AB Rechtspraak Bestuursrecht

UitgeverWolters Kluwer
TijdschriftAB Rechtspraak Bestuursrecht
Datum01-03-2019
Aflevering9
RubriekRechtbanken
TitelRechtbank Midden-Nederland 17-01-2018 (met noot)
CiteertitelAB 2019/93
SamenvattingBroederschap verboden en ontbonden omdat de club in strijd is met de openbare orde
Samenvatting (Bron)Broederschap Catervarius wordt verboden en ontbonden omdat de Utrechtse club in strijd is met de openbare orde. Dat heeft de rechtbank Midden-Nederland vandaag beslist in een civiele procedure waarin het Openbaar Ministerie verzocht om Catervarius te verbieden en te ontbinden. Catervarius is in de gelegenheid gesteld om zich hiertegen te verweren, maar daar is geen gebruik van gemaakt. De rechtbank stelt vast dat Catervarius een vereniging is die als eenheid naar buiten treedt. Er is onder andere een ledenbestand, bestuur en ledenvergadering. Ook zijn er faciliteiten zoals een clubhuis. De club is een zogenoemd broederschap, voortkomend uit de traditie van motorclubs. In de tweede helft van 2015 werd de club opgericht als chapter van de vereniging Alcatraz Wanted. Kort daarna gingen zij verder onder de huidige naam. Hoewel een verbod slechts als uiterst middel wordt toegepast, vindt de rechtbank dat in dit geval noodzakelijk. Direct na de oprichting zijn de leden van Catervarius onderwerp geworden van strafrechtelijke onderzoeken. In het clubhuis in Benschop zijn misdrijven gepleegd en een deel van het bestuur zit gevangenisstraffen uit voor ernstige in clubverband gepleegde strafbare feiten. Er bestaat een reŽle kans dat Catervarius-leden in de toekomst (opnieuw) ernstige geweldsdelicten plegen die de Nederlandse samenleving kunnen ontwrichten. Dat soort delicten moet een halt worden toegeroepen, zo oordeelt de rechtbank. Het verbod gaat gepaard met een ontbinding. Nu Catervarius verboden is moeten de financiŽn van de club worden afgewikkeld door een zogenoemde vereffenaar. Het Openbaar Ministerie kan hierover een voorstel indienen.
AnnotatorJ.G. Brouwer , J. Koornstra
Artikel aanvragenVia Praktizijn
UitspraakECLI:NL:RBMNE:2018:113