aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De vreemdeling diende om een geslaagd beroep op dat artikel te kunnen doen, derhalve verdere hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, waaruit blijkt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met dat artikel. Nu hij dit niet heeft gedaan, is op voorhand uitgesloten dat het aldus aangevoerde kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. Er is derhalve geen sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.
Pagina443-445
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC2490
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 14-01-2008, 200705629/1
Citeertitel«JV» 2008/112
SamenvattingProcesorde, beginselen van een goede. Beroep, aanvullende gronden. Reis- en identiteitspapieren. Hoger beroep, grievenstelsel. Kinderverdrag.
Samenvatting (Bron)Goede procesorde / gronden eerst in beroep / tijdig ingediend De klacht van de vreemdeling is terecht voorgedragen, in zoverre dat de rechtbank zijn beroep op het IVRK ten onrechte buiten de beoordeling van het besluit van 23 februari 2006 heeft gelaten. Deze aanvullende beroepsgrond is binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden aangevoerd en diende als tijdig ingediend te worden beschouwd. Bovendien heeft de rechtbank niet onderkend dat de desbetreffende beroepsgrond direct verband houdt met hetgeen de vreemdeling in de zienswijze heeft aangevoerd omtrent het toerekenbaar ontbreken van reispapieren en andere bescheiden. Gelet op het navolgende, kan de grief echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.
Pagina445-446
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC2492
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 15-01-2008, 200704688/1
Citeertitel«JV» 2008/113
SamenvattingGezinshereniging. Machtiging tot voorlopig verblijf, hardheidsclausule. Gezinsleven, inmenging. Afganistan. Pakistan.
Samenvatting (Bron)Mvv-vereiste / hardheidsclausule / Afghanistan / alleenstaande vrouwen met jonge kinderen / mvv-aanvraag in Pakistan De vraag of de veiligheidsrisico's die de vreemdeling stelt te lopen bij terugkeer naar Afghanistan tot toepassing van de hardheidsclausule aanleiding dienden te geven behoeft geen beantwoording, nu niet in geschil is dat het mogelijk is de benodigde mvv in Pakistan aan te vragen. De staatssecretaris heeft voorts met juistheid gesteld dat het aan de vreemdeling is om te onderbouwen dat en waarom zij niet in Pakistan zou kunnen verblijven en dat zij hierin niet is geslaagd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Pagina446-448
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC2489
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 22-01-2008, 200707217/1
Citeertitel«JV» 2008/114
SamenvattingAanvraag, asiel. Toetsing, marginale.
Samenvatting (Bron)Geloofwaardigheid asielrelaas / realiteitsgehalte vermoedens / positieve overtuigingskracht / marginale toets Zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2005 in zaak nr. 200504127/1 (ter voorlichting van partijen aangehecht) volgt, heeft de minister, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de beoordeling van het realiteitsgehalte van voormelde door de vreemdeling aan de feiten ontleende vermoedens terecht betrokken bij de boordeling van de vraag of van het asielrelaas positieve overtuigingskracht uitgaat.
Pagina449-451
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC3235
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 22-01-2008, 200708267/1
Citeertitel«JV» 2008/115
SamenvattingVreemdelingenbewaring, gronden. Aanvraag, asiel. Vreemdelingenbewaring, onttrekkingsgevaar. Vreemdelingenbewaring, voortvarendheid onderzoek.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / algemene bewaringsgronden / niet aan bewaring ten grondslag gelegde bezit van vals paspoort meegenomen in belangenafweging Deze gronden zijn door de vreemdeling niet bestreden. Dat zij, zoals de rechtbank heeft overwogen, van toepassing zijn op (vrijwel) iedere asielzoeker, maakt niet dat die gronden niet zonder nadere motivering kunnen dienen ter onderbouwing van het vermoeden dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken. [..] Dat niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd dat de vreemdeling in het bezit was van een vals paspoort, betekent niet dat de staatssecretaris daaraan in de door hem te maken belangenafweging geen gewicht heeft mogen toekennen.
Pagina451-453
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC2998
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 23-01-2008, 200706053/1
Citeertitel«JV» 2008/116
SamenvattingOngewenstverklaring. Motivering. Openbare orde. Gezinsleven, gerechtvaardigde inmenging. Toetsing, intensiteit van. Belangenafweging.
