AB Rechtspraak Bestuursrecht

UitgeverWolters Kluwer
TijdschriftAB Rechtspraak Bestuursrecht
Datum02-06-2022
Aflevering22
RubriekRechtbanken
TitelRechtbank Den Haag 22-04-2022 (met noot)
CiteertitelAB 2022/183
SamenvattingDe rechtbank verklaart artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND onverbindend wegens strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel.
Samenvatting (Bron)Deze zaak gaat over de vraag of de afschaffing van de bestuurlijke dwangsomregeling in asielzaken, zoals dit is bewerkstelligd met de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (de Tijdelijke wet), in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat hiervan sprake is en dat artikel 1 van de Tijdelijke wet daarom onverbindend is voor zover de bestuurlijke dwangsomregeling daarbij is afgeschaft. Op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet), zoals deze luidt sinds 11 juli 2021, is het niet meer mogelijk bestuurlijke dwangsommen te verbeuren in een asielzaak. De rechtbank overweegt dat de Procedurerichtlijn geen specifieke bepalingen kent over de gevolgen van een overschrijding van de daarin opgenomen beslistermijnen. Gezien de procedurele autonomie van de lidstaten is het in zon situatie aan de lidstaten om de gevolgen van een overschrijding van de termijn te bepalen. Voorwaarde hierbij is wel dat die nationale regels niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke gevallen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel). Met andere woorden: de nationaalrechtelijke procedureregels mogen voor rechten die hun oorsprong vinden in het Unierecht niet ongunstiger zijn dan voor rechten die hun oorsprong vinden in het nationale recht. Verder geldt dat de toepasselijke nationaalrechtelijke procedureregels de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel). Als de procedureregels dus niet in strijd zijn met het gelijkwaardigheidsbeginsel, geldt als extra eis dat deze regels het mogelijk moeten maken de aan het Unierecht ontleende rechten uit te oefenen. Voor de toetsing aan het gelijkwaardigheidsbeginsel moeten eerst de vergelijkbare procedures of beroepen worden geïdentificeerd. Daarna moet worden beoordeeld of de op het nationale recht gebaseerde beroepen gunstiger worden behandeld dan de beroepen die betrekking hebben op de bescherming van de rechten op grond van het Unierecht. Anders dan deze rechtbank, zittingsplaats Gelderland heeft geoordeeld in haar uitspraak van 24 maart 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:2641) is de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats s-Hertogenbosch in deze uitspraak van oordeel dat de asielprocedure vergelijkbaar is met (in ieder geval) één andere nationale bestuursrechtelijke procedure, namelijk de aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met de beperking die verband houdt met een medische behandeling. Daarbij merkt de rechtbank op dat de aanvragen weliswaar verschillen kennen, maar ook overeenkomsten, en dat voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid tussen de aanvragen niet de vraag centraal staat of de aanvragen en procedures gelijk zijn, maar of er voldoende overeenkomsten tussen beide procedures bestaan waardoor er sprake is van gelijkwaardigheid. De rechtbank weegt bij haar oordeel mee dat beide aanvraagprocedures zijn geregeld in de Vw 2000 en in het Vb 2000 en dat ze beide, op enkele uitzonderingen na, worden beheerst door de procedureregels neergelegd in de Awb en de Vw 2000. Verder hebben beide procedures als uiteindelijk doel een aanspraak op rechtmatig verblijf in Nederland en ligt de oorzaak van die aanspraak in het feit dat de vreemdelingen niet langer in het land van herkomst kunnen verblijven. Ook geldt voor beide (aanvraag)procedures dat medische aspecten onderdeel kunnen zijn van de beoordeling. Dat relevante ontwikkelingen bij de besluiten op de aanvragen moeten worden meegenomen, geldt weliswaar voor de asielprocedure, maar ook voor de nationaalrechtelijke aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning medische behandeling. In algemene zin merkt de rechtbank over de gelijkwaardigheid tussen de asielprocedure en deze reguliere procedure op dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, waarmee de bestuurlijke dwangsom destijds is ingevoerd, was bedoeld om een sterke financiële prikkel toe te voegen aan de wet, zodat de termijnen in het bestuursrecht beter worden nageleefd. Daarbij is voor besluiten genomen op grond van de Vw 2000 een overgangstermijn in acht genomen van drie jaar omdat toen al de vrees bestond dat de wettelijke termijnen tot die tijd niet steeds gehaald konden worden. De wetgever heeft hierbij geen onderscheid gemaakt tussen de asielaanvragen en aanvragen om een reguliere verblijfsvergunning. De rechtbank leidt hieruit bovendien af dat het niet tijdig beslissen door verweerder niet zozeer ligt in het unieke van de asielprocedure, maar dat het ligt in organisatorische problemen. Ook uit het wetsvoorstel Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken leidt de rechtbank af dat de wetgever de asielprocedure waar het gaat om het niet tijdig beslissen niet uniek vindt, immers in dat wetsvoorstel wordt evenmin onderscheid gemaakt tussen asielaanvragen en aanvragen om reguliere verblijfsvergunningen. Voor al deze aanvragen zou de bestuurlijke dwangsom worden afgeschaft. Dit maakt het betoog van verweerder dat de asielprocedure zo uniek is dat deze procedure wat betreft het niet tijdig beslissen andere procesregels rechtvaardigt dan (gelijkwaardige) nationaalrechtelijke aanvragen voor een verblijfsvergunning, naar het oordeel van de rechtbank, niet sterker. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het buiten werking stellen van de bepalingen over de bestuurlijke dwangsom bij het nemen van een beslissing op een asielaanvraag geen enkele prikkel meer heeft om dat tijdig te doen. Dat is een ongunstigere situatie dan de situatie waarin die prikkel nog wél bestaat. De rechtbank komt tot de conclusie dat artikel 1 van de Tijdelijke wet, voor zover daarbij de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb en artikel 8:55c (van afdeling 8.2.4a) van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen, in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel. Alleen al om die reden is artikel 1 van de Tijdelijke wet in zoverre onverbindend. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een toetsing aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op artikel 47 van het Handvest, waarin het recht op een doeltreffende voorziening in rechte is opgenomen, komt de rechtbank daar evenmin aan toe. Het gaat in deze zaak uitsluitend om het verbeuren van een dwangsom in de bestuurlijke fase en niet om de dwangsom die in de rechterlijke fase kan worden opgelegd voor het niet-voldoen aan de opdracht van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de rechtbank stelt desgevraagd de bestuurlijke dwangsom vast op 1.442,00.
AnnotatorM.C. Pakkert , A. Outhuijse
Artikel aanvragenVia Praktizijn
UitspraakECLI:NL:RBDHA:2022:3776