Proefschriften en oraties

Steeds meer juridisch materiaal is vrij toegankelijk. Op deze pagina treft u een overzicht aan van (350+) publiek toegankelijke juridische proefschriften en oraties. Gebruik Ctrl+F om te zoeken. Uw proefschrift of oratie toevoegen? Mail de redactie.

Proefschrift: Concurrentie tussen civiele justitiële systemen in de EU

Deze studie richt zich op de concurrentie tussen rechtssystemen in civiele zaken in de EU. Dit is een vorm van concurrentie op het gebied van regelgeving, waarin lidstaten partijen proberen aan te trekken om te procederen in hun jurisdicties. Onder meer wordt een overzicht gegeven van de competitie die er op het gebied van regelgeving bestaat, het wettelijke kader waarbinnen lidstaten opereren en een analyse van de elementen van systemen van civielrechtelijke geschillenbeslechting.

Proefschrift: De psychische stoornis in het Nederlandse strafrecht

Deze studie richt zich op de betekenis van psychische stoornissen voor het Nederlandse strafrecht. Wat is de relevantie van stoornissen voor het toerekeningsconcept en als factor bij de toepassing van strafrechtelijke maatregelen? En hoe verhoudt zich het stoornisbegrip van artikel 39 Sr tot de psychische overmacht en het noodweerexces?

Proefschrift: De kwetsbare psychisch gestoorde verdachte in het strafproces

Op welke momenten en op welke wijze wordt er in het strafproces tegemoetgekomen aan de kwetsbaarheid van de psychisch gestoorde verdachte? Er wordt bekeken of regelgeving en de praktische uitvoering daarvan consistent en adequaat zijn in het licht van Europese standaarden.

Proefschrift: De preventieve en de repressieve toetsing aan bouwtechnische voorschriften

In deze dissertatie wordt de rol van het Bouwbesluit 2012 en het Besluit bouwwerken leefomgeving bij de vergunningverlening en de handhaving uitgelegd. Niet alleen komt die rol voor de (technische) bouwactiviteit aan de orde in het geldende stelsel, maar ook in het wetsvoorstel Wet kwaliteitsborging voor het bouwen en in de Omgevingswet.

Proefschrift: Geautomatiseerde ketenbesluiten & rechtsbescherming

Wat gebeurt er precies bij geautomatiseerde besluiten van de overheid en wat betekent deze praktijk voor de burger die te maken krijgt met zo’n besluit? Is het voldoende dat burgers in bezwaar kunnen gaan tegen een besluit als er iets fout gaat en daarna naar de rechter kunnen stappen?

Proefschrift: De bescherming van concurrentiebelangen in het bestuursrecht

Steeds vaker treffen concurrenten elkaar bij de bestuursrechter. Dat is niet zo vreemd. Besluiten van de overheid kunnen immers grote gevolgen hebben voor de concurrentiepositie van ondernemers. In dit proefschrift staat de vraag centraal hoe in het bestuursrecht, dat van oudsher is gericht op de bescherming van burgers tegen de overheid, wordt omgegaan met de gevolgen van besluiten voor concurrentieverhoudingen. Het onderzoek behelst een diepgravende studie naar de bescherming van concurrentiebelangen in het bestuursrecht en is gericht op het identificeren van mogelijke knelpunten die zich daarbij voordoen.

Proefschrift: De dagelijkse praktijk van politierechters

In veel onderzoek van het strafrecht blijft de alledaagse juridische praktijk onderbelicht, terwijl juist daar belangrijke lessen te leren zijn. Dat stelt sociologe Irene van Oorschot in haar dissertatie. Zij onderzocht de manier waarop de politierechter 'zaken maakt' en vindt dat de praktijken van politierechters, met name de rol van de verdachte en het dossier, serieuzer genomen moeten worden.

Proefschrift: Proceskostenveroordeling en toegang tot de rechter in IE-zaken

Centraal in het proefschrift staat de vraag in hoeverre de Nederlandse implementatie, uitleg en toepassing van artikel 14 Handhavingsrichtlijn verenigbaar zijn met EU-recht. Om de conformiteit met het EU-recht te kunnen beoordelen is in de eerste plaats het beoordelingskader geschetst waaraan nationale regelingen over proceskosten moeten voldoen.
Op basis van uitgebreid literatuur- en jurisprudentieonderzoek is vervolgens onderzocht hoe de proceskostenregeling van artikel 1019h Rv wordt uitgelegd en toegepast in de Nederlandse IE-praktijk. Tevens zijn de (mogelijke) effecten van artikel 1019h Rv op het procedeer- en schikkingsgedrag van partijen in IE-geschillen belicht.

Proefschrift: De onschuldpresumptie

Vanuit vier perspectieven (historisch, theoretisch, verdragsrechtelijk en strafprocesrechtelijk) gaat Joeri Bemelmans in zijn dissertatie na wat de precieze inhoud van en grenzen aan de onschuldpresumptie zijn—en of deze in het strafproces goed functioneren. Twee afzonderlijk van elkaar opererende aspecten, een bewijsdimensie en een behandelingsdimensie, blijken te moeten worden onderscheiden. Voor beide geldt dat het internationale mensenrecht op de onschuldpresumptie ze slechts ten dele beschermt.

Oratie: Intergenerationele overdracht van geweld in gezinnen

In haar inaugurele rede gaat Marjone Steketee in op de oorzaken waarom we kindermishandeling als probleem niet goed kunnen herkennen en soms niet willen erkennen. Hoe verbeteren we dat? Hoe kunnen we deze kinderen beschermen en voorkomen dat zij later dit patroon herhalen? Ze laat zien dat het een probleem is dat met regelgeving en beleidsvoornemens niet ‘weg geregeld’ kan worden.

Proefschrift: Sturingsinstrumenten van Rijk en provincies in het ruimtelijk bestuursrecht

De spanning tussen centralisatie en decentralisatie in de ruimtelijke ordening is een bekend thema in het bestuursrecht. Constantijn Hageman inventariseert welke nationale en provinciale bestuursbevoegdheden (naar huidig recht en onder de nieuwe Omgevingswet) als ruimtelijk sturingsinstrument kunnen fungeren.

Proefschrift: Het pre-insolventieakkoord

Voor het voornemen van de Europese en Nederlandse wetgevers om een procedure in te voeren om noodlijdende ondernemingen te redden voordat dat deze insolvent zijn, bestaat geen rechtvaardiging. Dat concludeert promovendus Nico Tollenaar. Volgens hem zou het doel van de nieuwe generatie procedures niet moeten zijn om ondernemingen te redden, maar om crediteuren een beter en flexibeler instrument te geven om hun rechten te effectueren.

Proefschrift: Officieren van Justitie in de 21e eeuw

Voor zijn onderzoek volgde Joep Lindeman officieren van Justitie een jaar lang bij de behandeling van gewone, veelvoorkomende strafzaken. Zijn bevinding: het werken binnen een grote, ambtelijke organisatie, de grote hoeveelheid zaken en de in rap tempo doorgevoerde veranderingen in werkprocessen zijn van invloed op de wijze waarop de OvJ zijn werk doet. De individuele, magistratelijke rol van de officier van Justitie dreigt daarbij in de knel te komen.

Proefschrift: Levering van roerende zaken

De handel in roerende zaken neemt in het rechtsverkeer een belangrijke plaats in. Deze dissertatie gaat over de levering ervan. Centraal in het onderzoek staat de vraag of de zakelijke overeenkomst onderdeel uitmaakt van de levering van roerende zaken, en zo ja, welke functie de zakelijke overeenkomst bij levering van deze zaken vervult.

Proefschrift: De forumkeuze in het zeevervoer

In het proefschrift staan forumkeuzen centraal die worden gesloten in verband met zeevervoerovereenkomsten. Er wordt aandacht besteed aan de vraag of in verschillende in het zeevervoer veelvoorkomende situaties een forumkeuze tot stand komt. Vertrekpunt voor de beoordeling is regelmatig een bepaalde praktijksituatie. Omdat bij vervoerovereenkomsten, anders dan bij de meeste overeenkomsten, in de regel een derde (bijvoorbeeld een derde-cognossementhouder) op een later moment op een of andere manier partij wordt bij de vervoerovereenkomst, wordt ook ingegaan op de vraag in hoeverre deze derde uiteindelijk gebonden is aan de forumkeuze. De meeste aandacht gaat uit naar de forumkeuze in de zin van art. 23 EEX-Vo/art. 25 EEX-Vo (nieuw). Bij de bespreking van dit artikel wordt ook gekeken naar andere bepalingen van de gewijzigde EEX-Vo, zoals art. 31 lid 2 en 3 EEX-Vo (nieuw). Verder komt de vraag aan de orde hoe de Nederlandse rechter een derogerende forumkeuze, die niet valt binnen het toepassingsgebied van art. 23 EEX-Vo/art. 25 EEX-Vo (nieuw), moet beoordelen. De meest belangrijke bepalingen in dat verband zijn artikel 8 en 629 Rv.

Proefschrift: Aansprakelijkheid in het luchtvervoer

Het doel van dit onderzoek is om uit de kluwen van (internationale) regelingen de op het internationale goederenvervoer toepasselijke aansprakelijkheidsregeling te destilleren, te analyseren en te beoordelen. Centraal in dit proefschrift staat het onderzoek naar de aard, grondslag en rechtsgevolgen van de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder onder het Verdrag van Montreal en het Verdrag van Warschau. Daarbij wordt als uitgangspunt het Verdrag van Montreal genomen. Steeds zal worden onderzocht of, en zo ja, in welke opzichten de regeling verschilt met het Verdrag van Warschau. In die gevallen waarin het Verdrag van Montreal voortbouwt op het Warschau regime zal deze regeling geanalyseerd worden aan de hand van de daarbij behorende ontstaansgeschiedenis, jurisprudentie en doctrine. Daar waar het Verdrag van Montreal een nieuwe regeling introduceert, beperkt de analyse zich noodzakelijkerwijs tot de ontstaansgeschiedenis en de rechtsliteratuur over de nieuwe regeling omdat jurisprudentie op dit moment nog geheel ontbreekt.

Proefschrift: De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen

In de periode tussen 1999 en 2004 is de positie van aandeelhouders in Nederlandse beursvennootschappen aanzienlijk versterkt. Dit proefschrift beschrijft de herkomst van deze ontwikkelingen en analyseert de gevolgen ervan. Aan het slot wordt stilgestaan bij de vraag welke lessen uit deze episode getrokken kunnen worden voor de verdere rechtsontwikkeling in het ondernemingsrecht voor beursvennootschappen.

Proefschrift: Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht

Hoe moet het goederenrecht omgaan met een samenstel, een complex, van goederen? Het Nederlandse recht heeft als uitgangspunt dat een goederenrechtelijk recht slechts één goed als object heeft. Dit uitgangspunt wordt in deze dissertatie 'het uniciteitsbeginsel' genoemd. Zou het wenselijk zijn om hiervan af te wijken? Er wordt wel gesuggereerd dat dit voordelen zou hebben, zoals het vergemakkelijken van het rechtsverkeer, of het als goederenrechtelijk gerechtigde de hand kunnen leggen op de goodwill van een onderneming.