Samenvatting (Bron)Ongewenstverklaring / tijdsverloop tussen strafrechtelijke veroordeling en ongewenstverklaring Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juli 2007 in zaak nr. 200701709/1) kan tijdsverloop sinds een misdrijf op zichzelf niet met zich brengen dat de ongewenstverklaring voor onrechtmatig moet worden gehouden. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat naarmate meer tijd is verstreken sinds het tijdstip waarop een strafrechtelijke veroordeling onherroepelijk is geworden, hogere eisen aan de motivering van een ongewenstverklaring moeten worden gesteld. Derhalve is de rechtbank ten onrechte ingegaan op de vraag of de minister gedurende de door de vreemdeling na zijn strafrechtelijke veroordeling gevolgde verblijfsrechtelijke procedure op de mogelijkheid van een ongewenstverklaring heeft gewezen. De rechtbank heeft evenzeer ten onrechte overwogen dat de vreemdeling, nu de minister niet op die mogelijkheid heeft gewezen, er geen rekening meer mee behoefde te houden dat hij na al die tijd alsnog ongewenst zou worden verklaard.
Pagina454-456
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC3238
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 23-01-2008, 200708271/1
Citeertitel«JV» 2008/117
SamenvattingVreemdelingenbewaring, zicht op uitzetting. Medische situatie. Ophouding. Redelijke termijn.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / gezondheidstoestand Ter zitting bij de rechtbank, op 19 november 2007, heeft de staatssecretaris volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal verklaard dat hij drie weken na de inbewaringstelling, op 12 november 2007, heeft getracht de vreemdeling te horen, maar dat deze nog immer slecht aanspreekbaar bleek en de gestelde vragen niet tot hem leken door te dringen. Nu de vreemdeling ook na het verstrijken van de hiervoor in 2.1.1. genoemde termijn, ondanks de hem verstrekte medicatie, nog steeds niet of nauwelijks aanspreekbaar was en niet gebleken is dat sprake was van concrete aanwijzingen dat daarin binnen afzienbare tijd alsnog verandering zou komen, en in aanmerking genomen dat het bekend was dat de vreemdeling reeds jarenlang te kampen heeft met ernstige psychische klachten, heeft de staatssecretaris vanaf 12 november 2007 niet langer kunnen aannemen dat uitzetting van de vreemdeling binnen een daartoe redelijk te achten termijn mogelijk was. De bewaring was derhalve vanaf die datum onrechtmatig.
Pagina456-458
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC4384
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 28-01-2008, 200706384/1
Citeertitel«JV» 2008/118
SamenvattingAlleenstaande minderjarige vreemdeling, adequate opvang. Democratische Republiek Congo.
Samenvatting (Bron)Amv / opvangcentrum Don Bosco / niet vrijwillige terugkeer / voor risico vreemdeling Vastgesteld moet worden dat, mede met inachtneming van hetgeen onder 2.4 en 2.5 is overwogen, in het opvangcentrum Don Bosco adequate opvang voor de vreemdelingen beschikbaar is. Niet in geschil is, dat in het contract tussen het opvangcentrum en de IOM is vastgelegd dat de opvangcapaciteit ten behoeve van de uit Nederland teruggekeerde amv's uitsluitend beschikbaar is voor minderjarigen die op vrijwillige basis zijn teruggekeerd. Dat de vreemdelingen, naar zij stellen, niet vrijwillig naar de DRC zullen terugkeren, en daarmee ervoor kiezen geen gebruik van deze opvang te zullen maken, doet niet aan het vorenstaande af. Daarbij dient de keuze van de vreemdelingen om niet vrijwillig terug te keren, voor hun risico te komen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Pagina459-461
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC3683
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 30-01-2008, 200704019/1
Citeertitel«JV» 2008/119
SamenvattingWet arbeid vreemdelingen, bestuurlijke boete. Tewerkstellingsvergunning. Polen. Fair trail.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 27 januari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan Euro Aktief Uitzendbureau B.V. (hierna: Euro Aktief) een boete opgelegd van € 8.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Pagina462-465
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC3029
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 31-01-2008, 200705297/1
Citeertitel«JV» 2008/120
SamenvattingVerblijfsvergunning, intrekking. Ongewenstverklaring. Procesbelang. Kosten bestuurlijke voorprocedure. Rechtsbijstand. Bezwaar. Besluit, intrekking.
