Journaal Ondernemingsrecht

UitgeverWolters Kluwer
TijdschriftJournaal Ondernemingsrecht
Datum08-08-2012
Aflevering6
RubriekRechtspraak
TitelRechtbank 's-Gravenhage, 29-02-2012, AWB 11/7534 en AWB 11/8933 (met noot)
CiteertitelJRV 2012, 661
SamenvattingAansprakelijkheid. Aandeelhouder. Zorgvuldigheidsnorm. Lastgeving. Lex loci delicti. Minderheidsaandeelhouder. Onrechtmatige daad.
Nalaten minderheidsaandeelhouder kan niet als schending van wettelijke verplichting of zorgvuldigheidsnorm worden aangemerkt.
Samenvatting (Bron)Eiseressen zijn plaatsvervangend secretarissen bij het Regionale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (RTG). Zij hebben verzocht om uitbetaling van achterstallige vacatiegelden. In dit geschil staat vast dat de door de secretaris van het RTG van verweerder ontvangen vacatiegelden niet geheel werden doorbetaald aan de plaatsvervangend secretarissen. De rechtbank overweegt allereerst dat eiseressen geen ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet zijn. Eiseressen zijn weliswaar bij Koninklijk Besluit tot plaatsvervangend secretaris benoemd, maar niet is gebleken dat zij zijn aangesteld als ambtenaar. Het feit dat zij vacatiegeld ontvingen voor hun werkzaamheden bevestigt dat zij niet zijn aangesteld als ambtenaar. Eiseressen zijn benoemd in hun functie voor het verrichten van enkele diensten. Volgens vaste jurisprudentie (Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 2007, LJN: BB2371) zijn financiŽle aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar. Eiseressen hebben voor het eerst bij brief, ingekomen bij verweerder op 21 augustus 2008, aanspraak gemaakt op uitbetaling van achterstallige vacatiegelden. Dit brengt mee dat eiseressen op grond van de rechtszekerheid in beginsel geen aanspraak meer kunnen maken op vůůr 21 augustus 2003 aan hen niet uitbetaalde vacatiegelden. Weliswaar heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseressen als afgestudeerde juristen een eigen onderzoeksplicht hebben inzake de hen toekomende vacatiegelden, maar daar staat tegenover dat deze onderzoeksplicht minder vergaand is of zelfs kan vervallen, naar de mate waarin eiseressen op concrete door hen gestelde vragen onjuist zijn voorgelicht. Niet weersproken is dat eiseressen op hun meermaals gestelde uitdrukkelijke vraag aan de secretarissen naar het achterwege blijven van indexatie van de vacatiegelden deels onjuist en deels onvolledig zijn ingelicht. Onjuist, omdat hen is voorgehouden dat de vacatiegelden door verweerder nooit zijn verhoogd en onvolledig, omdat hen daarbij niet is verteld dat hen niet het volledige vacatiegeld werd uitgekeerd. Eiseressen hebben terecht aangevoerd dat er voor hen geen aanleiding bestond deze mededelingen te wantrouwen en op waarheid te toetsen. Onder deze omstandigheden kan verweerder zich er in redelijkheid niet op beroepen dat eiseressen zelf onderzoek hadden moeten verrichten naar de hoogte van de hen toekomende vacatiegelden. Hierbij komt dat verweerder het verwijt treft dat hij gedurende de gehele hier aan de orde zijnde periode geen enkele controle heeft uitgeoefend op de juiste uitbetaling van de vacatiegelden aan de plaatsvervangend secretarissen. Doorslaggevend acht de rechtbank voorts dat in de Regeling vacatiegelden secretarissen van 15 december 1998 expliciet is vermeld dat de vacatiegelden bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Wet BIG voor de secretarissen en plaatsvervangend secretarissen van de tuchtcolleges en het centrale tuchtcollege 432,-- bedragen. Vanaf dat moment is verweerder vacatiegelden blijven uitbetalen aan de secretarissen, die niet bevoegd waren een declaratie is te dienen voor werkzaamheden die door de plaatsvervangend secretarissen werden verricht. De plaatsvervangend secretarissen staan immers vanaf dat moment expliciet als zelfstandig rechthebbenden op vacatiegelden in de Regeling vacatiegelden secretarissen genoemd. Verweerder is echter ook na 15 december 1998 blijven uitkeren op declaraties ingediend door daartoe niet bevoegde secretarissen, terwijl bovendien niet werd uitbetaald op de rekeningen van de rechthebbenden, de plaatsvervangend secretarissen, maar op de rekening van de secretaris, zonder enige controle of de vacatiegelden aan de rechthebbenden werden uitgekeerd. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het beroep van verweerder op verjaring, voor zover het betreft de periode van 15 december 1998 tot 21 augustus 2003, onaanvaardbaar is.
AnnotatorM.C. van Rijswijk
Pagina220-220
Artikel aanvragenVia Praktizijn
UitspraakECLI:NL:RBSGR:2012:BV8212