Tijdschrift voor Agrarisch Recht

UitgeverDen Hollander
TijdschriftTijdschrift voor Agrarisch Recht
Datum07-11-2012
Aflevering10
RubriekRechtspraak
TitelGerechtshof Arnhem, 10-07-2012, 200.105.104 (met noot)
CiteertitelAgr.r 2012, p. 318
SamenvattingHuur. Onbevoegdheid pachtrechter. Verwijzing.
Samenvatting (Bron)Rv 1019k; BW 7:311 Pachtkamer van rechtbank verklaart zich onbevoegd, maar laat na te verwijzen naar de wel bevoegde rechter. Hoger beroep op de pachtkamer van het gerechtshof ontvankelijk? De strekking van de wettelijke regeling omtrent de bevoegdheid en van HR 28 april 2006, LJN AV0050, NJ 2007, 89 ([eiser]/Gemeente Franekeradeel) is om processuele verwikkelingen met de daaraan voor partijen verbonden inspanningen en kosten zoveel mogelijk te vermijden en vertraging in de afdoening van de zaak te beperken. In verband daarmee wordt de beslissing omtrent de bevoegdheid zoveel mogelijk in één (feitelijke) instantie genomen. Dat is daarom niet bezwaarlijk omdat de bevoegdheid een voorvraag betreft en niet de beslissing op de zaak zelf. Het oordeel omtrent het onderwerp van het geschil krijgt ook geen kracht van gewijsde, omdat het voorlopig van karakter is. Gelet op de inhoud van de memorie van grieven strekt het onderhavige hoger beroep er niet toe dat het hof het verzuim van de pachtkamer in eerste aanleg om te verwijzen zal herstellen welk herstel op eenvoudiger wijze dan door het instellen van een rechtsmiddel kan plaatsvinden met toepassing van art. 31 Rv maar strekt het hoger beroep in plaats daarvan tot een voortzetting van het debat omtrent de aard van de tussen partijen bestaande rechtsbetrekking en een herbeoordeling van de vraag welke rechter bevoegd is. In verband met de hiervoor bedoelde strekking van de wettelijke regeling respectievelijk rechtspraak van de Hoge Raad, behoort een zodanig beroep niet tot de mogelijkheden. Appellante kan in haar hoger beroep dus niet worden ontvangen. Overwegingen ten overvloede over de aard van de rechtsbetrekking. Door partijen ondertekende en door de grondkamer goedgekeurde "pachtwijzigingsovereenkomst" behelsde mede een wijziging in de aard van het gebruik, in die zin dat de toenmalige pachter de resterende gronden niet langer ten behoeve van de landbouw zou gebruiken. Die overeenkomst behelsde dus een beëindiging van de pacht en het aangaan van een huurovereenkomst voor het vervolg.
AnnotatorG.M.F. Snijders
Pagina318-320
Artikel aanvragenVia Praktizijn
UitspraakECLI:NL:GHARN:2012:BX3537