Pagina465-468
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 06-02-2008, 200705298/1
Citeertitel«JV» 2008/121
SamenvattingWet arbeid vreemdelingen, bestuurlijke boete. Tewerkstellingsvergunning.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 16 juni 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) de besloten vennootschap Uitzendburo Oranje B.V. (hierna: Oranje) een boete van € 8.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Pagina468-470
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC3644
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 20-02-2008, 200703261/1
Citeertitel«JV» 2008/122
SamenvattingWet arbeid vreemdelingen, bestuurlijke boete. Tewerkstellingsvergunning.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 20 februari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [wederpartij] een boete van € 16.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Pagina470-472
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC4700
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Breda, 07-12-2007, AWB 07/14228, 07/16271, 07/15239, 07/26145
Citeertitel«JV» 2008/123
SamenvattingRegeling bepaalde categorieën vreemdelingen. Pardonregeling. Kinderen, rechten van. Rechtmatig verblijf. Motivering.
Samenvatting (Bron)Rvb / pas op de plaats-beleid / geen rechtmatig verblijf / IVRK / zorgplicht Eisers zijn allen minderjarig en behoren tot (kinderen van) de categorie vreemdelingen die ogenschijnlijk voldoen aan de objectieve criteria van de Pardonregeling die op 15 juni 2007 als de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) in werking is getreden. Eisers hebben geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder g of h, Vw 2000 en evenmin op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, Vw 2000. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eisers zich materieel in een situatie bevinden die op één lijn te stellen is met de situatie als geschetst door de Centrale Raad van Beroep (hiena: CRvB) in de uitspraak van 24 januari 2006 (LJN: AV0197), waarin de CRvB heeft geoordeeld dat hoewel de Nederlandse Staat de kinderen van de desbetreffende vreemdelingen niet tot zijn grondgebied heeft toegelaten, hij welbewust heeft aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven en waaruit volgens de CRvB volgt dat de Nederlandse Staat welbewust een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht ten opzichte van die minderjarige vreemdelingen op zich heeft genomen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat op eisers het zogenaamde pas op de plaats-beleid van toepassing is als neergelegd in de brief van 7 december 2006 van de (toenmalige) Minister en als geaccordeerd in het kabinetsbesluit van 13 december 2006. Dit betekent dat, zoals de Staatssecretaris in het onderhavige geval ook heeft aangegeven, ten aanzien van eisers geen gedwongen uitzettingshandelingen worden verricht. Gedurende de periode waarin door de IND nog besloten moet worden of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Pardonregeling kan van hen in alle redelijkheid niet worden verwacht dat zij Nederland zelfstandig verlaten. Gelet op het kabinetsbesluit van 13 december 2006 dat het pas op de plaats-beleid zou blijven gelden tot aan het moment dat door de IND is vastgesteld of de desbetreffende vreemdeling al dan niet voldoet aan de voorwaarden van de Pardonregeling, is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval vanaf dat moment de onderhavige minderjarige vreemdelingen zijn komen te verkeren in een situatie die niet wezenlijk afwijkt van de situatie van de minderjarige vreemdelingen waarover de CRvB heeft geoordeeld dat de Nederlandse Staat jegens hen een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht heeft. Ook in de onderhavige gevallen heeft de Nederlandse Staat immers welbewust aanvaard dat minderjarige vreemdelingen, zoals eisers, gedurende een zekere periode in Nederland verblijven. Van belang is dat voor deze specifieke groep geldt dat het verblijf in de betreffende periode eerder vergelijkbaar is met legaal dan met illegaal verblijf en dat geen sprake is van een uitzichtloze maar afgebakende periode waarin eisers zich in deze situatie bevinden, te weten de tijd tot (ambtshalve) is beoordeeld of eisers onder de reikwijdte van de Pardonregeling vallen. De rechtbank ziet zich in zijn oordeel gesteund door de toelichting op de wijziging van artikel 2 van de Rvb, waarin de Minister van Justitie aangeeft dat hij zich de uit de hier besproken uitspraak van de CRvB voortvloeiende zorgplicht op grond van het IVRK heeft aangetrokken. Aangezien verweerder op grond van artikel 3 van de Wet COA de materiële en immateriële zorgtaken voor vreemdelingen opgedragen heeft gekregen, ligt het op de weg van verweerder om aan die zorgplicht uitvoering te geven. Verweerder heeft de verplichting die voor de Nederlandse Staat voortvloeit uit het IVRK ten aanzien van juist de specifieke categorie kinderen, waartoe eisers behoren, te beperkt uitgelegd en het had op de weg van verweerder gelegen om te beoordelen of eisers zich in een feitelijke situatie bevinden die vergelijkbaar is met de situatie als bedoeld door de CRvB. Door enkel te beoordelen of eisers voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb heeft verweerder de aan hem opgedragen zorgtaken te beperkt uitgevoerd. De bestreden besluiten zijn dan ook onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd en worden wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb vernietigd.