Proefschrift: Levering en verpanding van toekomstige goederen

De levering en verpanding bij voorbaat van toekomstige goederen is een belangrijk onderwerp voor de praktijk en de wetenschap. In het huidige kredietverkeer kan de rechtsfiguur moeilijk worden gemist. Besproken worden niet alleen de levering en verpanding van toekomstige roerende zaken en vorderingen, maar ook die van aandelen, girale effecten en enkele rechten van intellectuele eigendom. Het proefschrift leest als een juridisch handboek.

Proefschrift: Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief

Zekerheidsrechten met een 'generaal' of 'allesomvattend' karakter zijn van alle tijden. Romeinse schuldenaars konden reeds vrijwel al hun (bestaande en zelfs toekomstige) goederen verpanden. De huidige bancaire praktijk vormt hierop geen uitzondering. Aan de hand van de historische ontwikkeling van generale zekerheidsrechten wordt de wijze blootgelegd waarop wetgevers en rechters belanghebbenden tegen generale zekerheidsrechten beschermen.

Proefschrift: Het schuldige geheugen?

Een relatief onbekende opsporingsmethode is (neuro)geheugendetectie. Daarbij wordt het geheugen van de verdachte onderzocht op de aanwezigheid van daderkennis. Wat is voor politie en Justitie mooier dan de hersenen, het geheugen van de verdachte, te kunnen onderzoeken? Dave van Toor onderzocht hoe mensenrechten zich verhouden tot een (mogelijk) verplicht hersenonderzoek in strafzaken en hij komt tot de conclusie dat (neuro)geheugendetectie ontoelaatbaar is.

Oratie: Alles heeft zijn tijd

Economen gebruiken vaak neutrale (logische) tijd in hun modellen, maar de werkelijke tijd is historisch. Daarin is elk moment anders en veranderen kansverdelingen met de tijd. Door naar de kwaliteit van de tijd te kijken, wordt duidelijker welke ontwikkelingen de overlevingskansen van pensioenfondsen en financiële instellingen bedreigen en hoe de evolutionaire selectie kan worden overleefd dankzij tijdige innovaties. Dit zegt Fieke van der Lecq in haar oratie.
De wetenschap kan helpen om duidelijker te maken welke ontwikkelingen de overlevingskansen van pensioenfondsen en financiële instellingen bedreigen en hoe de evolutionaire selectie kan worden overleefd dankzij tijdige innovaties, door ook vanuit historische tijd te werken. Dat vergroot de kans op bruikbare innovaties. In de historische tijd zijn kansen tijdgebonden, dus ook de tijdigheid van de structurele veranderingen is belangrijk. De noodzaak tot hervormingen van het Nederlandse pensioenstelsel neemt toe. Het vertrouwen in pensioenen en financiële diensten is afgenomen en informatietechnologie wordt belangrijker, maar concurreren op de kwaliteit (en ethiek) van de dienstverleningsrelatie wint daardoor aan betekenis.

Proefschrift: De macht over het strafproces

In dit onderzoek staat de machtsstrijd tussen de strafrechter en de bestuurder over het strafproces centraal. Die machtsstrijd gaat in hoofdzaak over de strafvorderlijke belangen van voortvarendheid en voorzienbaarheid.
Hoe verloopt de machtsstrijd tussen strafrechter en bestuurder over het strafproces? Brengt bestuurlijk handelen de strafrechter tot onaanvaardbaar strafvorderlijk handelen? Zijn de regels niet te streng en zijn ze wel nodig als borging van de rechterlijke onafhankelijkheid?

Proefschrift: De rollen van cliënt, hulpverlener en overheid in de jeugdhulp

In 2015 heeft de Jeugdwet het stelsel van de jeugdhulp ingrijpend veranderd. Dit proefschrift behandelt de positie van de cliënt in de jeugdhulp. Staat de cliënt centraal, dat wil zeggen heeft hij keuzen in de aangeboden hulp en is deze van goede kwaliteit? Daartoe worden de relaties tussen cliënt, hulpverlener en overheid onderzocht.

Proefschrift: De gevolgen van het vuistloze en stille karakter van het pandrecht

Levert het huidige pandrecht problemen op, en zo ja, op welke wijze zou de regeling moeten worden herzien? Ter afbakening van het onderwerp beperkt de auteur zich tot het vuistloze en stille karakter van het pandrecht op roerende zaken, respectievelijk vorderingen op naam. Dit karakter leidt ertoe dat de verpanding niet kenbaar is voor derden. Toch heeft het pandrecht absolute werking: het werkt jegens eenieder, inclusief de curator van de pandgever. Alleen dan bereikt het pandrecht zijn doel: de zekerheid dat de gesecureerde vordering, indien nodig, voldaan kan worden door verhaal bij voorrang.

Proefschrift: Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht

Het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte vormt een feit dat zowel beboetbaar als strafbaar is. Omdat hetzelfde feit echter maar een keer mag worden bestraft, moet er op grond van de wet een keuze worden gemaakt tussen bestuurlijke afdoening of strafrechtelijke vervolging. Het zou voor de strafwaardigheid van een onjuiste aangifte vervolgens niet mogen uitmaken of een zaak door de belastingrechter (bij bestuurlijke afdoening) of door de strafrechter (bij strafrechtelijke vervolging) wordt beoordeeld. Toch leidt, als een aangifte onjuist is als gevolg van een onjuist maar pleitbaar standpunt, de keuze tussen de ene en de andere weg tot een verschil. Volgens de belastingkamer van de Hoge Raad leidt het pleitbare standpunt namelijk steeds tot het ontbreken van opzet en daarmee tot straffeloosheid. De strafkamer van de Hoge Raad heeft in de tot nu toe beoordeelde zaken daarentegen geen rol voor het pleitbare standpunt gezien. In dit boek wordt op zoek gegaan naar een verklaring voor dit onderscheid. Daarbij wordt niet alleen de pleitbaar standpunt jurisprudentie behandeld, maar wordt ook, zowel voor het fiscale boete- als voor het fiscale strafrecht, uitgebreid op de invulling van het opzetbegrip ingegaan. Vervolgens wordt een voorstel voor een benadering van het pleitbaar standpunt verweer geformuleerd die zowel door de belastingkamer als door de strafkamer van de Hoge Raad zou kunnen worden toegepast.

Proefschrift: De bestuurder in het onderwijs

In dit proefschrift gaat Martijn Nolen in op de positie van de bestuurder in het onderwijs. Hij bespreekt de voor bestuurders relevante onderwijsrechtelijke kernbegrippen, het publiekrechtelijk toezicht, het privaatrecht als toetsingskader, het thema samenwerking in het onderwijs en de benoeming, de beloning en het ontslag van individuele bestuurders. Op basis hiervan analyseert hij de juridische positie van de bestuurder en de verplichtingen van onderwijsorganisaties.

Proefschrift: De positie van de vennootschap onder firma

Dient de positie van de rechtsvorm van de vennootschap onder firma (vof) versterkt te worden en zo ja, op welke wijze? Deze vraag wordt in dit onderzoek beantwoord. Daarbij wordt gekeken naar de positie van de vof en haar vennoten in het privaatrecht, het vennootschapsrecht, het publiekrecht en het Europese recht. Knelpunten worden gesignaleerd. In hoeverre kunnen de vennoten deze zelf oplossen in een vennootschapscontract en in hoeverre moet de wetgever oplossingen bieden middels herziening van de personenvennootschapswetgeving?

Proefschrift: Strafrechtelijke aanpak van organisatiecriminaliteit

Er is relatief weinig bekend over de strafrechtelijke aanpak van organisatiecriminaliteit. Welke gedragingen en welke organisaties worden bijvoorbeeld strafrechtelijk opgepakt? Hoe worden deze gedragingen vervolgens afgedaan? En welke omstandigheden en overwegingen liggen hieraan ten grondslag?

Proefschrift: Het beperkt zakelijk recht en enkele belastingen

Binnen ons wettelijk systeem bestaat de mogelijkheid om beperkt zakelijke rechten te vestigen zoals een recht van erfpacht, een recht van opstal en een erfdienstbaarheid. De omvang van de rechten en verplichtingen die toekomen aan de beperkt zakelijk gerechtigde, wordt vastgelegd in de akte waarbij het recht wordt gevestigd. Naarmate de omvang van het recht toeneemt en deze de volle eigendom van de onroerende zaak benadert, ligt het voor de hand om deze beperkt zakelijke rechten op gelijke wijze als de onroerende zaak zelf in de heffing van belastingen te betrekken. Ook indien het beperkt zakelijk recht qua omvang de volle eigendom niet benadert, zou dit recht als belastingobject kunnen dienen. Martijn Albers is voor zijn promotieonderzoek nagegaan op welke wijze beperkt zakelijke rechten in de heffing van omzetbelasting, overdrachtsbelasting en (in beperkte mate) inkomstenbelasting worden betrokken. Hierbij heeft hij onderzocht of bij de heffing van omzetbelasting, overdrachtsbelasting en (beperkte mate) inkomstenbelasting door de wetgever voldoende rekenschap is gegeven van de eigenaardigheden van en de onderlinge verschillen tussen de verschillende beperkt zakelijke rechten, wat de eventuele gevolgen zijn van een onvoldoende afstemming en welke maatregelen eventueel getroffen kunnen worden om te komen tot een meer evenwichtige heffing. Een en ander heeft Albers, voor zover relevant, vergeleken met de heffing van deze belastingen bij de onroerende zaak zelf. Albers concludeert dat de wet op een aantal punten aangepast zal moeten worden om tot een meer evenwichtige belastingheffing te komen bij beperkt zakelijke rechten, zijnde het recht van erfpacht, het recht van opstal en de erfdienstbaarheid.

Proefschrift: Omstandigheden die de werking van de redelijkheid en billijkheid beïnvloeden

De redelijkheid en billijkheid speelt een grote rol in het privaatrecht. De werking ervan is afhankelijk van alle relevante omstandigheden van het geval. Dit proefschrift geeft een overzicht van de verschillende relevante omstandigheden en beschrijft hoe deze de werking van de redelijkheid en billijkheid beïnvloeden. Daarnaast vergelijkt deze systematische studie de verschillende omstandigheden met elkaar.

Proefschrift: De invloed van ILO-conventie 181 en regelgeving omtrent uitzendarbeid

Hoe valt ILO-Conventie 181 in het licht van de 'vermensenrechtelijking' van arbeidsverhoudingen te waarderen? Vast valt te stellen dat Conventie 181 ziet op vele mensen- en arbeidsrechten, die ook in de mensenrechtenverdragen te vinden zijn. Die verdragen zijn echter breder van opzet. De hierbij behorende internationale normatieve frameworks betreffen soft law. Conventie 181 brengt echter ten aanzien van uitzendarbeid meer verplichtingen met zich mee.

