Jurisprudentie Vreemdelingenrecht

Uitgever Sdu
Tijdschrift Jurisprudentie Vreemdelingenrecht
Datum 05-04-2008
Aflevering 5
TitelEuropees Hof voor de Rechten van de Mens, 28-02-2008, 37201/06
Citeertitel«JV» 2008/131
SamenvattingUitzetting. Onmenselijke behandeling. Non-refoulement. Nationale veiligheid. Terrorisme (bestrijding). Bewijs, last. Tunesië.

(Nassim Saadi / Italië).
Samenvatting (Bron)Violation of Article 3 - Prohibition of torture (Article 3 - Expulsion) (Conditional) (Tunisia);Non-pecuniary damage - finding of violation sufficient
AnnotatorC.W. Wouters
Pagina517-553
UitspraakECLI:CE:ECHR:2008:0228JUD003720106
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelHof van Justitie EG, 24-01-2008, C-294/06
Citeertitel«JV» 2008/132
SamenvattingAssociatieovereenkomst EEG - Turkije, Besluit 1/80. Au pairs. Studie.

(Ezgi Payir, Burhan Akyuz, Birol Ozturk / Verenigd Koninkrijk).
Samenvatting (Bron)Arrest van het Hof (Derde kamer) van 24 januari 2008.#The Queen, op verzoek van Ezgi Payir, Burhan Akyuz en Birol Ozturk tegen Secretary of State for the Home Department.#Verzoek om een prejudiciele beslissing: Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) - Verenigd Koninkrijk.#Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Vrij verkeer van werknemers - Besluit nr. 1/80 van Associatieraad - Artikel 6, lid 1, eerste streepje - Werknemer die tot legale arbeidsmarkt behoort - Toelating als student of au pair - Gevolgen voor recht van verblijf.#Zaak C-294/06.
AnnotatorC.A. Groenendijk
Pagina553-562
UitspraakECLI:EU:C:2008:36
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 24-01-2008, 200705684/1
Citeertitel«JV» 2008/133
SamenvattingAanvraag, herhaalde. Nova. Formele rechtskracht. Irak.
Samenvatting (Bron)Herhaalde aanvraag / ambtshalve beoordeling / omvang gezag van gewijsde De beslissingen van 7 oktober 2005 zijn - evenals die van 23 augustus 2002 - materieel vergelijkbaar met de eerdere afwijzende beslissingen van 4 juni 1999. Dit betekent dat de rechtbank, anders dan zij in de aangevallen uitspraak heeft gedaan, alvorens de besluiten van 7 oktober 2005 te toetsen, diende te beoordelen of het onder 2.1.1. bedoelde beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van die besluiten. Derhalve had zij ambtshalve eerst moeten beoordelen of aan de aanvragen van 6 februari 2002 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Dat de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, in voormelde uitspraak van 12 augustus 2004 over de eerdere beslissingen op die aanvragen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangenomen, maakt dit niet anders. Omdat voormeld beoordelingskader een ambtshalve te beoordelen aspect betreft brengt het in de uitspraak van 12 augustus 2004 daaromtrent gegeven oordeel, ondanks dat tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingesteld, niet mee dat in de door de vreemdelingen tegen de besluiten van 7 oktober 2005 aangespannen procedure dit beoordelingskader niet dient te worden gevolgd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
AnnotatorP.A. Willemsen
Pagina562-563
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC3682
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 30-01-2008, 200702763/1
Citeertitel«JV» 2008/134
SamenvattingWav, bestuurlijke boete. Tewerkstellingsvergunning. Vrij verkeer van diensten.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 21 november 2005 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [wederpartij] een boete van € 24.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
AnnotatorM. Tjebbes
Pagina565-575
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC3078
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 30-01-2008, 200705780/1
Citeertitel«JV» 2008/135
SamenvattingAanvraag, asiel. Nepal. Formele rechtskracht. Motivering.
Samenvatting (Bron)Gezag van gewijsde / bindend oordeel over geloofwaardigheid asielrelaas Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter is geen hoger beroep ingesteld, zodat deze gezag van gewijsde heeft. Door te overwegen dat uit die uitspraak niet volgt dat tevens dient te worden uitgegaan van de juistheid van de andere stellingen van de vreemdeling, is de rechtbank er aan voorbij gegaan dat door de voorzieningenrechter al een bindend oordeel is gegeven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
Pagina575-576
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC3842
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 01-02-2008, 200706937/1
Citeertitel«JV» 2008/136
SamenvattingMachtiging tot voorlopig verblijf, vereiste. Vluchtelingenstatus, afgeleide. Gezinshereniging, nareiscriterium. Scheiding asiel-regulier.

(1. X, mede voor haar kind; 2. de Minister van Buitenlandse Zaken / de uitspraak in zaak nr. AWB 07/6982 van de rechtbank 's-Gravenhage, zp Breda, van 28 augustus 2007).
Pagina577-580
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 05-02-2008, 200705968/1
Citeertitel«JV» 2008/137
SamenvattingGezinshereniging. Machtiging tot voorlopig verblijf. Gezinsleven, inmenging. Gezinsleven, positieve verplichting. Rechtmatig verblijf. Vluchtelingenverdrag, exclusion clause.
Samenvatting (Bron)Afgifte mvv / afwijzing verblijfsvergunning regulier / 8 EVRM / geen inmenging Deze afwijzing strekt er niet toe de vreemdeling en haar dochter een verblijfstitel te ontnemen, die hen feitelijk tot uitoefening van het familie- of gezinsleven in Nederland in staat stelde, zodat dit besluit - anders dan de rechtbank heeft overwogen - geen inmenging vormt, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Dat de vreemdeling en haar dochter door de afgifte van een mvv, met het oog op gezinshereniging, in staat zijn gesteld om Nederland in te reizen teneinde een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf bij echtgenoot" aan te vragen, maakt dit niet anders. Zij voldeden - zoals in voormeld besluit is uiteengezet - immers niet aan de voorwaarden voor verlening van deze verblijfsvergunning, nu de echtgenoot geen Nederlander is en evenmin rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, heeft. Aan de afgifte van een mvv konden zij, mede in het licht van onderdeel B1/1.1.8 van de Vc 2000, dan ook niet zonder meer de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat de gevraagde verblijfsvergunning zou worden verleend. Aan het rechtmatig verblijf in afwachting van de besluitvorming inzake de desbetreffende aanvraag konden zij zodanige verwachting evenmin ontlenen. Nu de vreemdeling en haar dochter voorafgaand aan het besluit van 7 oktober 2004 niet over een verblijfsvergunning hebben beschikt, verschilt de thans aan de orde zijnde zaak in dit opzicht van de zaak, die tot voormelde uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2007 heeft geleid. De grief slaagt.