Pagina472-479
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BC2933
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank Arnhem, 21-01-2008, AWB 06/3175
Citeertitel«JV» 2008/124
SamenvattingWet arbeid vreemdelingenrecht, bestuurlijke boete. Tewerkstellingsvergunning.
Samenvatting (Bron)Wav-boete, matiging met (analoge) toepassing van artikel 15 IVBPR. Aan eiseres, een onderwijsinstelling is in 2005 een bestuurlijke boete opgelegd op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (WAV) van 152.000, omdat zij 19 buitenlandse studenten stage heeft laten lopen zonder tewerkstellingsvergunning (twv). Sinds 1 november 2006 heeft een vreemdeling die hier rechtmatig verblijf heeft onder de beperking studie geen twv meer nodig. 18 van de 19 studenten hadden ten tijde van hun stage rechtmatig verblijf onder de beperking studie. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de opgelegde boete te matigen tot 8000.
Pagina480-484
UitspraakECLI:NL:RBARN:2008:BC3401
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, 11-10-2007, AWB 07/33613
Citeertitel«JV» 2008/125
SamenvattingToegang, weigering. Vormvoorschriften, schending. Zelf in de zaak voorzien.
Samenvatting (Bron)Toegangsweigering / Schengengrenscode / verblijfstitel Eiser is op Schiphol aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Hem is de toegang geweigerd op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder e, Schengengrenscode (SGC). Eiser is volgens verweerder niet in strijd met artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, SGC de toegang ontzegd, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op doorreis was. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd met daarop betrekking hebbende stukken. Verweerder heeft in dit geval eiser de toegang niet tot Nederland kunnen ontzeggen. Eiser was bij zijn inreis in het bezit van een verblijfstitel, afgegeven door Spanje. Gezien het bepaalde in het vierde lid van artikel 5 SGC dient dan toegang met het oog op doorreis tot het grondgebied van de overige lidstaten te worden verleend. Het is daarbij niet vereist dat de houder van de verblijfstitel aannemelijk maakt dat hij zal doorreizen naar het grondgebied van de lidstaat waarvoor hij een verblijfstitel heeft, noch dat die doorreis onmiddellijk zal plaatsvinden. Voorts is niet voldaan aan de formele vereisten die door artikel 13 SGC worden gesteld aan toegangsweigering. De eis van schriftelijkheid is een vormvoorschrift over de wijze waarop de toegang moet worden geweigerd. In het bepaalde van artikel 13, tweede lid, SGC ligt een dermate essentiële rechtswaarborg besloten dat voor het in stand laten van het besluit en beoordeling van de vraag of eiser door schending van het vormvoorschrift is benadeeld, geen plaats is. Artikel 13, tweede lid, SGC laat geen ruimte om eventuele gebreken in het vormvoorschrift te herstellen in de administratieve beroepsfase.
Pagina484-487
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BC3296
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 27-12-2007, AWB 06/61503
Citeertitel«JV» 2008/126
SamenvattingAanvraag, herhaalde. Nova. Richtlijn. Afghanistan.