Proefschrift: Algemene voorwaarden in het arbeidsrecht

- Wat zijn de redenen geweest om het arbeidsrecht uit te sluiten van de wettelijke regeling rond algemene voorwaarden?
- Is het arbeidsrecht desondanks beïnvloed door de algemene voorwaarden?
- Wat zou toepasselijkheid van de regeling van algemene voorwaarden kunnen meebrengen voor het individuele en voor het collectieve arbeidsrecht?
- En is het wenselijk de regeling van algemene voorwaarden alsnog van toepassing te verklaren op ons arbeidsrecht?

Proefschrift: De juridische positie van burgers in opsporing van strafbare feiten

In dit onderzoek staat de juridische positie van de burger in de opsporing van strafbare feiten centraal. Als gevolg van handhavingstekorten, nieuwe technologische mogelijkheden en een toegenomen verantwoordelijkheidsgevoel voor de veiligheid is de burger steeds meer een zichtbare rol gaan spelen in de opsporing. In het Wetboek van Strafvordering staat echter de overheidstaak tot opsporing centraal. Stilgestaan wordt bij de rol die burgers binnen en buiten de kaders van het Wetboek van Strafvordering vervullen. Onder meer burgerinformanten, burgerinfiltranten, onderzoeksjournalisten en particuliere rechercheurs passeren de revue.

Proefschrift: Naar een relationeel bestuursrecht

Het Nederlandse bestuursrecht is sterk geënt op de noties van een ondeelbaar algemeen belang en verticale publiekrechtelijke verhoudingen. Maar hoe zou een 'responsief' model van bestuursrechtelijke rechtsbescherming vorm kunnen krijgen, dat tegemoet komt aan de 'gehorizontaliseerd' en 'gefragmenteerde' hedendaagse sociale werkelijkheid?
Dit proefschrift biedt een analyse van de ideeënhistorische en rechtstheoretische grondslagen van het bestuursrecht. Vervolgens gaat het in op actuele discussies over het besluitbegrip, het relativiteitsvereiste en het evenredigheidsbeginsel. Uiteindelijk beoogt het mede vorm te geven aan een nieuw model van 'rechtsstatelijk bestuursrecht'.

Proefschrift: Rechtsbescherming bij verdeling van schaarse publieke rechten

Schaarse publieke rechten zijn vergunningen, subsidies en andere publiekrechtelijke rechten waarvan de beschikbaarheid wordt beperkt door middel van een 'plafond' en waarnaar de vraag groter is dan het aanbod, zoals frequentievergunningen, kansspelvergunningen of concessies voor openbaar vervoer. Is het bestuursprocesrecht voldoende toegesneden op de verdeling van schaarse publieke rechten? In dit proefschrift worden vijf knelpunten gesignaleerd.

Proefschrift: Alternative Enforcement of Competition Law

Competition authorities are known for imposing fines on companies that have infringed the law. Alternative enforcement—by contrast—can be characterised as informal, horizontal, compliance-based, restorative or preventative. This research analyses and compares the use of alternative enforcement instruments (negotiated procedures, individual guidance and compliance programmes) by the Dutch ACM, the UK Competition Authority and the French Autorité de la Concurrence.

Proefschrift: Intellectuele-eigendomsrechten als verhaalsobject

Dit boek gaat over het vestigen van zekerheidsrechten en het leggen van verhaalsbeslag op IE-rechten. Als gevolg van de bijzondere kenmerken van IE-rechten bevat het zekerhedenrecht en het beslagrecht in Nederland lacunes, waardoor IE-rechten minder vaak als verhaalsobject worden benut dan mag worden verwacht. Een schuldeiser die, na bijvoorbeeld een pandrecht op IE-rechten te hebben gevestigd of daarop verhaalsbeslag te hebben gelegd, zijn vordering wil verhalen door uitwinning van die rechten, stuit op problemen. De auteur doet aanbevelingen om die problemen (geheel of gedeeltelijk) weg te nemen.

Proefschrift: De deelgeschilprocedure

De afhandeling van letsel- en overlijdensschade na een ongeval kan moeizaam en traag verlopen. Ter facilitering daarvan is in 2010 de deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade geïntroduceerd. Deze procedure biedt partijen de mogelijkheid al tijdens de buitengerechtelijke onderhandelingen een deel van hun geschil ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Na de procedure worden zij geacht de onderhandelingen zelf voort te zetten en minnelijk af te ronden. De vraag is of deze gerechtelijke procedure de buitengerechtelijke onderhandelingen daadwerkelijk verbetert. Welke factoren bemoeilijken of vertragen de afhandeling?

Proefschrift: De relativiteit van wettelijke normen

Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden (artikel 6:163 BW). Maar hoe zou de rechter de relativiteit van een wettelijke norm moeten vaststellen? Dit proefschrift is een poging een samenhangende visie te ontwikkelen op de definitie en ratio van het relativiteitsvereiste en de toets aan dit vereiste bij wettelijke normen. Sluitstuk van deze visie is een model voor deze toets.

Proefschrift: A Comparative Study of Cybercrime in Criminal Law: China, US, England, Singapore and the Council of Europe

This research intends to unveil problems in the criminal law when dealing with cybercrime and explore possible solutions through comparative study of China, US, England, Singapore and the Council of Europe. Criminals have abused the convenience brought by information technology. When facing with this unwelcome change, jurisdictions and international institutions have developed different measures in the criminal law field. However, the amount of cybercrime has kept increasing, and cybercrime continues to present challenges to criminal law. In this background, this research focuses on how to adapt criminal law to combat cybercrime.
This central question contains four aspects in this research:
1. Do we need a cyber-specific legislation to regulate cybercrime?
2. If this specific legislation is necessary, what the adequate and systematic approaches can this legislation take to determine and regulate cybercrime?
3. What principles are sufficient and appropriate to determine jurisdiction over cybercrime?
4. What is the function and influence of the Convention on Cybercrime in shaping appropriate legislation and fostering international cooperation against cybercrime?

Proefschrift: Het recht als digitale dienstverlening

Computer says ‘no’ staat centraal in dit onderzoek naar de invloed van informatie- en communicatietechnologie op het recht. Er worden drie mogelijkheden bekeken om de overheidsdienstverlening te verbeteren. Het onderzoek toont aan dat ICT kan helpen om mensen minder snel in de rechtszaal te doen belanden. Het toont ook aan dat een slecht ontwerp tot een Kafkaiaanse vervreemding kan leiden en dat juristen zich meer met de ontwerpfase van ICT-oplossingen moeten bezighouden.

Proefschrift: Commissies van beroep in het bijzondere onderwijs

In dit proefschrift is onderzoek verricht naar commissies van beroep in het bijzonder onderwijs. Werknemers in het bijzonder onderwijs kunnen sinds jaar en dag beroep instellen tegen verschillende (nader geregelde) besluiten van de werkgever die betrekking hebben op hun arbeidsrechtelijke rechtspositie. In deze studie is op basis van een analyse van ruim 2.600 uitspraken op verschillende onderdelen het functioneren van de commissies van beroep in Nederland onderzocht.
Daarnaast is de Wet Werk en Zekerheid (Wwz), die per 1 juli 2015 heeft geleid tot een ingrijpende wijziging van het Nederlandse ontslagrecht en de wettelijke regeling van de commissies van beroep, in dit onderzoek betrokken. Wat betekent de Wwz voor de commissies van beroep? Welke rollen zijn er voor de commissies van beroep nog weggelegd na de invoering van de Wwz, mede gelet op de analyse van de uitspraken uit het verleden? Op basis van de onderzoeksresultaten wordt een aantal aanbevelingen gedaan.

Proefschrift: Aansprakelijkheidsrechtelijke normstelling voor onzekere risico's

Mede vanwege een (vermeend) gebrek aan publiekrechtelijke normen voor de omgang met onzekere risico's in het aansprakelijkheidsrecht, staat de rol van het ongeschreven onrechtmatigedaadsrecht (lees: maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen) bij het bepalen van de vereiste omgang met onzekere risico's in de aandacht.
Via het aansprakelijkheidsrecht kan op (grosso modo) twee manieren worden bepaald wat de rechtens vereiste omgang is met een onzeker risico: via gebods- en verbodsacties en (na de materialisatie van een risico) via schadevergoedingsclaims.

Proefschrift: Effectiviteit aan de horizon. Een studie rond onderzoek naar resultaat op het gebied van de justitiële kinderbescherming

Marieke Dekker deed wetenschapshistorisch onderzoek naar in hoeverre en op welke manier er aandacht bestond voor, en onderzoek werd gedaan naar, resultaten van interventies die plaatsvonden bij de justitiële kinderbescherming in Nederland tussen 1945 en 2005. Het blijkt dat in de gehele door Dekker onderzochte periode er binnen de kinderbescherming aandacht was voor de vraag wat interventies in het kader van justitiële maatregelen opleverden. De manier waarop resultaten van interventies onderzocht werden veranderde wel door de tijd heen. Door de wens om zoveel mogelijk objectief resultaten vast te stellen verdwenen vanaf het einde van de jaren zestig de interviews met oud-pupillen naar de achtergrond. Dekker pleit ervoor om de ervaringen van de direct betrokkenen weer centraal te gaan stellen.

Proefschrift: Grensoverschrijdende overgang van onderneming

In dit proefschrift wordt de grensoverschrijdende overgang van onderneming bezien vanuit rechtsvergelijkend en conflictenrechtelijk perspectief. Met de Europese richtlijn overgang van onderneming als uitgangspunt wordt geïnventariseerd hoe deze is geïmplementeerd in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Welke verschillen zijn er tussen voornoemde nationale wetgevingen en welke problemen zouden daardoor kunnen ontstaan bij een grensoverschrijdende overgang van onderneming?

Proefschrift: De toepassing van het Haags Kinderontvoeringsverdrag in Nederland en het belang van het kind

Het onderwerp internationale kinderontvoering komt regelmatig in het nieuws. Vaak zijn het verhalen van moeders die vechten voor de terugkeer van hun kind dat door de vader naar het buitenland is ontvoerd. Óf verhalen van moeders die wanhopig zijn, omdat de Nederlandse rechter heeft bepaald dat hun kind moet terugkeren naar de vader in het buitenland. In beide gevallen wordt kritiek geuit. De overheid doet hetin de publieke opinie altijd verkeerd. Enerzijds doet ‘de overheid’ te weinig om kinderen terug te halen naar Nederland. Anderzijds zou ‘de overheid’ kinderen op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag te gemakkelijk, haast klakkeloos, vanuit Nederland naar het buitenland terugsturen. Moeders die kinderen meenemen naar Nederland kunnen dikwijls rekenen op begrip. De toepassing van het Haags Kinderontvoeringsverdrag in die situatie, stuit vaak op onbegrip. Met moeders van kinderen die naar het buitenland zijn ontvoerd wordt aan de ene kant meegeleefd, maar aan de andere kant wordt vaak gezegd dat het ‘hun eigen schuld is’, ‘dat ze dan maar niet met een buitenlander hadden moeten trouwen’ en ‘dat ze toch hadden kunnen weten dat islamitische vaders, als een relatie verbroken is, vroeg of laat de kinderen ontvoeren.’ Aan de verhalen van vaders, of zij nu de ontvoerende of de achtergebleven ouder zijn, wordt in de media doorgaans weinig aandacht besteed. Het kind zelf, waar het uiteindelijk allemaal om draait, komt bijna nooit aan het woord. Wat in zijn belang is, blijft vaak onbesproken. Vanuit dit perspectief, vanuit het belang van het kind, is dit onderzoek verricht. Centraal in het onderzoek staat het belang van het kind in relatie tot de toepassing van het Haags Kinderontvoeringsverdrag in voornamelijk Nederland.