Pagina580-583
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC4386
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 12-02-2008, 200705353/1
Citeertitel«JV» 2008/138
SamenvattingAlleenstaande minderjarige vreemdeling. Traumata. Medische omstandigheden. Onmenselijke behandeling. Klemmende redenen humanitaire aard. Buitenschuldbeleid. Georgië.
Samenvatting (Bron)Medische toestand / uitzetting / 3 EVRM / psychische stoornis / ambtshalve verlening verblijfsvergunning regulier Anders dan de rechtbank heeft overwogen, biedt het arrest van 6 februari 2001 onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat in een geval waarin de betrokkene, zoals de vreemdeling, lijdt aan een psychische stoornis die niet is aan te merken als een aandoening in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium, niettemin vanwege die stoornis in zodanig uitzonderlijke omstandigheden kan verkeren dat uitzetting in strijd met artikel 3 EVRM is. Daarbij is in aanmerking genomen dat het EHRM in voormeld arrest bij zijn oordeel dat meergenoemd verdragsartikel niet was geschonden uitdrukkelijk heeft betrokken dat de psychische aandoening waaraan de desbetreffende vreemdeling lijdt weliswaar ernstig is, maar dat van uitzonderlijke omstandigheden als in het geval waarop zijn arrest van 2 mei 1997 betrekking heeft, geen sprake is. De bevoegdheid van de staatssecretaris om in afwijking van de in de artikelen 14, 20, 28 en 33 van de Vw 2000 neergelegde hoofdregel dat een verblijfsvergunning op aanvraag wordt verleend, ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, is in artikel 3.6 van het Vb 2000 begrensd tot de in het eerste lid van die bepaling genoemde dan wel op de voet van het tweede lid aangewezen beperkingen waaronder verblijf kan worden toegestaan. Nu voortgezet verblijf niet onder de in die bepaling genoemde beperkingen valt, noch bij ministeriële regeling als beperking is aangewezen, kon de staatssecretaris ambtshalve geen verblijfsvergunning op deze grond verlenen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Pagina583-586
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC4714
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 14-02-2008, 200800294/1
Citeertitel«JV» 2008/139
SamenvattingVreemdelingenbewaring, gronden. Vreemdelingenbewaring, onttrekkingsgevaar. Schadevergoeding.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / artikel 59, derde lid, van de Vw 2000 / belang bij een gecontroleerd vertrek Ter zitting van de rechtbank heeft de staatssecretaris gesteld dat hij in verband met het feit dat de vreemdeling van een misdrijf wordt verdacht zij heeft een vals biljet van 100,00 in het casino te Eindhoven aangeboden belang heeft bij een gecontroleerd vertrek van de vreemdeling uit Nederland. Het door de staatssecretaris gestelde belang kan er evenwel niet aan afdoen dat de vreemdeling in het bezit was van een geldig paspoort met visum voor de Benelux en een retourticket voor een vlucht van Brussel naar Guinee op 19 december 2007, en het, mede gezien haar verklaring dat zij in Nederland verbleef voor het doen van zaken met een met name genoemde firma, aldus in de rede lag dat de vreemdeling overeenkomstig haar verklaring op 19 december 2007 Nederland zou verlaten. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan de staatssecretaris redelijkerwijs geen geloof heeft hoeven hechten aan de verklaring van de vreemdeling dat zij Nederland op 19 december 2007 zou verlaten, is niet gebleken. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris, nu aan de voorwaarden van artikel 59, derde lid, van de Vw 2000 was voldaan, aan die bepaling toepassing had moeten geven. De bewaring is derhalve van aanvang af onrechtmatig geweest.
Pagina587-588
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC4719
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 20-02-2008, 200706613/1
Citeertitel«JV» 2008/140
SamenvattingOngewenstverklaring. Uitzetting. Buitenschulbeleid. Omvang van het geschil. Guinee.

(X / de uitspraak in zaak nr. AWB 06/54127 en AWB 06/54126 van de rechtbank 's-Gravenhage, zp Maastricht, van 14 augustus 2007).
Pagina589-590
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 22-02-2008, 200707176/1
Citeertitel«JV» 2008/141
SamenvattingAanvraag, herhaalde. Nova. Dublinverordeing. Griekenland. Documenten, authenticiteit van.

(1. X; 2. de Staatssecretaris van Justitie / de uitspraak in zaak nr. AWB 07/26193 en AWB 07/26196 van de rechtbank 's-Gravenhage, zp Zwolle, van 13 september 2007).
