Milieu & Recht

UitgeverWolters Kluwer
TijdschriftMilieu & Recht
Datum26-08-2011
Aflevering6
RubriekM&R Jurisprudentie
TitelRaad van State, 24-02-2011, 201100873/3/H1 (met noot)
CiteertitelM en R 2011/6, nr. 130
SamenvattingHet verzoek om voorlopige voorziening is er op gericht de opschortende werking van het ingestelde beroep op te heffen. Art. 2.14, tweede volzin, Chw verbindt de beŽindiging van de opschorting aan de beslissing van de Afdeling op het beroep. De Chw voorziet niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat de voorzitter hangende het beroep de opschorting opheft. Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 217, nr. 3, p. 21) is wat betreft een projectuitvoeringsbesluit uitdrukkelijk voor deze regeling gekozen vanwege de ingrijpende en onomkeerbare gevolgen die een zodanig besluit kan hebben voor de fysieke leefomgeving en vanwege de korte termijn van zes maanden na afloop van de beroepstermijn waarbinnen de Afdeling op het beroep moet beslissen.

([appellant] e.a., allen te Wassenaar / de raad van de gemeente Wassenaar)
Samenvatting (Bron)Het beroep van de wederpartij heeft, gelet op art. 2.14 Chw, tot gevolg dat de inwerkingtreding van het projectuitvoeringsbesluit is opgeschort. Het verzoek van verzoekers om voorlopige voorziening is er op gericht de opschorting op te heffen. Art. 2.14, tweede volzin, Chw verbindt echter de beŽindiging van de opschorting aan de beslissing van de Afdeling op het beroep. De Chw voorziet, anders dan bijvoorbeeld art. 17, derde lid, Monumentenwet 1988, niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat de voorzitter hangende het beroep de opschorting opheft. Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 217, nr. 3, blz. 21) is wat betreft een projectuitvoeringsbesluit uitdrukkelijk voor deze regeling gekozen vanwege de ingrijpende en onomkeerbare gevolgen die een zodanig besluit kan hebben voor de fysieke leefomgeving en vanwege de korte termijn van zes maanden na afloop van de beroepstermijn waarbinnen de Afdeling op het beroep moet beslissen. Nu de wetgever uitdrukkelijk voor deze regeling heeft gekozen, bestaat, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek met toepassing van art. 8:81 Awb. Van dergelijke omstandigheden is geen sprake. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat het beroep ingevolge art. 1.6, eerste lid, Chw met toepassing van afdeling 8.2.3 Awb in behandeling is genomen en dat de behandeling ter zitting van dat beroep thans is voorzien op 19 april 2011. Het verzoek is dan ook als kennelijk ongegrond (zonder zitting) afgewezen.
Annotator Nijmeijer
Pagina398-399
Artikel aanvragenVia Praktizijn
UitspraakECLI:NL:RVS:2011:BP8570