Proefschrift: Discretion in the context of EU decision-making, national transposition and legitimacy regarding EU directives

This dissertation looks into the role of discretion granted by EU directives in EU legislative decision-making and national transposition processes. It applies a qualitative single country-study, focusing on the transposition of six directives in the Netherlands, from the policy areas of consumer protection, environment and justice and home affairs (migration). In the theoretical part the concept of discretion is explored, using insights from both the legal and political sciences. The empirical analysis then presents both EU and national processes regarding the six directives, addressed individually as well as in a comparative manner. This study contributes to clarifying the reasons and circumstances regarding the granting of different margins of discretion to Member States and the effects of discretion on EU negotiations and national transposition. It confirms that discretion can have facilitating and impeding effects on transposition, explains why, and identifies other factors affecting transposition by interacting with discretion. Additionally, a more fine-grained approach to measuring discretion is proposed than hitherto. Finally, but addressed separately from the empirical analysis, the link between discretion and legitimacy is elaborated. It is argued that discretion in national transposition processes can be used to enhance the directives’ input, throughput and output legitimacy within national law.

Proefschrift: Het legaliteitsbeginsel en de doorwerking van Europees recht in het Nederlandse materiële strafrecht

Het recht van de Europese Unie beïnvloedt direct en indirect de reikwijdte van strafrechtelijke aansprakelijkheid in Nederland. Die beïnvloeding heeft betekenis voor het materieelrechtelijk legaliteitsbeginsel. In dit boek wordt onderzocht hoe het legaliteitsbeginsel invulling krijgt in de context van het meerlagige Europees strafrecht en wat de implicaties van die invulling zijn voor het waarborgen van rechtszekerheid en machtsverdeling. Het boek bevat daartoe een analyse van de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de deelnormen van het legaliteitsbeginsel en van de verplichtingen voor de Europese en Nederlandse wetgever en rechter die het Hof van Justitie afleidt uit die deelnormen. In het licht daarvan wordt onderzocht op welke wijze de Nederlandse wetgever en rechter invulling geven aan het legaliteitsbeginsel in het Europees strafrecht.

Proefschrift: Het recht om te demonstreren

Niet zelden levert de uitoefening van het recht om te demonstreren spanningen op met andere rechten, vrijheden en belangen—zeker nu er de laatste jaren sprake is van een toename van betogingen in aantal en in verschijningsvormen. In dit spanningsveld signaleert de onderzoeker een tiental knelpunten. Die hangen onder meer samen met het naar inhoud beperken (of geheel verbieden) van demonstraties en de wijze van omgaan met demonstratievormen die de samenleving meer belasten (zoals kampementen).

Proefschrift: Benoeming, beloning en ontslag van de vennootschapsbestuurder

Bestuurders met een arbeids- of opdrachtovereenkomst hebben een dubbele rechtsverhouding met hun vennootschap. Enerzijds is sprake van een contractuele rechtsrelatie (Boek 7 BW), anderzijds bestaat een vennootschapsrechtelijke band (Boek 2 BW). Deze dissertatie is de neerslag van een onderzoek naar die dubbele binding op het gebied van benoeming, beloning en ontslag.

Proefschrift: Activering en privatisering in de Nederlandse ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregeling in grensoverschrijdende situaties

De Nederlandse overheid schuift de verantwoordelijkheid voor inkomensvoorziening en re-integratie bij ziekte (privatisering van sociale zekerheid) steeds meer door naar werkgevers en werknemers. Zo moet de werkgever het loon aan de zieke werknemer maximaal twee jaar doorbetalen. In die ziekteperiode moeten werknemer en werkgever er alles aan doen om de werknemer in het arbeidsproces te houden of terug te laten keren. En zelfs als de werknemer langer dan twee jaar ziek blijft en een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV krijgt, zijn re-integratie en activering door de werkgever van belang. Wanneer de werknemer in het buitenland woont, blijken deze Nederlandse regels echter niet eenvoudig toepasbaar. Werknemers die in Nederland werken en ziek worden, vallen onder de Nederlandse regelingen; ook als ze in het buitenland wonen. De Europese coördinatieverordeningen die dan van toepassing zijn bieden ook niet veel hulp, omdat ze nog weinig rekening houden met re-integratie van werknemers en privatisering van sociale zekerheid. Bijgevolg kunnen de zieke en arbeidsongeschikte werknemer en zijn werkgever rechtsonzekerheid ervaren en komen ze lacunes in de wet en een onjuiste of gebrekkige uitvoering van de Nederlandse regels tegen. In haar proefschrift heeft Saskia Montebovi deze problemen uitgebreid geanalyseerd en uitgelegd. Het onderzoek levert een zinvolle bijdrage aan de modernisering van de sociale zekerheid én aan de bevordering van het vrije verkeer van werknemers.

Proefschrift: Privacyschending overheid op grond van nationale veiligheid

De inbreuk die de overheid soms maakt op onze privacy is niet altijd rechtmatig en rechtvaardig. Met name geheime diensten gaan regelmatig over het randje. Rob van den Hoven van Genderen pleit in zijn proefschrift voor een actievere en meer controlerende rol van het parlement. Daarnaast zou er een onafhankelijke autoriteit moeten komen die de uitvoering van privacybeperkende maatregelen controleert.

Proefschrift: De Dienstenrichtlijn in Nederland

Zowel in de wetenschap als in de rechtspraktijk roept de toepassing van de Europese Dienstenrichtlijn vragen op. Dit proefschrift maakt duidelijk welke juridische grenzen de richtlijn stelt aan de bevoegdheden van nationale wet- en regelgevers en hoe de richtlijn in de Nederlandse rechtsorde moet worden uitgelegd in het licht van de algemene Europeesrechtelijke leerstukken.

Proefschrift: Vrijheid van godsdienst in een democratische samenleving

De wijze waarop onze constitutionele orde de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging waarborgt, is dynamisch en complex. De individuele persoon oefent dit recht uit in een spanningsveld van rechten en vrijheden. Men kan dit recht op vrijheid niet zelf claimen zonder dat men dit recht aanvaardt van de ander. Daarin ligt de spanning die onze rechtsorde moet oplossen. Het onderzoek van Henk Post laat zien dat uitingen van religie niet een speelbal mogen zijn van de politiek, de publieke opinie of bepaalde antigodsdienstige sentimenten—in het bijzonder omdat een grondrecht in het geding is.

Proefschrift: Stoornis en strafuitsluiting

In deze dissertatie worden de rechter handvatten aangereikt voor de beoordeling van de vraag of sprake is van ontoerekenbaarheid wegens een psychische stoornis. Ontwikkelingen in de forensische gedragswetenschappen maken dat de rechter meer op zijn eigen oordeel daarover zal zijn aangewezen. Tevens kunnen rechtseenheid en rechtsbescherming worden verbeterd.

Proefschrift: Geschillen in de jaarrekening

In dit proefschrift is onderzocht hoe in de jaarrekening wordt omgegaan met onzekere risico’s in verband met claims, juridische geschillen en rechtsgedingen als voorbeeld van contingencies. Deze geschillen vragen van de aangesproken vennootschap voortdurende schatting van de proceskans en van de mogelijke financiële gevolgen. Het is afhankelijk van deze schattingen of een voorziening in de jaarrekening moet worden verwerkt

Proefschrift: Getuigenbescherming in Nederland

Een veilige 'herstart' en onafhankelijkheid in sociale en financiële zin is het uitgangspunt van getuigenbescherming. Maar wat mag in dit verband van de overheid worden verwacht? Het gebrek aan duidelijke richtlijnen heeft geleid tot dit onderzoek. Er dient een wettelijke mogelijkheid te worden gecreëerd die de rechter-commissaris in staat stelt de afspraken die worden gemaakt met getuigen voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting te toetsen.

Proefschrift: Vrijheid van meningsuiting vs. blasfemie en haatuitingen

Het proefschrift Faith in Public Debate is de rechtsvergelijkende studie over vrijheid van meningsuiting, blasfemie en haatuitingen in Frankrijk, Nederland en onder internationaal en Europees recht. Het benadrukt het verschil in de Franse en de Nederlandse benadering, bespreekt de jurisprudentie van het EHRM en formuleert voorstellen voor het stellen van grenzen binnen het publieke debat.

Proefschrift: Consultatie bij fiscale wetgeving

The key objective of this research is to design a consultation model for the legislative process in fiscal matters. When tax laws are being drafted, such a model can be used as a tool to select the best possible consultation variant and the suitable stakeholders. I have analyzed six consultation methods with the aim of providing a framework for selecting the most effective one(s). I have described the structure and possible variants of each of these six methods and I have explained their strengths and weaknesses. Of fiscal stakeholder groups that may be consulted there are seven: taxpayers; tax consultants and their professional organizations; interest groups; academics; judges and the National Ombudsman; foreign authorities; and internal stakeholders. I have identified the consultation purposes to which the various stakeholder groups can usefully contribute as well as the considerations underlying the choice whether or not to consult a particular stakeholder group. As the manner in which a consultation procedure is executed can be a decisive success factor, the key stages of a sound consultation procedure and the considerations underlying them are also an integral part of this research.

Proefschrift: The European Union as a constitutional guardian of internet privacy and data protection

In a developing information data flow in an unprecedented way, enabling mass surveillance by governments and private companies. It is no longer evident that the rights to privacy and data protection are guaranteed. However, these rights remain essential in our democratic societies under the rule of law. The EU Treaties have provided the European Union a specific mandate to ensure protection, in Article 16 of the Treaty on the Functioning of the European Union. This mandate is the subject of this thesis. The thesis discusses the roles of different actors: the Court of Justice, the EU legislator, the national data protection authorities and their cooperation mechanism. A chapter is dedicated to the strategies of the Union itself in the global context. The thesis underlines that the exercise of the mandate should be legitimate, in the sense that some democratic control is needed, and effective, meaning that individuals must benefit from the protection in practice. If the European Union manages to fulfil these two conditions, it shows its capability to properly deal with big societal issues, which is also important in a timeframe of widespread euroskeptics.