Pagina590-593
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 22-02-2008, 200707416/1
Citeertitel«JV» 2008/142
SamenvattingVreemdelingenbewaring. Gemeenschapsonderdaan. Schengen. Uitvoeringsovereenkomst. Reis- en identiteitspapieren. Schengengrenscode. Rechtmatig verblijf. Richtlijn.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / rechtmatig verblijf / derdelander / richtlijn 2004/38/EG / artikel 5 van de Schengengrenscode / artikel 21 van de SUO / vereisten Uit artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 3, aanhef en onder a, volgt dat de Schengengrenscode geen afbreuk doet aan de rechten inzake vrij verkeer van burgers van de Unie en hun familieleden. Derhalve dient bij grensoverschrijding door een onderdaan van een derde land, die familielid is van een burger van de Unie, eerst onderzocht te worden of op deze zogenoemde derdelander de Richtlijn van toepassing is. [..] Uit artikel 3, eerste lid, van Hoofdstuk 1, Algemene Bepalingen, van de Richtlijn, volgt dat een onderdaan van een derde land, die familielid is van een burger van de Unie, alleen dan een recht van inreis en verblijf aan de Richtlijn ontleent, indien hij samen met de burger van de Unie reist of alleen reist om zich bij de burger van de Unie in een andere lidstaat te voegen. De vreemdeling heeft niet gesteld dat hij samen met zijn echtgenote reist of dat hij alleen reist om zich bij zijn echtgenote, die in een andere lidstaat dan Zweden verblijft, te voegen. Evenmin bieden de op de zaak betrekking hebbende stukken aanknopingspunten dat zich één van deze situaties heeft voorgedaan. Nu zich geen situatie voordeed, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn, is deze, met name in dit geval artikel 5, vierde lid, niet op hem van toepassing. De vreemdeling heeft derhalve niet als derdelander die familielid is van een burger van de Unie, op basis van de Richtlijn een recht van inreis en verblijf en aldus rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Dat betekent dat op de vreemdeling, als derdelander, de Schengengrenscode van toepassing is en dat hij dient te voldoen aan de in artikel 5 van de Schengengrenscode en artikel 21 van de SUO gestelde vereisten om rechtmatig verblijf aan te nemen. Uit het proces-verbaal van staandehouding van 23 september 2007 blijkt dat de vreemdeling op die dag bij een controle in het kader van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen (hierna: MTV) is staande gehouden. Gegeven de wettelijke regeling, als hiervoor onder 2.1.4 weergegeven, was de vreemdeling verplicht om aan de ambtenaren belast met de grensbewaking op hun vordering een geldig document voor grensoverschrijding en een document, waaruit zijn verblijfsrecht voor Zweden bleek, te tonen om daarmee zijn identiteit, nationaliteit en rechtmatig verblijf in Nederland aan te tonen. De vreemdeling heeft bij de staandehouding een op zijn naam gesteld geldig Iraaks paspoort, maar geen document, als vorenbedoeld, getoond. Aldus heeft de vreemdeling niet aangetoond over een verblijfstitel voor Zweden te beschikken, zodat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, zakelijk weergegeven, dat de vreemdeling ten tijde van de inbewaringstelling voldeed aan de in artikel 5 van de Schengengrenscode en artikel 21 van de SUO gestelde vereisten en dat derhalve sprake was van rechtmatig verblijf. Nu voorts niet is gesteld dat de vreemdeling niet in de gelegenheid is gesteld zijn verblijfsrecht in Zweden aan te tonen, de staatssecretaris het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling in dat land voortvarend ter hand heeft genomen en de bewaring op 25 september 2007 onmiddellijk is opgeheven, nadat door het Gemeenschappelijk Grens Coördinatiepunt is bevestigd dat de vreemdeling een verblijfsvergunning voor Zweden heeft, bestaat geen grond voor het oordeel dat de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd was en om die reden van meet af aan onrechtmatig moet worden geacht.
Pagina593-598
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC5224
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 22-02-2008, 200707416/1
Citeertitel«JV» 2008/143
SamenvattingVreemdelingenbewaring. Aanvraag, asiel. Dublinverordening. Belangenafweging. Toetsing, marginale.
Samenvatting (Bron)Vreemdelingenbewaring / rechtmatig verblijf / derdelander / richtlijn 2004/38/EG / artikel 5 van de Schengengrenscode / artikel 21 van de SUO / vereisten Uit artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 3, aanhef en onder a, volgt dat de Schengengrenscode geen afbreuk doet aan de rechten inzake vrij verkeer van burgers van de Unie en hun familieleden. Derhalve dient bij grensoverschrijding door een onderdaan van een derde land, die familielid is van een burger van de Unie, eerst onderzocht te worden of op deze zogenoemde derdelander de Richtlijn van toepassing is. [..] Uit artikel 3, eerste lid, van Hoofdstuk 1, Algemene Bepalingen, van de Richtlijn, volgt dat een onderdaan van een derde land, die familielid is van een burger van de Unie, alleen dan een recht van inreis en verblijf aan de Richtlijn ontleent, indien hij samen met de burger van de Unie reist of alleen reist om zich bij de burger van de Unie in een andere lidstaat te voegen. De vreemdeling heeft niet gesteld dat hij samen met zijn echtgenote reist of dat hij alleen reist om zich bij zijn echtgenote, die in een andere lidstaat dan Zweden verblijft, te voegen. Evenmin bieden de op de zaak betrekking hebbende stukken aanknopingspunten dat zich één van deze situaties heeft voorgedaan. Nu zich geen situatie voordeed, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn, is deze, met name in dit geval artikel 5, vierde lid, niet op hem van toepassing. De vreemdeling heeft derhalve niet als derdelander die familielid is van een burger van de Unie, op basis van de Richtlijn een recht van inreis en verblijf en aldus rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Dat betekent dat op de vreemdeling, als derdelander, de Schengengrenscode van toepassing is en dat hij dient te voldoen aan de in artikel 5 van de Schengengrenscode en artikel 21 van de SUO gestelde vereisten om rechtmatig verblijf aan te nemen. Uit het proces-verbaal van staandehouding van 23 september 2007 blijkt dat de vreemdeling op die dag bij een controle in het kader van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen (hierna: MTV) is staande gehouden. Gegeven de wettelijke regeling, als hiervoor onder 2.1.4 weergegeven, was de vreemdeling verplicht om aan de ambtenaren belast met de grensbewaking op hun vordering een geldig document voor grensoverschrijding en een document, waaruit zijn verblijfsrecht voor Zweden bleek, te tonen om daarmee zijn identiteit, nationaliteit en rechtmatig verblijf in Nederland aan te tonen. De vreemdeling heeft bij de staandehouding een op zijn naam gesteld geldig Iraaks paspoort, maar geen document, als vorenbedoeld, getoond. Aldus heeft de vreemdeling niet aangetoond over een verblijfstitel voor Zweden te beschikken, zodat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, zakelijk weergegeven, dat de vreemdeling ten tijde van de inbewaringstelling voldeed aan de in artikel 5 van de Schengengrenscode en artikel 21 van de SUO gestelde vereisten en dat derhalve sprake was van rechtmatig verblijf. Nu voorts niet is gesteld dat de vreemdeling niet in de gelegenheid is gesteld zijn verblijfsrecht in Zweden aan te tonen, de staatssecretaris het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling in dat land voortvarend ter hand heeft genomen en de bewaring op 25 september 2007 onmiddellijk is opgeheven, nadat door het Gemeenschappelijk Grens Coördinatiepunt is bevestigd dat de vreemdeling een verblijfsvergunning voor Zweden heeft, bestaat geen grond voor het oordeel dat de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd was en om die reden van meet af aan onrechtmatig moet worden geacht.
