Hoge Raad, 13-09-2016 / 15/00362


ECLIECLI:NL:HR:2016:2059
Datum13-09-2016
InhoudsindicatieProfijtontneming. Klacht over de verwerping door het hof van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM in de ontnemingsvordering. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD2578 m.b.t. de overschrijding van de redelijke termijn en niet-ontvankelijkheid van het OM en ECLI:NL:HR:2004:AM2533 m.b.t. de niet-ontvankelijkheid van het OM in geval van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Het hof heeft verzuimd bepaaldelijk een beslissing te geven op het verweer dat het OM n-o moet worden verklaard op de grond dat "een adequate verdediging door het tijdsverloop niet langer mogelijk zou zijn". Het middel klaagt daarover terecht. Tot cassatie behoeft dat evenwel niet te leiden. Het hof had dat verweer immers slechts kunnen verwerpen, omdat het aan dat verweer ten grondslag gelegde niet kan leiden tot het oordeel dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten die van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.
TijdschriftartikelHoge Raad 13-09-2016
NJB 2016/1719
Overschrijding redelijke termijn art. 6 EVRM en niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in de vervolging of de ontnemingsvordering: Hoge Raad herhaalt dat zodanige overschrijding nimmer kan leiden tot zodanige niet-ontvankelijkverklaring (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358). Inbreuken op verdedigingsrechten en nietontvankelijkheid Openbaar Ministerie: Hoge Raad houdt vast aan HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376: niet-ontvankelijkverklaring in de vervolging komt, afgezien van de in de wet geregelde gevallen, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking. Bij een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv is voor dat rechtsgevolg alleen plaats ingeval met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Bij inbreuken op de verdedigingsrechten die buiten het bereik van art. 359a Sv vallen, komt de niet-ontvankelijkheid in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat door de inbreuk geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces conform art. 6 EVRM. Het moet dan in de eerste plaats gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat Ďthe proceedings as a whole were not fairí. Andere gevolgen dan de niet-ontvankelijkheid in de vervolging liggen meer in de rede indien sprake is van een Ė†onherstelbare en niet voor (procedurele) compensatie vatbare†Ė schending van de verdedigingsrechten. De Hoge Raad geeft daarvan voorbeelden.
TijdschriftartikelHoge Raad 13-09-2016
RvdW 2016/971
Het hof heeft niet gerespondeerd op het verweer dat het OM niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering omdat een adequate verdediging door het tijdsverloop niet meer mogelijk was. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden omdat een niet onder art. 359a Sv vallende inbreuk op
TijdschriftartikelHoge Raad 13-09-2016 (met noot)
T. Kooijmans
NJ 2017/51
Het hof heeft niet gerespondeerd op het verweer dat het OM niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering omdat een adequate verdediging door het tijdsverloop niet meer mogelijk was. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden omdat een niet onder art. 359a Sv vallende inbreuk op verdedigingsrechten alleen tot niet-ontvankelijkheid van het OM leidt indien die inbreuk van dien aard en zo ernstig is dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces cfm. art. 6 EVRM en de grondslag van het verweer i.c. niet tot dat oordeel kan leiden.
TijdschriftartikelHet redelijke termijn-voorschrift in het licht van de rule of law: mogelijkheden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie?
E. Filius, S.L.T.J. Ligthart, R. Milic
DD 2017/30
In dit artikel wordt aan de hand van jurisprudentie van het EHRM en Nederlandse feitenrechtspraak onderzocht of het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2016 mogelijkheden openlaat waarlangs overschrijding van de redelijke termijn, ofwel de lange duur van een strafprocedure, kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Geconcludeerd wordt dat, onzes inziens, thans twee (beperkte) mogelijkheden bestaan. Voor beide mogelijkheden geldt dat door de lange duur van de strafprocedure de verdachte in de uitoefening van diens verdedigingsrechten is beperkt en daarmee een inbreuk oplevert op diens recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BD2578 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2004:AM2533 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BX5539 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBMNE:2014:5267
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2016:887
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2018:1016
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:1488
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2019:1472
Gerelateerd ECLI:NL:RBAMS:2018:7255
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2018:1301
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2018:1181
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2018:922
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2018:921
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:1297
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:1032
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:1031
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:385
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:147
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:60
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2016:887
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2019:3703
Gerelateerd ECLI:NL:RBAMS:2018:7256
Gerelateerd ECLI:NL:RBAMS:2018:2504
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2018:1932
Gerelateerd ECLI:NL:RBNNE:2017:2198
Gerelateerd ECLI:NL:RBNNE:2017:2140
Gerelateerd ECLI:NL:RBLIM:2017:9850
Gerelateerd ECLI:NL:RBLIM:2017:6740
Gerelateerd ECLI:NL:OGHACMB:2017:252
Gerelateerd ECLI:NL:OGHACMB:2017:251