Samenvatting (Bron)Herhaalde aanvraag / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / sprake van binnenlands gewapend conflict / relevante wijziging van het recht De onderhavige asielaanvraag is de tweede asielaanvraag van eiser. Eisers eerste aanvraag is onherroepelijk afgewezen. Gelet op eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, in het licht van de onweersproken omstandigheden dat eiser Afghaan is, dat er in Afghanistan sprake is van een binnenlands gewapend conflict en dat eiser behoort tot de minderheid der Oezbeken, is er sprake van voor eiser relevant gewijzigd recht en is artikel 4:6 van de Awb niet van toepassing. Nu verweerder niet heeft getoetst aan artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn, slaagt eisers beroep reeds wegens een voorbereidings- en motiveringsgebrek op dit punt. De kern van het inhoudelijke geschil tussen partijen betreft de vraag welke betekenis toekomt aan de documenten die eiser in de onderhavige procedure heeft overgelegd, en of deze een zo bijzondere situatie opleveren dat op het eerdere oordeel in rechte moet worden teruggekomen. In onderhavige procedure heeft eiser onder meer een kopie van een verklaring van de Centrale Raad voor de Taliban Beweging overgelegd. In deze verklaring staat dat eiser door de Taliban de doodstraf opgelegd heeft gekregen wegens contra-Talibanactiviteiten. Vooropgesteld zij dat het risico te worden gedood door de Taliban vanwege hun onwelgevallige activiteiten een bijzondere situatie als hiervoor bedoeld kan opleveren. Evenzeer geldt echter dat een kopie van een document in beginsel niet toereikend is om een dergelijk risico zodanig overtuigend aan te tonen dat dit noopt tot het terugkomen op een eerder in rechte vaststaand oordeel. Eiser beschikt over niet meer dan een kopie. Gelet echter op de inhoud van deze verklaring en de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank aanleiding voor de volgende overwegingen. Niet in geschil is de door eiser gegeven toelichting waarom hij niet (langer) in het bezit is van het origineel. Met stukken onderbouwd en onweersproken is immers dat eisers familieleden als vluchtelingen in Iran verblijven en voorts staat vast dat zij de bewuste originele verklaring daar - met het oog op bescherming - aan de autoriteiten hebben overgelegd. Hoewel dit de onderzoeksmogelijkheden ten aanzien van (de kopie van) die verklaring ernstig beperkt, maakt het ontbreken van een origineel niet ieder zinnig onderzoek op voorhand onmogelijk. Niet is gesteld of gebleken dat de onderzoeksmogelijkheden door verweerder zijn uitgeput. Voor zover verweerder heeft willen betogen dat voor nader onderzoek geen aanleiding bestond, omdat de inhoud van deze verklaring strijdig is met hetgeen door eiser in zijn gehoren is verklaard, mist dit betoog feitelijke grondslag. De inhoud van deze verklaring laat zich immers logischerwijze rijmen met eisers asielrelaas. Voorts acht de rechtbank de omstandigheid dat de verklaring van de Taliban eerst drie jaar nadat eiser is gevlucht is uitgegeven - mede gelet op de machtswisselingen in Afghanistan- op zich zelf onvoldoende om de conclusie dat dit de verklaring reeds op voorhand ongeloofwaardig en/of irrelevant maakt te dragen. In dit licht bezien en gelet op de inhoud van de overgelegde documenten heeft verweerder, gelet op de vereisten van een zorgvuldige voorbereiding, niet zonder nader onderzoek betreffende de documenten en nadere, draagkrachtige motivering dienaangaande het standpunt kunnen innemen dat de overgelegde documenten niet afdoen aan het eerdere oordeel in rechte. Verweerder dient zich opnieuw te beraden over de vraag of er sprake is van een bijzondere situatie in vorenbedoelde zin.
Pagina488-494
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BC2221
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 02-01-2008, AWB 07/38065
Citeertitel«JV» 2008/127
SamenvattingOnderzoek ter zitting, schorsing. Prejudiciële vragen. Aanvraag, herhaalde. Nova. Richtlijn. Irak.