Pagina598-600
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC5224
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 27-02-2008, 200704542/1
Citeertitel«JV» 2008/144
SamenvattingNaturalisatie. Polygamie. Beroep, gronden. Gemeentelijke basisadministratie. Legalisatie en verificatie. Bewijslast. Motivering. Marokko.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 19 april 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie met ingang van 1 april 2003 het besluit van 8 september 1999, waarbij aan [wederpartij] het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.
Pagina600-604
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC6036
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 27-02-2008, 200705427/1
Citeertitel«JV» 2008/145
SamenvattingSchadevergoeding. Legalisatie en verificatie. Besluit. Bezwaar. Ontvankelijkheid.
Samenvatting (Bron)Bij brief van 21 april 2005 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) het verzoek van 26 oktober 2004 van [appellante] om schadevergoeding afgewezen.
Pagina604-605
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC5240
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 29-02-2008, 200704608/1
Citeertitel«JV» 2008/146
SamenvattingBesluit, niet tijdig. Bezwaar. Ontvankelijkheid. Beroep. Proceskosten. Horen, in bezwaar.
Samenvatting (Bron)Procesbelang / niet tijdig nemen besluit / vergoeding griffierecht / proceskostenveroordeling Met het indienen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kon alleen worden bereikt dat alsnog een besluit zou worden genomen op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar. Ten tijde van de aangevallen uitspraak had de staatssecretaris dit gedaan. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij desondanks nog belang heeft bij gegrondverklaring van het door haar op 1 maart 2007 ingestelde beroep, zodat de voorzieningenrechter op juiste gronden dit beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet ontvankelijk heeft verklaard. [..] Het enkele feit dat niet tijdig op het bezwaar was beslist, hoefde voor de voorzieningenrechter geen aanleiding te vormen om vergoeding van het griffierecht te gelasten. De vreemdeling klaagt terecht dat de voorzieningenrechter de staatssecretaris ten onrechte niet in de proceskosten heeft veroordeeld. Nu de vreemdeling beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit en dit niet te vroeg is ingesteld, is de staatssecretaris door het nemen van het besluit van 13 maart 2007 aan de vreemdeling tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De voorzieningenrechter heeft derhalve ten onrechte geen termen aanwezig geacht om toepassing te geven aan artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.
Pagina606-608
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC6615
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 05-03-2008, 200704304/1
Citeertitel«JV» 2008/147
SamenvattingWav, bestuurlijke boete. Tewerkstellingsvergunning. Vrij verkeer van diensten. Polen. Zelf in de zaak voorzien.
Samenvatting (Bron)Bij besluit van 17 februari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan de [appellante] een boete van € 16.000 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Pagina609-613
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC5807
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRaad van State, 06-03-2008, 200409217/1-A
Citeertitel«JV» 2008/148
SamenvattingArbeid, als zelfstandige. Machtiging tot voorlopig verblijf, vereiste. Associatieovereenkomst EEG- Turkije. Standstill-bepaling.
Samenvatting (Bron)Mvv-vereiste / beperking / standstill-clausule / Associatieovereenkomst EEG-Turkije / arrest Tum & Dari Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de vreemdeling hier te lande voorafgaand aan de door hem op 17 juni 2003 ingediende aanvraag om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige te verlenen, rechtmatig verblijf op grond van een verblijfstitel heeft gehad. Derhalve dient de door de vreemdeling ingediende aanvraag te worden aangemerkt als een eerste toelating, als bedoeld in voormeld arrest. Deze aanvraag is afgewezen, reeds omdat hij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd. Dit vereiste is een voorwaarde voor de eerste toelating. De minister kan niet worden gevolgd in het betoog dat artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol niet dient ter bescherming van een illegale situatie. Dit standpunt is ook in de door het Verenigd Koninkrijk bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen ingenomen, zoals weergegeven in punt 35 tot en met 37 van het arrest Tum & Dari, maar in punt 60 tot en met 63 van dat arrest door het Hof verworpen. Uit punt 63 van voormeld arrest volgt derhalve dat, voor zover thans van belang, artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol van toepassing is op deze door de vreemdeling ingediende aanvraag, ook al is in dit geval sprake van een eerste toelating. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend protocol niet van toepassing is in het geval van een vreemdeling, die zonder te beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf Nederland is binnengekomen en arbeid als zelfstandige wil verrichten. Uit punt 69 van voormeld arrest volgt dat onder een beperking van de uitoefening van de vrijheid van vestiging, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, ook dienen te worden verstaan de materiële en/of procedurele voorwaarden inzake de eerste toelating. Dat betekent dat het vereiste om te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd, ook al zou moeten worden aangenomen dat het, zoals de minister heeft betoogd, hier gaat om een formeel vereiste, dat dient te worden beschouwd als een stelsel van voorafgaande controle teneinde illegaal verblijf te voorkomen, een vereiste is dat onder de werkingssfeer van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol valt. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de voorzieningenrechter er terecht vanuit is gegaan dat het vereiste om te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd, een beperking is in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. [..] Het vereiste om te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf is dus met ingang van 1 april 2001 aangescherpt, omdat een op of na die datum door een vreemdeling, van Turkse nationaliteit, ingediende aanvraag om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige te verlenen, reeds wegens het ontbreken van zodanige machtiging en zonder een inhoudelijk onderzoek naar de vraag of hij overigens voor de vereisten voor verlening van deze verblijfsvergunning voldoet, wordt afgewezen. Deze aanscherping is een nieuwe beperking in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol die in situaties waarin deze bepaling van toepassing is, buiten toepassing dient te worden gelaten. Gelet op punt 55 van het arrest Tum & Dari, had de minister derhalve de door de vreemdeling op 17 juni 2003 ingediende aanvraag om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige te verlenen dienen te beoordelen aan de hand van de wettelijke voorschriften, zoals die op 1 januari 1973 golden en zoals deze werden uitgelegd door de toenmalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State.