Proefschrift: Grensoverschrijdende splitsing van kapitaalvennootschappen

In dit proefschrift staan centraal de vragen of grensoverschrijdende juridische splitsing nut heeft ten opzichte van andere vormen van grensoverschrijdende herstructurering, of grensoverschrijdende juridische splitsing toelaatbaar is en welke (conflict)regels moeten worden toegepast bij de effectuering van een grensoverschrijdende juridische splitsing.

Proefschrift: Appèlgedrag van burgers in bestuursrechtelijke zaken

Burgers die hun geschil met een overheidsinstantie aan de bestuursrechter hebben voorgelegd, gaan opvallend vaak in hoger beroep als ze hun zaak verliezen. Appèlpercentages zijn significant hoger dan in civiele zaken en strafzaken. Wat is daarvan de reden?

Proefschrift: De Wet Bibob

In dit proefschrift wordt de Wet Bibob onderzocht vanuit twee invalshoeken: een juridische en een empirische. Het juridische deel geeft een analyse van de toepassing van de Wet Bibob in de bestuurspraktijk en vanuit de context van het strafrecht. Het empirische onderzoek richt zich op de vraag in hoeverre de wet wordt toegepast in overeenstemming met de beginselen van legaliteit, proportionaliteit en subsidiariteit. Om deze vraag te beantwoorden zijn Bibob-adviezen en de hierop gebaseerde besluitvorming geanalyseerd.

Proefschrift: Causaliteit, relativiteit en toerekening bij onrechtmatige overheidsdaad

In dit promotieonderzoek staat de bijzondere positie van de overheid in het onrechtmatigedaadsrecht centraal. De aanleiding voor het onderzoek is de onvoorspelbaarheid van het antwoord op de vraag wanneer de overheid succesvol aangesproken kan worden wegens onrechtmatige daad. Deze onzekerheid komt in belangrijke mate voort uit de tweeslachtigheid van het leerstuk van de onrechtmatige overheidsdaad: enerzijds gelden dezelfde vereisten als voor aansprakelijkheid van private partijen, anderzijds is het handelen van de overheid meestal ook publiekrechtelijk van aard.

Proefschrift: Privacy protection & behavioural targeting

This PhD thesis discusses how European law could improve privacy protection in the area of behavioural targeting. Behavioural targeting, also referred to as online profiling, involves monitoring people's online behaviour. To protect privacy, the EU lawmaker mainly relies on the e-Privacy Directive, as well as on general data protection law. The thesis is a legal study, but it incorporates insights from disciplines such as computer science, behavioural economics, and media studies.

Proefschrift: De verhoudingen tussen de centrale en decentrale overheden sinds 1848

Dit onderzoek heeft de verhoudingen tussen de centrale en decentrale overheden in Nederland als onderwerp. De grondwetsherziening van 1848 legde de basis voor de huidige hoofdstructuur van het openbaar bestuur, die gevormd wordt door de drie niveaus van algemeen bestuur: Rijk, provincies en gemeenten.
Onderzocht wordt hoe de verdeling van bevoegdheden zich heeft ontwikkeld sinds 1848. De focus ligt daarbij op de motieven die ten grondslag liggen aan het veranderen van de bevoegdheidsverdeling.

Proefschrift: Het fideicommis in de notariële praktijk

Dit proefschrift geeft een veelomvattend overzicht van de juridische aspecten van het fideicommis, dat in de praktijk ook wel de tweetrapsmaking wordt genoemd. Met een fideicommis kan iemand zijn vermogen niet één keer, maar vaker laten vererven. De persoon die het vermogen als eerste erft, is de bezwaarde. De persoon die het vermogen als tweede erft, wordt verwachter genoemd. De wet regelt de verhouding tussen de bezwaarde en de verwachter. Omdat die verhouding lijkt op die van een vruchtgebruiker en blote eigenaar, zijn de wettelijke vruchtgebruikbepalingen grotendeels van toepassing. Gekeken wordt onder meer naar complicaties in de verhouding tussen de bezwaarde en de verwachter.

Proefschrift: Rechtsbescherming van ondernemers in aanbestedingsprocedures

Dit proefschrift bevat een analyse van het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming van ondernemers bij Europese, nationale en particuliere aanbestedingen. In hoeverre is het recht dat van toepassing is op handhaving van de Europese aanbestedingsregels door ondernemers inpasbaar in ons nationale recht? En welke verschillen zijn er tussen de rechtsbescherming bij Europese aanbestedingen en de rechtsbescherming bij nationale (en particuliere) aanbestedingen?

Proefschrift: Cross-border patent infringement litigation in the EU

Dit proefschrift bevat een analyse van tekortkomingen in de Brussel Ibis-Verordening aangaande octrooi-inbreukprocedures. Deze Verordening voorziet in regels voor grensoverschrijdende octrooi-inbreukprocedures. Die regels vertonen echter aanzienlijke manco's waar het gaat om de vraag in welke mate een adequate octrooibescherming en -handhaving kan worden gewaarborgd.

Proefschrift: Privacy Tradeoffs in Information Technology Law

Technological changes, particularly in the context of big data, have made surveillance by public and private parties easier than ever before: they have reduced the costs of gathering, storing and disseminating information. This has been coupled with a decentralization in internet content creation. Together, these changes modify the interactions involving privacy and personal information exchanges and, to that extent, they force us to reconsider the scope of protection that we grant them. This reconsideration has been done from the perspective of human rights, while the economic incentives involved remain underexplored.

Proefschrift: The Contours of International Prosecutions; As Defined by Facts, Charges, and Jurisdiction

Hoe kan een strafrechtelijke aanklacht inzake internationale misdrijven fatsoenlijk worden afgebakend? Dat is een relevante en urgente vraag waarmee rechterlijke autoriteiten van de internationale straftribunalen en het Internationaal Strafhof (ICC) geworsteld hebben en nog steeds worstelen.

Proefschrift: De voorwaarde in het vermogensrecht

Dit onderzoek naar ontbindende en opschortende voorwaarden in het algemene vermogensrecht is met name gericht op de onderliggende systematiek van de figuur van de voorwaarde. Daarvoor is onderzoek gedaan naar de voorwaarde in het huidige Nederlandse recht, het recht onder het oud BW alsmede het Duitse en Zwitserse recht.

Proefschrift: De effectiviteit van horizontaal belastingtoezicht

Horizontaal toezicht. Niet eerder kende het Nederlandse belastingrecht een toezichtvorm waarbij wederzijds vertrouwen, begrip en transparantie het uitgangspunt vormen en de houding en het fiscale gedrag van belastingplichtigen in grote mate bepalend is voor hoe zij behandeld worden, zonder dat het tot materiële verschillen in de uiteindelijk vast te stellen belastingaanslag leidt. Maar hoe effectief is deze relatief nieuwe vorm van belastingtoezicht?

Proefschrift: Het schuldbeginsel in het Nederlandse strafrecht

In dit onderzoek staat de vraag centraal of er aanleiding is om de Nederlandse benadering van het schuldbeginsel, mede in het licht van de jurisprudentie van het EHRM, te heroverwegen. Daartoe wordt de historische oorsprong van de Nederlandse benadering van het schuldbeginsel onderzocht. Vervolgens wordt o.a. relevante rechtspraak van het EHRM besproken.

Oratie: Officier van justitie: magistraat in een bestuursorgaan

In het samenspel tussen de zittende magistratuur, de advocatuur, de politie en het Openbaar Ministerie zou men op elkaar moeten kunnen vertrouwen, waarbij de basis voor vertrouwen in het doen en laten van het Openbaar Ministerie berust op zijn oriëntatie op wet en recht. Kwaliteit van werk en organisatie en de rechtstatelijke oriëntatie zijn de komende drie kwartier regelmatig terugkerende thema´s. De laatste jaren is er vanuit verschillende richtingen kritiek geleverd op het werk en het functioneren van het Openbaar Ministerie. In grote lijnen en wat vrij weergegeven is de slotsom van deze kritiek dat het Openbaar Ministerie een zwakke schakel zou zijn in een weinig geloofwaardige strafrechtspleging.

Proefschrift: Ambtshalve toetsing

Volgens de wetgever bepalen partijen over welke geschilpunten de bestuursrechter zich dient uit te laten. Ambtshalve toetsing door de bestuursrechter is uitzonderlijk en komt uitsluitend voor in het geval van voorschriften van openbare orde. Dit brengt mee dat de bestuursrechter niet gehouden is om besluiten ambtshalve te toetsen aan regels van materieel bestuursrecht.
Vanwege het overwegend dwingende rechtskarakter van het materiële bestuursrecht is dit echter niet vanzelfsprekend. In dit proefschrift wordt onderzocht of (en zo ja: in hoeverre) het huidige overwegende verbod van ambtshalve toetsing gerechtvaardigd is.

Proefschrift: Het legaat, de wisselwerking tussen civiel en fiscaal recht

In het erfrecht is het legaat een belangrijke en veel gemaakte uiterste wilsbeschikking. Veelal dient het legaat een zuiver civielrechtelijk doel: het doen toekomen van een bepaald goed of een geldbedrag aan een bepaalde persoon. Het legaat leent zich echter bij uitstek ook voor het creëren van allerlei fiscaal ingegeven structuren. Dit onderzoek richt zich op het legaat en de wisselwerking tussen het civiele en het fiscale recht. Beoogd wordt om de kracht van het onderzoek te laten schuilen in de synthese van de civielrechtelijke en de successierechtelijke benadering van vragen rondom het legaat.
Een van de centrale onderzoeksvragen is wat onder het regime van de per 1 januari 2010 vernieuwde Successiewet 1956 nog de betekenis is van allerlei in de fiscaal-notariële praktijk gehanteerde structuren waarbij het legaat een rol speelt. Hieraan wordt de vraag gekoppeld of deze toepassingen wenselijk zijn, en – zo neen – op welke wijze de wetgever hiertegen kan optreden of reeds is opgetreden. Tevens is onderzocht of de wetgever in de Successiewet met het bestrijden van (in zijn ogen) onwenselijke structuren niet is doorgeschoten en zijn er aanbevelingen aan de wetgever gedaan.

Proefschrift: Digitale watermerken als juridisch bewijsmiddel

Om de onrechtmatige verspreiding van digitale content, zoals e-boeken en films, op internet te beperken worden onder meer onwaarneembare watermerken ingezet. Deze watermerken dienen ertoe de licentienemer te kunnen traceren wanneer hij de door hem aangeschafte content onrechtmatig zou verspreiden. In dit onderzoek is de vraag centraal gesteld of een dergelijk watermerk een effectief bewijsmiddel kan vormen voor de handhaving van auteursrechten op digitale werken.

Proefschrift: Arbeidsrecht in insolventie

In deze dissertatie wordt, mede aan de hand van rechtsvergelijking met Duitsland en België, onderzocht wat de verhouding is tussen het arbeidsrecht en het insolventierecht in Nederland.
Het spanningsveld tussen beide rechtsgebieden is opgedeeld in verschillende onderdelen: het individuele arbeidsrecht wanneer een werkgever in een insolventieprocedure terechtkomt, het collectieve arbeidsrecht wanneer de werkgever in een insolventieprocedure terechtkomt en de positie van de werknemers bij een reorganisatie wanneer de werkgever zich in een insolventieprocedure bevindt.