Samenvatting (Bron)Heropening onderzoek / schorsing / afwachten beantwoording prejudiciële vragen / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / ernstige individuele bedreiging / ongeloofwaardig asielrelaas De rechtbank heeft het onderzoek heropend en vervolgens geschorst in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn die door de AbRS bij uitspraak van 12 oktober 2007 zijn gesteld aan het HvJ EG. De tweede prejudiciële vraag van de AbRS is ruim geformuleerd. Het HvJ EG is met deze vraag in wezen verzocht zich uit te laten over de vraag hoe de te onderscheiden deelelementen van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn dienen te worden begrepen en toegepast. Eén van die deelelementen is het criterium ernstige individuele bedreiging. Eiser meent dat met zijn onbestreden herkomst uit Noord-Irak en Koerdische etniciteit, bezien in het licht van de situatie in Noord-Irak, voldaan is aan het criterium ernstige en individuele bedreiging. Verweerder meent dat dit niet zo is en dat een verband met het (overige) relaas van eiser dient te worden gelegd. De rechtbank is van oordeel dat het volgen van één van beide standpunten zou neerkomen op het invullen en duiden van genoemd deelelement uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en dat daarmee vooruit zou worden gelopen op de beantwoording van de prejudiciële vragen door het HvJ EG. De rechtbank acht het niet wenselijk om op een dergelijke wijze vooruit te lopen op beantwoording van de prejudiciële vragen. De rechtbank neemt hierbij met name in aanmerking dat, blijkens de onderdelen 1,2 en 7 van de Preambule van de Definitierichtlijn, één van de doelstellingen hiervan is de harmonisatie van bepalingen inzake de erkenning van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescherming te bewerkstelligen teneinde secundaire migratie van asielzoekers tussen de EU-lidstaten te beperken. Als eerstelijnsrechters in verschillende EU-landen hun eigen interpretaties en invullingen (blijven) geven aan (een) (deel)element(en) van het centrale artikel inzake de subsidiaire bescherming van de Definitierichtlijn, terwijl de hoger beroepsrechter over de betekenis en toepassing van dat/die (deel)element(en) vragen aanhangig heeft gemaakt bij het HvJ EG, ontstaat het risico dat er verschillende rechterlijke interpretaties en invullingen worden gegeven, en dat er van de Definitierichtlijn dan geen harmoniserende, maar integendeel, divergerende, werking zal uitgaan. Dat, in eisers eerste asielprocedure, het asielrelaas van eiser door verweerder ongeloofwaardig is geacht en dat dit standpunt van verweerder vervolgens is bevestigd door de rechtbank, leidt niet tot een ander oordeel. Van belang daarbij is naast de ruime formulering van de prejudiciële vragen, de omstandigheid dat ook in de zaak waarin de AbRS prejudiciële vragen heeft gesteld, sprake was van een door verweerder ongeloofwaardig geacht asielrelaas.
Pagina495-497
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2008:BC2973
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Roermond, 21-01-2008, AWB 07/33459
Citeertitel«JV» 2008/128
SamenvattingAssociatieovereenkomst EEG-Turkije, Besluit 1/80. Voorlopige voorziening.