Pagina613-618
UitspraakECLI:NL:RVS:2008:BC6595
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Assen, 17-01-2008, AWB 07/35612
Citeertitel«JV» 2008/149
SamenvattingOnmenselijke behandeling. Sri Lanka. Categoriaal beschermingsbeleid. Verblijfsalternatief, binnenlands. Motivering.
Samenvatting (Bron)Tamils risicogroep / vrees voor vervolging / art. 3 EVRM / vlucht- of vestigingsalternatief De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verweerder het beleid voert dat Tamils een kwetsbare groep zijn in de zin van hoofdstuk C14/4.5 Vc 2000. Wel blijkt uit WBV 2007/32, dat een Tamil, indien hij aannemelijk maakt dat hij door de Sri Lankaanse autoriteiten wordt verdacht van banden met de LTTE, in aanmerking kan komen voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw 2000. Blijkens het landgebonden asielbeleid wordt de veiligheidssituatie in het noorden en het oosten van Sri Lanka dermate onveilig geacht, dat de terugzending van Tamils naar deze delen van het land niet opportuun is. Tamils uit het noorden en oosten hebben evenwel een verblijfsalternatief elders in het land. Kennelijk wordt ten aan aanzien van het noorden en het oosten van Sri Lanka een beleid van categoriale bescherming gevoerd, maar wordt aan Tamils een verblijfsalternatief tegengeworpen. Voornoemd WBV geeft ook aanleiding voor die conclusie. Voor zover verweerder aan eiser een vlucht- of vestigingsalternatief heeft tegengeworpen, heeft verweerder dit naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende gemotiveerd. In dit verband wijst de rechtbank naar Hoofdstuk C4/2.2.2. Vc 2000 waar staat dat bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief, rekening wordt gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder voornoemd beleid heeft betrokken bij het bestreden besluit. Beroep gegrond.
Pagina618-622
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2008:BC3242
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 20-02-2008, AWB 07/10646
Citeertitel«JV» 2008/150
SamenvattingMachtiging tot voorlopig verblijf, vereiste. Gezinshereniging, verruimde. Richtlijn.
Samenvatting (Bron)Gezinshereniging met meerderjarig kind / Richtlijn 2003/86/EG / art. 8 EVRM Eiseres heeft een mvv aangevraagd met als doel verblijf bij ouder in het kader van verruimde gezinshereniging. Verweerder heeft deze aanvraag op goede gronden afgewezen. In hetgeen eiseres ter onderbouwing van haar beroep op artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn heeft aangevoerd, ziet de rechtbank thans geen aanleiding voor een andersluidend oordeel dan dat van de meervoudige kamer van de rechtbank in haar uitspraak van 4 augustus 2006 (AWB 05/53913), waarin onder andere is geoordeeld dat artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn een facultatief karakter heeft. Voor zover eiseres met haar beroep op artikel 3, vijfde lid, van de Richtlijn zich op het standpunt stelt dat de Richtlijn minimumnormen geeft, volgt de rechtbank haar daarin niet. Ingevolge dit artikel laat de Richtlijn de mogelijkheden van lidstaten om gunstigere bepalingen vast te stellen of te handhaven onverlet. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit dit artikel niet worden afgeleid dat deze bepaling ook geldt voor de situatie dat een lidstaat besluit een facultatieve bepaling, zoals artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn, niet te implementeren. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het beroep van eiseres op artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn. Vervolgens is aan de orde de vraag in hoeverre eiseres aanspraak kan maken op verlening van een mvv op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiseres heeft gesteld dat sprake is van more than the normal emotional ties tussen haar en referente, haar moeder. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van more than the normal emotional ties tussen volwassen familieleden een aantal factoren van belang. Deze factoren betreffen de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst. Ter onderbouwing daarvan heeft zij het volgende aangevoerd. Eiseres is chronisch depressief en staat onder behandeling van een psychiater. Haar psychische problemen zijn begonnen na het vertrek van referente en haar twee jongste kinderen naar Nederland en verergerd door het overlijden van haar vader en het vertrek van haar broer naar Nederland, waardoor zij alleen in Marokko achterbleef. Zij is er zo slecht aan toe dat zij geen opleiding kan volgen, niet kan werken en zichzelf niet kan verzorgen. Zij is moreel en financieel geheel van haar moeder afhankelijk. Eiseres en referente onderhouden dagelijks contact via MSN. De tante bij wie eiseres in huis woont kan haar niet steunen omdat zij zelf oud en ziek is. Bovendien moet die tante ook zorgen voor één van haar twee nog thuiswonende kinderen, die lichamelijk gehandicapt is. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiseres lijdt aan een depressie. Uit de verklaring van de psychiater van 16 mei 2007 blijkt dat de depressie de laatste tijd is verergerd en dat eiseres kampt met wanhoopsgevoelens en suďcidale gedachten. Voorts heeft de behandelend psychiater aangegeven dat eiseres ondanks haar leeftijd mentaal niet zelfstandig is en steun nodig heeft van haar familie, in het bijzonder haar moeder. Mede gelet op deze verklaring van de psychiater van eiseres acht de rechtbank zonder meer aannemelijk dat eiseres gelet op haar psychische omstandigheden de steun nodig heeft van referente. Hiermee is echter nog geen sprake van more than the normal emotional ties tussen eiseres en referente. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit hetgeen eiseres heeft gesteld, noch uit de overgelegde verklaringen van de psychiater concreet naar voren is gekomen welke zorg eiseres precies nodig heeft en of uitsluitend referente die zorg op zich kan nemen. Wat de samenwoning van eiseres betreft, is van belang dat zij in huis woont bij een tante en twee van haar kinderen. Ten aanzien van de financiële afhankelijkheid overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat referente financieel voor een belangrijk deel in het onderhoud van eiseres voorziet. Ook wat de emotionele afhankelijkheid betreft heeft eiseres haar gestelde dagelijkse contact met haar moeder op geen enkele wijze onderbouwd. Ten aanzien van de banden met het land van herkomst overweegt de rechtbank dat eiseres in Marokko is geboren en getogen en aldaar haar lagere en middelbare schoolopleiding heeft afgerond. Naast de familie bij wie eiseres inwoont, zijn er ook nog andere familieleden die in de nabijheid van eiseres wonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het voorgaande terecht overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen haar en referente sprake is van more than the normal emotional ties. Nu geen sprake is van more than the normal emotional ties tussen eiseres en referente is evenmin sprake van door artikel 8 van het EVRM beschermd familie- of gezinsleven. Het bestreden besluit levert dan ook geen schending op van dit artikel. Beroep ongegrond.