Proefschrift: De bestuurlijke boete in de praktijk van het financieel toezicht

De financiële toezichthouders AFM en DNB gebruiken de bestuurlijke boete voor zwaardere overtredingen dan bedoeld. De boete heeft zich daardoor ontwikkeld tot een gelijkwaardig alternatief voor het strafrecht, maar dat stelt hogere eisen aan het gebruik ervan. Dat stelt Arnt Mein in zijn proefschrift. Hij reconstrueerde de motieven achter en de kritiek op de bestuurlijke boete en zette de boetepraktijk daar tegen af.

Oratie: Door meten tot weten - Over rechtswetenschap als kruispunt

‘Door meten tot weten.’ Dat was de lijfspreuk van Heike Kamerlingh Onnes, de Leidse natuurkundige die in zijn oratie zijn collega’s aanspoorde om te bewegen van de theoretische naar de proefondervindelijke natuurkunde.1 Zijn borstbeeld met lijfspreuk staat voor het Kamerlingh Onnes-gebouw, de plek waar het absolute nulpunt werd bereikt en die lange tijd de koudste plek ter aarde werd genoemd. Inmiddels is er de Leidse rechtenfaculteit gevestigd. Nee, ik zal geen flauwe toespelingen maken op de vraag of op onze rechtenfaculteit nog dagelijks het absolute nulpunt wordt bereikt. Wel wil ik verkennen hoe de lijfspreuk ‘door meten tot weten’ zich verhoudt tot het werk dat wordt verricht op rechtenfaculteiten. Want het is geen evidentie dat een rechtenfaculteit zich afficheert als bolwerk van exactheid. Juristen houden zich immers vooral bezig met taal, tekst, systematisering, logische argumentatie, overtuiging en een betere wereld. Zij postuleren normen, debiteren soms tegeltjeswijsheden, argumenteren met verwijzing naar rechtssysteem, wet, rechtspraak, literatuur; maar zelden zie je ze meten of verwijzen naar systematische waarneming. Dus wat nemen we waar als als we op rechtenfaculteiten gaan meten?

Proefschrift: The presumption of non-conformity in European consumer sales law

This book analyses the allocation of the burden of proof in consumer sale cases. Particularly, it investigates the application of the presumption of non-conformity designed to simplify the consumer’s duty to supply evidence. It includes the description of general topics of the burden of proof in Poland, Germany, England and Wales, and the Netherlands. It provides detailed information on the notion of non-conformity as found in the Consumer Sales Directive and implemented in the mentioned Member States. Finally, it presents the comprehensive analyses of the presumption of non-conformity. It investigates the conditions for the application of the presumption, the existence of non-conformity within six months from the time of delivery of goods. It continues with the seller’s options to rebut the presumption. Finally, it discusses the exclusion criteria of the presumption. This book offer answers on whether the presumption of non-conformity constitutes an appropriate tool simplifying the burden of proof lying with the consumer and whether it provides for a high level of consumer protection necessary for the better functioning of the Internal Market.

Proefschrift: Het verplichte ouderschapsplan: regeling en werking

Dit boek presenteert de resultaten van een onderzoek naar de regeling van het verplichte ouderschapsplan. De auteur evalueert de regeling op basis van dit onderzoek en geeft een aantal suggesties voor verbetering van de wetgeving. Daarbij zijn de juridische aspecten van de regeling onderzocht. Daarnaast is empirisch onderzoek verricht naar de effectiviteit van het verplichte ouderschapsplan en is door middel van een rechtsvergelijkend onderzoek een analyse gemaakt van bestaande regelingen in het buitenland die hetzelfde doel en dezelfde kenmerken hebben als het Nederlandse ouderschapsplan. In het laatste deel van het boek wordt een aantal voorstellen gedaan voor een alternatieve regeling.

Proefschrift: Opsporing, tegenspraak en veranderende frames

Dit onderzoek gaat over één van de getroffen maatregelen om fouten in de opsporing bij de politie te voorkomen of te herstellen, te weten tegenspraak. Centraal staan de vragen hoe tegenspraak in de opsporingspraktijk binnen de Nederlandse politie plaatsvindt, welke bijdrage het levert aan het opsporingsproces en welke factoren daarbij een rol spelen.

Proefschrift: Europese regelgeving omtrent betalingsachterstanden en het betaalgedrag van Nederlandse gemeenten in 2009 en 2010

Deze studie stelt een van de vele risico’s van het ondernemerschap centraal: de mogelijkheid dat het geldbedrag dat een ondernemer aan een debiteur factureert, niet, niet geheel of niet binnen de gestelde termijn zal worden voldaan. Met name dat laatste aspect - het niet in acht nemen van de afgesproken betalingstermijn - kreeg in Europees verband in 1992 voor het eerst de aandacht. Het heeft echter tot het jaar 2000 geduurd alvorens Europese regelgeving tot stand kwam, specifiek gericht op het tegengaan van betalingsachterstanden. Dit proefschrift beschrijft onder meer de totstandkoming van Richtlijn 2000/35/EG van 29 juni 2000 en Richtlijn 2011/7/EU van 16 februari 2011 aangaande het terugdringen van betalingsachterstanden bij handelstransacties. Daarnaast wordt, mede in relatie tot de genoemde Europese regelgeving, het betalingsgedrag van Nederlandse gemeenten in de jaren 2009 en 2010 in kaart gebracht.

Proefschrift: Het voorlopig getuigenverhoor

Het middel van het voorlopig getuigenverhoor geeft partijen de mogelijkheid om voorafgaand aan het moment van bewijslevering in een hoofdzaak getuigen te doen horen door de rechter. Hierna wordt eerst het doel van het voorlopig getuigenverhoor behandeld, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan het historisch en rechtsvergelijkend perspectief. Aangezien een aan de wettelijke vereisten voldoend verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor in beginsel door de rechter moet worden toegewezen, komen vervolgens de bevoegdheid van de Nederlandse civiele rechter en de procedurele kant van het voorlopig getuigenverhoor aan de orde. Op de regel dat de rechter een aan de wettelijke vereisten voldoend verzoek moet toewijzen, bestaat een uitzondering als de verzoeker onvoldoende belang bij zijn verzoek heeft, misbruik maakt van het voorlopig getuigenverhoor of als het verzoek strijdig is met de goede procesorde, dan wel moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.

Proefschrift: De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap

Werknemers gebruiken hun invloed op de vennootschap grotendeels om hun arbeidsvoorwaarden te verbeteren. Dat is kortzichtig, stelt Marnix Holtzer in zijn proefschrift. Ze zouden beter kunnen meedenken over de strategie van het bedrijf. Dan kunnen ze ook sturen op langetermijnstrategieën die van grotere sociale en maatschappelijke betekenis kunnen zijn dan alleen de hoogte van hun eigen loon en dat van hun collega's. Ook het bestuur en de raad van commissarissen hebben er belang bij deze invloed van werknemers te ondersteunen.

Oratie: De prejudiciële procedure: oude problemen of nieuwe uitdagingen?

Prof.mr.dr. Jurian Langer concentreert zich in zijn oratie op de prejudiciële procedure van artikel 267 van het Werkingsverdrag, een cruciale schakel in de doorwerking van Europees recht in de nationale rechtsorde. Artikel 267 is misschien het meest succesvolle artikel van de Europese verdragen. Zo zijn veel belangrijke Europeesrechtelijke concepten ontwikkeld naar aanleiding van prejudiciële verzoeken. Welke factoren bepalen het succes van de prejudiciële procedure, en hoe kan ervoor gezorgd worden dat het een succesnummer blijft?
De procedure van artikel 267 geeft elke nationale rechter de bevoegdheid – en sommige rechters zelfs de plicht – om aan het Luxemburgse Hof van Justitie vragen stellen over de uitleg van Europees recht en geldigheid van handelingen van de EU. Het Hof geeft vervolgens antwoord, en de nationale rechter zal met behulp ervan het nationale geschil beslechten. Nationale rechters weten steeds beter de weg naar Luxemburg: al jaren stijgt het aantal prejudiciële verzoeken gestaag.

Proefschrift 'Stille getuigen: Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen'

Getuigenverklaringen worden niet altijd naar waarheid afgelegd. Het kan voor verdachten daarom belangrijk zijn om een gelegenheid te krijgen om getuigen te ondervragen die belastende verklaringen hebben afgelegd. Artikel 6 lid 3 sub d EVRM geeft hen daartoe het recht. Onderzocht is of het Nederlandse recht ten aanzien van het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen in overeenstemming is met het EVRM-recht.

Oratie: Banken in een macro-juridische context: over recht, risico, resolutie en financiële stabiliteit

In zijn rede bespreekt Bierens de samenhang tussen het recht, financiële stabiliteit en internationaal bankieren. Op welke wijze levert het recht een bijdrage aan de stabiliteit van banken? De zoektocht naar een antwoord op deze vraag voert langs de belangrijkste werkplaatsen van het financieel recht. Sinds 2008, toen de financiële crisis uitbrak, zijn belangrijke stappen gezet door de mondiale coördinatie van stabiliteitsbevorderende normen, inclusief kapitaaleisen en nieuwe regels voor de afwikkeling van banken, de harmonisatie van regulering en een intensivering en verdieping van het bankentoezicht. Tegelijk kent het recht ook beperkingen en kan het zelfs de bron zijn van nieuwe risico’s. De toegenomen hoeveelheid aan soft law en hard law leidt tot een afnemende hanteerbaarheid en voorspelbaarheid van het recht. Ook draagt wetgeving door haar territoriale begrenzing bij aan de fragmentatie van de mondiale kapitaalmarkt. Kortom, een verkenning van de mogelijkheden en begrenzingen van een even interessant als actueel rechtsgebied.

Proefschrift: Facts Matter: A Study into the Casuistry of Substantive International Criminal Law

Hoe passen internationale strafhoven internationale misdrijven en aansprakelijkheidstheorieën toe op de feiten van individuele gevallen? Marjolein Cupido onderzocht de ontwikkeling van het internationaal strafrecht door internationale strafhoven, zoals het Joegoslavië Tribunaal, het Rwanda Tribunaal en het Internationaal Strafhof.

Proefschrift: Het medisch beoordelingstraject bij letselschade

Dit proefschrift gaat over het medisch beoordelingstraject in juridisch perspectief in letselschadezaken en bevat een wetenschappelijk verslag van het onderzoek naar mogelijkheden ter verbetering van dit medisch beoordelingstraject.

Proefschrift: Vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon

Dit onderzoek richt zich uitsluitend op de vergoeding van immateriële schade. Centraal staat de vraag in welke gevallen naar Nederlands recht smartengeld dient te worden toegekend. Deze vraag wordt uiteraard niet in een vacuüm gesteld en beantwoord, er is een juridisch kader. Dit bestaat voornamelijk uit twee bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek: art. 6:95 en art. 6:106. Art. 6:95 BW stelt:
"De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft."