Samenvatting (Bron)Artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 / werkzaamheden via uitzendbureau / dezelfde werkgever / dezelfde inlener Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij rechten kan ontlenen aan artikel 6 van voornoemd Associatiebesluit, nu zij voorafgaande aan het door verweerder gestelde peiljaar ook reeds arbeid heeft verricht. Deze arbeid heeft verweerder niet als arbeid in de zin van artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 opgevat, daar deze werkzaamheden via een uitzendbureau werden verricht. Er is immers geen sprake van een gezagsverhouding tussen de uitzendkracht en het uitzendbureau en er is in het licht van voornoemd artikellid mitsdien geen sprake van één werkgever, aldus verweerder. Bovendien is er tussen de uitzendkracht en de inlener volgens verweerder enkel sprake van een de facto werkgeverschap en niet van een de jure werkgeverschap. Daaraan doet, aldus verweerder, niet af dat verzoekster steeds bij dezelfde inlener werkzaam is geweest, bij wie zij vervolgens in vaste dienst is getreden. De voorzieningenrechter heeft gelet op het bepaalde in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek overwogen dat het (mogelijk) niet voorhanden zijn van een gezagsverhouding tussen het uitzendbureau en verzoekster, niet maakt dat er in het geval van verzoekster geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met het uitzendbureau en dat er mitsdien geen sprake is van één werkgever. Voorts heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat ervan mag worden uitgegaan dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen - gelet op de uitspraak van 26 oktober 2006 (JV 2007/1) - kennelijk (impliciet) van oordeel is dat er ook sprake is van dezelfde werkgever in de zin van artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 als een werknemer dezelfde arbeid verricht in hetzelfde bedrijf ook als dat bedrijf achtereenvolgens door verschillende ondernemingen is geëxploiteerd. Verzoekster heeft, zo overweegt de rechter verder, gedurende ettelijke jaren (met enige onderbrekingen) dezelfde arbeid verricht bij de inlener. Gelet hierop vermag de rechter op voorhand niet inzien dat mutatis mutandis dit voornoemde impliciete oordeel van het Hof over het begrip werkgever niet eveneens in het onderhavige geval van toepassing kan worden geacht. De rechter vermag verder vooralsnog niet in te zien dat in een situatie als die van verzoekster afbreuk zou worden gedaan aan de aan het bepaalde in artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 ten grondslag liggende gedachte, namelijk die van de geleidelijke integratie van Turkse onderdanen in de arbeidsmarkt van de diverse lidstaten waaronder Nederland. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt toegewezen in dier voege dat verweerder wordt opgedragen uitzetting van verzoekster achterwege wordt gelaten en verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid in loondienst op grond van artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 totdat op het bezwaarschrift van verzoekster van 27 augustus 2007 is beslist.
Pagina497-504
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2008:BC3495
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, 20-12-2007, AWB 07/26303, 07/26300
Citeertitel«JV» 2008/129
SamenvattingGezinshereniging. Verblijfsvergunning, wijziging beperking. Middelen van bestaan, duurzaamheid.
Samenvatting (Bron)Verblijfsvergunning regulier / duurzaamheid middelen van bestaan / aantonen normbedrag iedere afzonderlijke maand De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de toepasselijke wettelijke regelingen, noch uit het beleid kan worden opgemaakt dat voor de beoordeling van de duurzaamheid van het arbeidsverleden van referent het een vereiste is dat de inkomsten van referent iedere maand gelijk dienen te zijn aan het normbedrag van 120% van de bijstandsnorm. Uit het beleid vervat in B1/4.3.2. Vc blijkt dat verweerder dient te bezien of in de gehele periode van drie jaar een inkomen uit arbeid in loondienst is verworven gelijk aan de toepasselijke norm. Nu in het beleid in onderdeel B1/4.3.2 Vc tevens wordt vermeld Eigen aan flexibele arbeidsovereenkomsten is immers dat de hoogte van de inkomsten onregelmatig kan zijn acht de voorzieningenrechter het niet redelijk dat verweerder van referent verlangt dat hij aantoont iedere afzonderlijke maand het normbedrag te hebben verdiend. Beroep gegrond.
Pagina504-506
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BC3378
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Maastricht, 21-12-2007, AWB 07/27270
Citeertitel«JV» 2008/130
SamenvattingAanvraag, herhaalde. Nova. Wijziging van recht. Richtlijn. Voorlopige voorziening. Afghanistan.
Samenvatting (Bron)Toewijzing vovo / herhaalde aanvraag / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / relevante wijziging van het recht Verzoeker, afkomstig uit Afghanistan en behorend tot de Hazara bevolkingsgroep, heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend welke onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb werd afgewezen. Verzoeker beroept zich op nieuw beleid, neergelegd in de WBV's 2007/07, 2007/19 en 2007/33 en voorts op artikel 15c van de Definitierichtlijn en stelt dat hiermee sprake is van nieuw recht zodat de asielaanvraag inhoudelijk behandeld had moeten worden. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat artikel 15c van de Definitierichtlijn gezien dient te worden als een wijziging van het recht. De vraag of het een voor verzoeker relevante wijziging van het recht is, leent zich - gelet op het verstrekkende karakter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor beantwoording in de aanhangige procedure. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, inhoudende dat verzoeker de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten.
Pagina507-510
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BC2436
Artikel aanvragenVia Praktizijn