Pagina622-629
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2008:BC5144
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Rotterdam, 20-02-2008, AWB 07/26522
Citeertitel«JV» 2008/151
SamenvattingLeges. Richtlijn. Buitenbehandelingstelling.
Samenvatting (Bron)Buiten behandeling stelling / EG-verblijfsvergunning / richtlijn 2003/109 EG / geen wettelijke basis voor het heffen van leges Eiser is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en heeft op 26 juni 2006 een aanvraag ingediend tot afgifte van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene als bedoeld in artikel 8 van de Richtlijn 2003/109/EG. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser niet de verschuldigde leges van 201,00 heeft voldaan. Eiser is van mening dat het heffen van leges in strijd is met het nationale recht, nu ten tijde van de aanvraag een wettelijke basis daarvoor ontbrak. Voorts is eiser van mening dat het heffen van leges in strijd is met de richtlijn. De rechtbank is van oordeel dat op het moment van de aanvraag geen wettelijke basis, als bedoeld in artikel 104 van de Grondwet, bestond voor het heffen van leges. Eerst op 18 januari 2007 is het gewijzigde artikel 3.34g van het VV 2000 in werking getreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve ten onrechte leges geheven, nu een wettelijke grondslag daarvoor ontbrak. Aan de vraag of het heffen van leges in strijd is met de richtlijn, komt de rechtbank niet toe. Het beroep wordt gegegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd en de bip wordt, zelf in de zaak voorziend, herroepen.
Pagina629-632
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2008:BC4884
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats 's-Gravenhage, 21-02-2008, AWB 06/14608
Citeertitel«JV» 2008/152
SamenvattingUitzetting. Onrechtmatige daad. Schadevergoeding. Turkije.
Samenvatting (Bron)Onrechtmatige overheidsdaad / schadevergoeding / onrechtmatige uitzetting / relativiteitsvereiste / beoordeling schadeposten Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding in verband met onrechtmatige besluitvorming dient, aangezien de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen materiële criteria geeft ter bepaling van de schade, aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht en de jurisprudentie van de burgerlijke rechter over de gevolgen van, met name, door de bestuursrechter vernietigde overheidsbeslissingen. Daaruit komen onder meer de volgende criteria naar voren: - er moet sprake zijn van een daad van de overheid;
Pagina632-637
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2008:BC5104
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 21-02-2008, AWB 06/61889, 07/9601, 07/9602
Citeertitel«JV» 2008/153
SamenvattingAanvraag, indiening. Aanvraag, herhaalde. Opvang. Regeling verstrekkingen asielzoekers. Discriminatie.
Samenvatting (Bron)Recht op opvang / 14-brief / artikel 2, zesde lid, van de Rva 2005 / strijd met artikel 1 van de Grondwet Het COA heeft het verzoek van eisers hun opvang en voorzieningen te verstrekken afgewezen. De door eisers ingediende 14-1 brief is door de Minister als een herhaalde asielaanvraag aangemerkt. Met ingang van 1 januari 2006 worden ingevolge de Rva 2005 ook opvang en voorzieningen verstrekt aan vreemdelingen die een herhaalde asielaanvraag indienen, als die niet in de aanmeldcentrumprocedure wordt afgedaan. Ingevolge artikel 2, zesde lid, van de Rva 2005 ontstaat er geen recht op opvang indien een asielaanvraag is ingediend door middel van een 14-1 brief en staat een aanvraag ingediend door middel van een 14-1 brief, waarop nog niet is beslist, niet in de weg aan de beëindiging van de voorzieningen. De vraag is of dit verschil in behandeling gerechtvaardigd is. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van ongelijke gevallen en dat voor de ongelijke behandeling van die gevallen een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt. De conclusie luidt dat artikel 2, zesde lid, van de Rva 2005 onverbindend is wegens strijd met artikel 1 van de Grondwet.
Pagina637-644
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2008:BC5141
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, 22-02-2008, AWB 07/31192
Citeertitel«JV» 2008/154
SamenvattingRichtlijn. Middelen van bestaan. Arbeid, in loondienst.
Samenvatting (Bron)Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn 2003/109/EG / langdurig ingezetenen / vaste en regelmatige inkomsten / onjuist geďmplementeerd Aan de orde is de vraag of artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn 2003/109/EG, voor wat betreft het criterium vaste en regelmatige inkomsten, op juiste wijze is geďmplementeerd in het nationale recht. De rechtbank ziet aanleiding dit criterium ruim uit te leggen. Van belang is dat onderdanen van derde landen over voldoende inkomsten en een ziektekostenverzekering beschikken, zodat zij niet ten laste van de lidstaat komen. Duurzaamheid van de inkomsten wordt daarbij verondersteld maar dit vereiste wordt in de preambule noch in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn 2003/109/EG zo strikt uitgewerkt, dat aan bedoeld vereiste slechts kan worden voldaan, indien de inkomsten van de betrokkene ten tijde van de beoordeling van de aanvraag nog aantoonbaar één jaar dan wel zes maanden beschikbaar zijn als bedoeld in artikel 3.75, eerste respectievelijk derde lid, van het Vb 2000. Met de invulling die in artikel 3.75 van het Vb 2000 aan het voornoemde criterium is gegeven wordt per definitie van een aanspraak op de gemeenschapsrechtelijke status van langdurig ingezetene uitgesloten de categorie van onderdanen van derde landen met een langdurig arbeidsverleden op basis van tijdelijke dienstbetrekkingen, uitzend- of oproepcontracten. Louter vanwege de juridische vorm van dergelijke arbeid in loondienst kan deze categorie van onderdanen van derde landen niet aantonen nog voor ten minste één jaar dan wel zes maanden over inkomsten uit arbeid te kunnen beschikken, terwijl aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene wordt voldaan. In een dergelijke situatie zal een betrokkene, die zoals eiser om hem moverende redenen voor dergelijke contracten kiest, enkel vanwege de juridische vorm van zijn dienstbetrekking nimmer aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene kunnen voldoen. De uitwerking van het criterium vaste en regelmatige inkomsten in artikel 3.75 van het Vb 2000 houdt ten onrechte geen rekening met een situatie als de onderhavige waarin een onderdaan van een derde land reeds langdurig in een lidstaat verblijft en erin is geslaagd gedurende dat verblijf vrijwel zonder onderbreking voldoende inkomsten uit arbeid in loondienst te verwerven met daarover afdracht van premies en belasting en voorts zonder gedurende dat verblijf ten laste te komen van de lidstaat, terwijl dit de wezenlijke criteria zijn die uit de Richtlijn 2003/109/EG naar voren komen. Gelet op het doel en de strekking van de Richtlijn 2003/109/EG is de rechtbank dan ook van oordeel dat een onderdaan van een derde land onder de geschetste omstandigheden geacht moet worden te hebben voldaan aan het criterium beschikken over vaste en regelmatige inkomsten. Ware dit anders dan zou de richtlijn zijn nuttig effect verliezen. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de richtlijn, voor wat betreft voormeld criterium, onjuist in het nationale recht is geďmplementeerd.