Proefschrift: Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II

In sommige gevallen vraagt de Nederlandse rechter zich af of hij op goede gronden bevoegd is in een internationaal geschil. In zijn promotieonderzoek heeft Jochem Vlek aangetoond dat er behoefte bestaat aan een algemeen correctiemechanisme onder de EEX-Verordening II.
De EEX-Verordening II is de Europese verordening die gaat over bevoegdheid van de rechters in EU-lidstaten op het gebied van internationale burgerlijke en handelszaken. Als er bijvoorbeeld een geschil ontstaat tussen een Nederlands en een Duits bedrijf bepalen deze regels welke rechter bevoegd is het geschil te beslechten: de Nederlandse of de Duitse.
De bepalingen van deze Europese verordening zijn niet waterdicht. In de praktijk kan er dan ook misbruik van worden gemaakt. Vleks onderzoek legt de verschillende mogelijkheden tot misbruik van de EEX-Verordening II bloot. Hij onderzocht bovendien op welke manieren misbruik van het recht in deze context kan worden bestreden.
Het onderzoek toont aan dat behoefte bestaat aan een algemeen correctiemechanisme onder de EEX-Verordening II. “De toepassing van deze verordening stuit op bezwaren zodra ofwel rechtsmacht kunstmatig wordt gecreëerd, ofwel procedures in bepaalde lidstaten worden ingesteld met als enige doel de procedure te vertragen,” aldus Vlek. “De grote vraag daarbij is hoe een dergelijke misbruik-exceptie kan worden 'ingepast' in het bestaande juridische systeem.”
Vlek concludeert: gevallen van misbruik van recht onder de EEX-Verordening II kunnen worden bestreden door 'leentjebuur' te spelen bij het Europese recht. Het Europese recht bevat namelijk een algemene exceptie die luidt dat geen beroep op Europees recht kan worden gedaan indien daarvan misbruik wordt gemaakt. Deze exceptie kan ook worden toegepast op gevallen onder de EEX-Verordening II.
Als er bijvoorbeeld een vordering wordt ingesteld voor de Nederlandse rechter met het enkele doel een buitenlandse procedure te frustreren, dan kan de rechter met behulp van deze exceptie beoordelen of het instellen van deze vordering als misbruik moet worden bestempeld. Op deze manier kan de Europeesrechtelijke anti-misbruikfiguur gezichtspunten bieden die relevant zijn voor het beoordelen van misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II.

Proefschrift: Betrouwbaar getuigenbewijs

Men streeft in het strafproces naar een deugdelijke vaststelling van de feiten. Met name vanuit de rechtspsychologie is er al geruime tijd kritiek op de wijze waarop het onderzoek wordt vormgegeven met het oog op de strafrechtelijke waarheidsvinding. Eén van de kritiekpunten betreft de omgang met verklaringen van getuigen, in het bijzonder de totstandkoming en waardering van die verklaringen in het licht van de Nederlandse schriftelijke procescultuur.
Dit proefschrift gaat over de wijze waarop verklaringen van getuigen in het Nederlandse strafproces worden verkregen en verwerkt, waarbij wordt gekeken of het bestaande kader van strafvordering aanpassing behoeft.

Proefschrift: Bijzonder ontslagprocesrecht

Het onderzoek brengt in kaart op welke punten het ontslagprocesrecht afwijkt van het ‘normale’ civiele- en bestuursprocesrecht, wat de ratio is voor deze afwijkingen en of deze afwijkingen geoorloofd zijn, onder meer in het licht van de hogere internationale norm van art. 6 EVRM. Daarnaast wordt in de studie rechtsvergelijkend onderzoek gedaan naar het Duitse en Italiaanse ontslagstelsel. Bieden deze stelsels bruikbare alternatieven voor de procesrechtelijke bijzonderheden in het Nederlandse stelsel? Ten slotte wordt ingegaan op de Wet werk en zekerheid en het nieuwe ontslagprocesrecht dat daardoor per 1 juli 2015 in werking zal treden. Wat betekent deze wet voor de huidige procesrechtelijke bijzonderheden in het ontslagrecht? Daarnaast wordt dat nieuwe ontslagprocesrecht kritisch bezien mede in het licht van de rechtsvergelijkende bevindingen in de studie.

Proefschrift: Grondwet en eerlijk proces

In dit onderzoek staat de vraag centraal naar de meerwaarde van het opnemen van het recht op een eerlijk proces in de Nederlandse Grondwet. Primair wordt gekeken of de problemen die spelen bij het garanderen van een eerlijk proces op nationaal niveau en het toepassen van artikel 6 EVRM in de Nederlandse strafrechtsorde kunnen worden weggenomen of verminderd, wanneer er een nationale grondwettelijke bepaling over het eerlijk proces zou zijn.

Proefschrift: ‘Sharing the Pie’: Taxing multinationals in a global market

The current international corporate tax regime for taxing the business proceeds of firms operates arbitrarily. The aggregates of the nation states’ international corporate tax systems seem to distort a global efficient allocation of resources. The current model of corporate taxation finds its origins in the 1920s. It well suited the economic realities of the early days of international trade and commerce; the times when international business primarily revolved around bulk trade and bricks-and-mortar industries. But those days are long gone. Globalization, European integration, the rise of multinational enterprises, e-commerce, and intangible assets have changed the world considerably. These developments have caused the model to operate inconsistently with the economic reality of today. Corporate taxation and economic reality are no longer aligned. The model is ill-suited to current market realities. As a result multinational business decisions are distorted by tax considerations. The arbitrage may work to the benefit or detriment of nationally and internationally active firms. It also seems to put pressure on nation state corporate tax revenue levels. This may lead to spill-over effects and welfare losses at the end of the day. Matters seem to worsen in today’s increasingly globalizing economy. The question arises as to whether a proper alternative for taxing multinationals can be modeled. How should business proceeds of multinationals be taxed? Can we create something that suits the nature of a global marketplace somewhat better? What would such an alternative tax system look like? How would it operate? This study seeks to set forth an alternative to the corporate taxation framework currently found in international taxation. The aim is to develop some building blocks for an optimal approach towards taxing the business proceeds of multinationals, i.e., a ‘corporate tax 2.0’. As a starting point the authority of currently applicable national, international, and European tax law are not necessarily accepted. Accordingly, applicable tax law serves illustrative rather than argumentative purposes in this research. The study discovers the following components for a ‘Corporate Tax 2.0’: Tax Payable by ‘Firm A’ in Country X = Tax Rate * ‘Firm A’s’ Worldwide Rents * (Domestic Sales / Worldwide Sales).

Proefschrift: Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders

In dit proefschrift worden de grenzen aan de financieringsvrijheid van de aandeelhouder onderzocht. Na een economische analyse van de wijze waarop aandeelhouders kosten kunnen afwentelen op de overige bij de vennootschap betrokken partijen, wordt aan de hand van een viertal leerstukken uiteengezet waar die grenzen liggen—waarbij een brug wordt geslagen tussen economische noties en juridische normen. Daarbij komen fundamentele ondernemingsrechtelijke en insolventierechtelijke thema's aan bod.

Proefschrift: A rights-based analysis of EU health law & policy

Vanwege het onlosmakelijke verband tussen gezondheidsbeleid en fundamentele rechten is in dit proefschrift gekozen om deze rechten in te zetten als maatstaf om de legitimiteit van Europees gezondheidsbeleid te analyseren. Wat zijn de implicaties van Europees gezondheidsbeleid in het licht van fundamentele rechten?

Proefschrift: Punitive Damages: The civil Remedy in American Law, Lessons and Caveats for Continental Europe

Conventional wisdom tells us that what happens in the United States will not stay there and that American trends can also predict our future. The United States is considered to be a forerunner in several fields, and there is a certain tendency in Europe and other parts of the world to copy American traditions. Although, as with all conventional wisdom, it would be unwise to hold this one as a universal truth, we can learn something from it nevertheless. Perhaps most importantly, this wisdom teaches us not to close our eyes to what happens on the other side of the Atlantic Ocean. Information regarding the American approach to certain situations and (legal) problems might one day come in handy. This idea also forms the thread of this book on punitive damages, a civil remedy that is already widely discussed in American law and receives growing attention in Europe. Does this civil remedy have a future in continental Europe? Or should we, by definition, reject it, for example due to the often heard fear of the development of a so-called compensation culture or of exorbitant civil damages awards resulting from an excessive use of civil litigation?

Proefschrift: Re-integratie van de zieke werknemer

Op het gebied van de loondoorbetalingsplicht en op het gebied van de verzuimvoorschriften schiet het Nederlandse reintegratierecht voor werknemers tekort. Het biedt aan zieke werknemers geen betrouwbare en flexibele contractspositie, bevordert hun optimale inzet niet en er bestaat geen balans tussen de rechten en plichten van alle betrokkenen, concludeert Mark Diebels in zijn proefschrift. Hij onderzocht of Nederland op het gebied van arbeidsverzuim voldoet aan de wet- en regelgeving van de Europese Unie. Diebels doet 26 aanbevelingen om het re-integratierecht zo vorm te geven dat de balans in rechten en plichten in Nederland wordt hersteld.

Proefschrift: Particuliere recherche door werkgevers

Wetgeving en rechtspraak over recherchegedrag door werkgevers vormen een lappendeken met her en der gaten. Er zijn wel regels en er is jurisprudentie, maar alles bij elkaar schiet het Nederlands recht tekort en zijn werknemers onvoldoende beschermd tegen schendingen van hun privéleven. Dat concludeert Heleen Pool in haar proefschrift.

Proefschrift: De rol van werknemers(vertegenwoordigers) bij grensoverschrijdende fusies

Centraal in dit proefschrift staat de rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij grensoverschrijdende fusies. De praktijk leert dat er nog weinig grensoverschrijdende juridische fusies plaatsvinden waarbij werknemers zijn betrokken. De complexe regeling met betrekking tot de rol van werknemers is daaraan zeker debet. Deze studie biedt een fundamentele analyse van de wettelijke regeling en maakt inzichtelijk hoe de regels moeten worden toegepast.

Proefschrift: Borgtocht

In dit onderzoek staat de enige vorm van persoonlijke zekerheid centraal die is voorzien van een uitgebreide wettelijke regeling, te weten de overeenkomst van borgtocht. Deze overeenkomst, die een lange traditie kent, teruggaand tot de Klassieke oudheid,1 is ook in de moderne tijd een belangrijke vorm van zekerheid in het handelsverkeer. Zo treft men de borgtocht aan bij de directeur-grootaandeelhouder die borg staat voor de verplichtingen van zijn vennootschap of bij ouders die zich als borg verbinden voor de lening van hun kind. Het voorbeeld van de overeenkomst van borgtocht dat misschien wel de meeste bekendheid geniet, is de Nationale Hypotheek Garantie (NHG).