Pagina644-647
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2008:BC6358
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 19-10-2007, AWB 07/38107
Citeertitel«JV» 2008/155
SamenvattingStaande houden. Vrijheidsbeperkende middelen. Vreemdelingenbewaring. Belangenafweging. Schadevergoeding.
Samenvatting (Bron)Staandehouding / gebruik handboeien / ambtsinstructie Bij de staandehouding hebben de opsporingsambtenaren de woning betreden middels het forceren van de voordeur. Tijdens het betreden van de woning is een persoon ([persoon]) over het balkon geklommen en naar beneden gevallen, als gevolg waarvan hij later is overleden. Blijkens het proces-verbaal zijn vervolgens bij eiser handboeien aangelegd in verband met mogelijk vluchtgevaar. Vastgesteld kan worden dat er door datgene wat er met [persoon] gebeurde een onoverzichtelijke situatie was ontstaan. Artikel 22, derde lid, onder a, van de Ambtsinstructie schrijft echter zonder voorbehoud voor dat de omstandigheden voor het gebruik van handboeien slechts gelegen kunnen zijn in de persoon die rechtens van zijn vrijheid wordt beroofd. De rechtbank concludeert dat er geen eiser betreffende omstandigheden zijn gebleken die de conclusie van vluchtgevaar rechtvaardigen, zodat het aanleggen van handboeien in strijd is geweest met artikel 22, derde lid, onder a, van de Ambtsinstructie. Tevens kan uit de omstandigheid dat het proces-verbaal eerst op 17 oktober 2007 is opgesteld worden afgeleid dat in strijd met artikel 23 van de Ambtsinstructie het gebruik van de handboeien op 4 oktober 2007 niet onverwijld schriftelijk is vastgelegd. Voorts is in het aanvankelijk door verweerder aangeleverde dossier op geen enkele wijze melding gemaakt van het gebruik van handboeien. Verweerder dient de rechtbank volledig te informeren conform het bepaalde in artikel 8:28 van de Awb in samenhang met artikel 8:45 en artikel 8:31 van de Awb, hetgeen in het onderhavige geval enkel heeft plaatsgevonden omdat eiser volhardde in zijn stelling omtrent het gebruik van handboeien.
Pagina648-651
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2007:BC5152
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Arnhem, 17-01-2008, AWB 07/21648
Citeertitel«JV» 2008/156
SamenvattingAanvraag, indiening. Verblijfsvergunning, verlenging. Verblijfsvergunning, beperking. Associatieovereenkomst EEG-Turkije, Besluit 1/80. Arbeid, in loondienst.
Samenvatting (Bron)Fair play en zorgvuldigheid ten aanzien van aangegeven beperking / artikel 6, eerste lid, Associatiebesluit 1/80 / intentieverklaring / uitzendovereenkomst / dezelfde werkgever De rechtbank overweegt dat gelet op het wettelijk stelsel, neergelegd in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000, verweerder - in het algemeen gesproken - aanvragers van een reguliere verblijfsvergunning terecht in de gelegenheid stelt een beperking als bedoeld in laatstgenoemde bepaling aan te geven. Uit dit wettelijk stelsel vloeit tevens voort dat verweerder in beginsel uit mag gaan van de door de vreemdeling aangegeven beperking, nu het aan de vreemdeling is om te bepalen met het oog op welk verblijfsdoel hij een verblijfsvergunning aanvraagt. In bijzondere omstandigheden kan evenwel de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid met zich brengen dat verweerder afwijkt van de door de vreemdeling aangegeven beperking dan wel met (de gemachtigde van) de vreemdeling overlegt over de aangegeven beperking. Dit kan het geval zijn indien die beperking, gelet op het feitelijk gewenste verblijfsdoel, kennelijk niet aan de orde is of kennelijk op een vergissing berust. In het licht van het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte de conclusie getrokken dat eiser slechts een verlengingsaanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'arbeid in loondienst bij Clean Lease Randstad BV op grond van het Turkse Associatie Verdrag'. Het had op de weg van verweerder gelegen om met eiser dan wel met (de gemachtigde van) eiser te overleggen over de aangegeven beperking. Verweerder had kunnen en moeten afleiden dat de door eiser aangegeven beperking kennelijk op een vergissing berustte. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser op grond van artikel 6, eerste lid, eerste gedachtestreepje, van het Besluit 1/80 geen recht zou hebben op verlenging van zijn arbeidsvergunning nu eisers werkgever expliciet heeft aangegeven dat er nog voor ten minste één jaar werkgelegenheid voorhanden was voor eiser. Verweerder heeft ten onrechte geen waarde toegekend aan de intentieverklaring dan wel aan de telefonische toezeggingen van de heer Van Vliet dat aan eiser zeker een contract voor onbepaalde tijd zou worden aangeboden indien eisers verblijfsvergunning verlengd zou worden. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte de periode dat eiser heeft gewerkt voor het uitzendbureau WPD niet heeft betrokken bij de driejarenperiode in het kader van artikel 6, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van het Besluit 1/80. Nu eiser voor dezelfde inlener heeft gewerkt, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk gedaan aan de systematiek van artikel 6, eerste lid, te weten een geleidelijke opbouw van rechten, en, bovendien voldaan aan de eis dat hij gedurende drie jaren bij dezelfde werkgever arbeid heeft verricht. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom, nu in dit individuele geval steeds is gewerkt voor dezelfde inlener, verweerder eiser de bescherming van artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 onthoudt.
Pagina651-659
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2008:BC2673
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, 06-02-2008, AWB 07/33441
Citeertitel«JV» 2008/157
SamenvattingPardonregeling. Besluit.
Samenvatting (Bron)Pardonregeling / intrekking aanbod na acceptatie/ besluit de zin van art. 1:3 van de Awb Verweerder heeft aan eisers laten weten dat zij voor een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de Vw (oud) in aanmerking komen. Eisers behoefden nog slechts aan één noodzakelijke voorwaarde te voldoen, namelijk dat alle lopende aanvragen en openstaande (beroeps)procedures werden ingetrokken. Daarnaast diende ook nog de als bijlagen bijgevoegde fotokaarten te worden ingevuld. Eisers hebben de fotokaarten en de verklaring waarbij zij de lopende procedures intrekken aan verweerder geretourneerd. Vervolgens heeft verweerder aan eisers laten weten dat het aanbod aan hen een ambtelijke misslag is en dat het aanbod wordt ingetrokken. Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt, waarop verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de brief waarbij het aanbod weer is ingetrokken naar de mening van verweerder niet op rechtgevolgen is gericht nu er geen verblijfsvergunningen zijn verleend en daarmee de verblijfsstatus van eisers onveranderd is gebleven. De rechtbank onderschrijft deze zienswijze niet. Volgens de rechtbank bevat de brief, waarbij verweerder aan eisers heeft laten weten dat zij voor een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling in aanmerking kwamen, het aanbod om ten voordele van eisers gebruik te maken van de verweerder toekomende publiekrechtelijke bevoegdheid verblijfsvergunningen te verlenen. Daartoe dienden door eisers enkele formaliteiten te worden verricht. Eisers hebben dit aanbod zonder enig voorbehoud aanvaard. Door deze wilsovereenstemming is tussen partijen een rechtens relevant (publiekrechtelijk) akkoord tot stand gekomen. Uit dit akkoord vloeide voor verweerder de, zonodig in rechte afdwingbare, verplichting voort om met gebruikmaking van de hem toekomende publiekrechtelijke bevoegdheid aan eisers een verblijfsvergunning te verlenen onder de voorwaarde dat eisers aan de gestelde formaliteiten zouden voldoen. De schriftelijke mededeling van verweerder dat het genoemde aanbod wordt ingetrokken kan dan ook niet anders worden aangemerkt dan als een weigering om de verplichting uit het tot stand gekomen akkoord na te komen en daarmee als een weigering om de in het vooruitzicht gestelde verblijfsvergunning aan eisers te verlenen. Die schriftelijke mededeling is zonder meer op rechtsgevolg gericht. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de intrekkingsbrief moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het bezwaar van eisers tegen dit besluit is door verweerder dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Beroep gegrond, verweerder zal alsnog een inhoudelijk besluit op het bezwaar van eisers dienen te nemen.
Pagina659-661
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2008:BC4300
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, 14-02-2008, AWB 07/45116
Citeertitel«JV» 2008/158
SamenvattingAlleenstaande minderjarige vreemdeling. Mensenhandel. Opvang.
Samenvatting (Bron)AC-procedure / amv / frustreren onderzoek / besloten opvang / vermoeden van mensenhandel Niet is in geschil dat eiser de Indiase nationaliteit heeft, minderjarig is en door verweerder besloten is opgevangen. De rechtbank stelt vast dat, hoewel (vooralsnog) geen vastomlijnde objectieve criteria zijn vastgesteld ten aanzien van de vraag welke minderjarigen kunnen worden aangemerkt als zogenoemde risico-jongeren, uit verweerders brief aan de Tweede Kamer van 18 oktober 2007 naar voren komt dat de besloten opvang bedoeld is voor minderjarige vreemdelingen die het risico lopen slachtoffer te worden van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit innerlijk inconsistent is doordat daarin enerzijds is overwogen dat tot op heden niet is gebleken dat eiser mogelijk slachtoffer is van mensenhandel en daarin anderzijds is overwogen dat het COA verzocht zal worden om eiser beschermd (besloten) op te vangen en verweerder dus blijkbaar van mening is dat eiser het risico loopt slachtoffer te worden van mensenhandel. De door verweerder gehanteerde nieuwe werkwijze om risico-jongeren drie maanden in de besloten opvang te plaatsen, is er blijkens de hiervoor genoemde brief aan de Tweede Kamer juist op gericht deze jongeren, die door druk van buitenaf (van de mensenhandelaar of uitbuiter) onwelwillend zijn om melding te doen van hun situatie, gedurende een bepaalde periode in een afgeschermde omgeving te deprogrammeren en hen te overtuigen van het belang hiervan alsnog aangifte te doen. Inherent aan deze situatie is dat vooraf niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat er sprake is van mensenhandel, nu de minderjarige daarover zwijgt. Er bestaat in dit soort situaties aldus slechts een vermoeden dat de minderjarige slachtoffer van mensenhandel is. Zonder genoemde periode van drie maanden aan eiser te gunnen, kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet vaststellen dat eiser toerekenbaar een mogelijk onderzoek naar de opvangmogelijkheden in het land van herkomst frustreert. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het besluit tot het niet verlenen van een amv-vergunning aan eiser niet binnen 48 uur in de AC-procedure kunnen nemen. Het beroep is derhalve gegrond.
Pagina661-664
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2008:BC5165
Artikel aanvragenVia Praktizijn
TitelRechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Rotterdam, 20-02-2008, AWB 07/16098 VRWET
Citeertitel«JV» 2008/159
SamenvattingGezinshereniging. Middelen van bestaan. Horen, in bezwaar.

(A / de Staatssecretaris van Justitie).
Pagina664-668
Artikel aanvragenVia Praktizijn