Proefschrift: Semipublieke instellingen

In dit onderzoek staat de vraag centraal wat de juridische positie is van semipublieke instellingen in het Nederlandse rechtssysteem. Met de beantwoording van deze vraag wordt beoogd een bijdrage te leveren aan het zoveel mogelijk wegnemen van onduidelijkheden en onzekerheden die daaromtrent bestaan. Semipublieke instellingen zijn in dit onderzoek ten eerste gedefinieerd als privaatrechtelijke rechtspersonen die institutioneel verbonden zijn met traditionele overheidsinstellingen (de staat, gemeenten, provincies), bijvoorbeeld vanwege de financiering, aandeelhouderschap, benoemingsrecht van bestuurders, aanwijzings- en goedkeuringsbevoegdheden. In de tweede plaats zijn het private rechtspersonen die maatschappelijke of publieke belangen behartigen. Zij bevinden zich daarmee op het snijvlak van overheid en samenleving en op het grensvlak van publiek- en privaatrecht.

Proefschrift: De verdeling van schaarse publiekrechtelijke rechten

Onder publiekrechtelijke rechten worden rechten verstaan die een bestuursorgaan verleent op grond van een publiekrechtelijke bevoegdheid, zoals vergunningen of subsidies. Dergelijke rechten zijn schaars als het aantal aanvragers of de som van de aanvragen groter is dan het aantal rechten dat hoogstens kan worden verleend. De verdeling van schaarse publiekrechtelijke rechten veronderstelt dat het aantal voor verlening beschikbare rechten is beperkt tot een bepaald maximum. Zowel in regelgeving als in jurisprudentie zijn meerdere parallelle bewegingen zichtbaar.

Oratie: Milieuaansprakelijkheid en zorgplichten in de Omgevingswet

De Omgevingswet is een wetsvoorstel dat op 17 juni 2014 aan de Tweede Kamer is aangeboden om in 2018 in werking te treden. Het voorstel bevat een zeer ingrijpende en verregaand integrale stelselherziening van het omgevingsrecht. De Omgevingswet zal in belangrijke mate de agenda van het milieurecht voor de komende jaren bepalen.
Het nu ingediende eerste gedeelte van het wetsvoorstel zal grotere eenheid van het milieurecht brengen. Het is echter de vraag in hoeverre de wet in vergelijking met het huidige milieurecht tot een eenvoudiger systeem van bevoegdheden en bestuurlijke bevoegdhedenverdeling zal leiden.
Daarom is een nadere beschouwing van bevoegdheden en bevoegdhedenverdeling nodig. Aan het thans geldende milieurecht ontleent de Omgevingswet onder meer de rechtsfiguren van zorgplichten, regelingen voor ongewone voorvallen en op een later moment ook milieuaansprakelijkheid. De Omgevingswet heeft zorgplichten en de regelingen voor ongewone voorvallen in licht gewijzigde vorm uit het geldende recht overgenomen. Dat levert een aantal aandachtspunten op. Bepleit wordt om die figuren nog eens goed tegen het licht te houden en de reikwijdte daarvan te heroverwegen, in het bijzonder bij samenlopende bevoegdheden van verschillende overheden.
Milieuaansprakelijkheid zal op een later moment een plaats in de Omgevingswet krijgen. In het huidige milieurecht is milieuaansprakelijkheid in belangrijke mate publiekrecht. Bepleit wordt, om in aanvulling op het huidige publiekrechtelijke instrumentarium een aanvullende voorziening te treffen voor kostenverhaal bij calamiteiten. Het risico is thans groot, dat overheden met kosten achterblijven, die zij niet kunnen verhalen. Tegelijkertijd kunnen derden gebaat zijn door overheidsingrijpen. Een aanvullende verhaalsmogelijkheid zou meer evenwicht in kosten en baten kunnen brengen.

Proefschrift: Werkzekerheid in het arbeidsrecht

Hoe verhoudt werkzekerheid zich als doelstelling tot het arbeidsrechtelijke kader en welke rol kan de cao als juridisch instrument spelen in de realisatie van werkzekerheid? In juridisch perspectief is relevant of cao-partijen werkzekerheidsafspraken kunnen maken en in hoeverre zij dit al (lijken te) doen, en tevens wat het rechtskarakter en de rechtswerking is van de cao-bepalingen die als werkzekerheidsbepalingen gekarakteriseerd kunnen worden.

Oratie: Werk en zekerheid: ontslagrecht doen in tijden van hard and fast rules

Kent u het Koningslied nog? “Daar sta je dan, de dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier.” Ons arbeidsrechtjuristen staat op 1 juli 2015 een nog veel bijzonderder dag te wachten. Voor ons geldt dan: “Daar sta je dan, de dag die je wist dat niet zou komen is eindelijk hier”. Een hele vreemde dag.

Proefschrift: Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken

Vormfouten horen al tijden tot de selectie van strafrechtelijke onderwerpen die in het maatschappelijk debat licht ontvlambaar zijn en die een onevenredige invloed hebben op het imago van de Nederlandse rechtspraak. Samen met ‘te lage straffen’ hoort het onderwerp tot de twee belangrijkste punten die het vertrouwen in de rechtspraak negatief beïnvloeden. Elke zaak waarin een vormfout tot bewijsuitsluiting en vrijspraak leidt of waarin het OM niet ontvankelijk wordt verklaard, kan hierbij als brandstof dienen. Ook strafvermindering als reactie op een vormfout, zoals onlangs nog toegepast in wat bekend werd als de Kopschopperszaak, kan tot beroering leiden.

Proefschrift: Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland

Beslag leggen is eenvoudig, maar een beslag opgeheven krijgen is vaak niet makkelijk. Inmiddels zijn de voorwaarden voor het leggen van conservatoir beslag aangescherpt in de Beslagsyllabus. Het conservatoir beslag is daarmee uit een mettertijd ontstane vanzelfsprekendheidsroutine gehaald.
De ontwikkeling naar een evenwichtiger conservatoir beslagregeling is echter nog niet afgerond: ook het opheffingskortgeding en de regeling inzake aansprakelijkheid bij onrechtmatig beslag zijn aan een herziening toe. Ditzelfde geldt voor het voorstel Europees bankbeslag.

Proefschrift: Gezichtspunten in het privaatrecht, in het bijzonder het arbeidsrecht

Het hangt af van alle omstandigheden van het geval. Eenieder die regelmatig kennisneemt van (civielrechtelijke) rechtspraak zal deze woorden bekend voorkomen. De Hoge Raad heeft de afgelopen halve eeuw verschillende methoden ontwikkeld om nadere invulling te geven aan het—op zichzelf weinigzeggende—criterium dat moet worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval.
Eén daarvan betreft het formuleren van wat in dit proefschrift gezichtspuntencatalogi genoemd worden. Een gezichtspuntencatalogus geeft aan welke feiten relevant zijn en welke niet, en geeft bovendien maatstaven om de relevante feiten juridisch te beoordelen. De Hoge Raad heeft in de loop der tijd vele van dergelijke lijsten met gezichtspunten, ofwel relevante factoren, geformuleerd, op tal van civielrechtelijke deelgebieden, niet in de laatste plaats het arbeidsrecht.

Proefschrift: Het zelfrealisatierecht. Ruimtelijk instrumentarium in verhouding tot het eigendomsrecht

Op 14 juni 2014 promoveerde Lisanne Groen aan de Vrije Universiteit Amsterdam op de omvang en de ontwikkeling van het zelfrealisatierecht gedurende de afgelopen anderhalve eeuw. Haar proefschrift werd recent besproken in het Nederlands Juristenblad. Ze heeft het schrijven als “een buitengewoon leuke bezigheid ervaren”. De term ‘zelfrealisatierecht’ komt volgens de auteur in wetgeving niet voor en heeft in Kamerstukken en jurisprudentie niet altijd dezelfde betekenis. Eén ding is echter zeker: het zijn van eigenaar is een noodzakelijke voorwaarde en er is steeds sprake van een ontwikkelrecht dat gekoppeld is aan het eigendomsrecht. De ontwikkeling van de omvang van het zelfrealisatierecht is in dit proefschrift bepaald door (de ontwikkeling van) het ruimtelijk instrumentarium in verhouding tot het eigendomsrecht te onderzoeken.

Proefschrift: Compliance at Banks

Maakt het recht voldoende duidelijk dat het voldoen aan de regels bij banken een kerntaak van het bestuur is? Die vraag staat centraal in dit proefschrift. Het is bij de huidige stand van het Nederlands recht, dat wil zeggen bij gebrek aan sancties, niet verwonderlijk dat banken het voldoen aan de spelregels afdoen aan een afdeling compliance. Schending van een compliance reglement wijst desondanks op onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur en zou dientengevolge geregeld moeten worden binnen het ondernemingsrecht.

Proefschrift: Ruimtelijk instrumentarium in verhouding tot het eigendomsrecht

Het eigendomsrecht brengt met zich dat een grondeigenaar in beginsel het recht heeft om op eigen grond een bouwwerk op te richten. Wanneer een zelfrealisatierecht betrekking heeft op het realiseren van een bouwplan door een eigenaar op eigen grond, wil dat zeggen dat het recht een bepaalde vorm van gebruik door de eigenaar mogelijk maakt. Het zelfrealisatierecht is daarom te beschouwen als een verbijzondering van de uit het eigendomsrecht voortvloeiende gebruiksbevoegdheid van de eigenaar.

Oratie: Achter de schermen van het telecommunicatierecht

De telecommunicatiemarkt wordt sterk beheerst door regulering. Deze regulering is (zoveel mogelijk) techniekneutraal en bij voorkeur ook sectorneutraal zodat technologische ontwikkelingen en de convergentie van ICT, telecommunicatie en omroep niet gehinderd worden door deze regulering. Technologische ontwikkelingen laten zich evenwel niet vanzelfsprekend sturen door regulering. De wetgever wordt keer op keer gedwongen om te beslissen over het wel of niet reguleren van de markt. Belangrijk is het uitgangspunt in het economisch recht om tot coördinatie te komen van de verschillende ingrepen op de markt.

Oratie: Achter de schermen van het telecommunicatierecht

Telecommunicatie is voor velen onlosmakelijk verbonden met het dagelijkse leven. In Nederland was in december 2013 ongeveer 95% van de inwoners aangesloten op het internet. Daarmee neemt Nederland een koploperpositie in Europa in. Maar wellicht ook juist vanwege deze hoge participatie ervaren we de afhankelijkheid daarvan. We willen altijd bereikbaar zijn - althans op de door ons gekozen momenten - en kunnen in onze Westerse wereld niet meer zonder onze mobiele telefoon en internet en een goede verbinding of bereik. Op internetfora maar ook in de Tweede Kamer is gediscussieerd over de vraag of mobiele telefoon en internet als een eerste levensbehoefte moeten worden gezien. Kan men worden afgesloten van deze communicatiemiddelen, of anders gezegd: bestaat er een recht om altijd bereikbaar zijn?

Proefschrift: De juridische infrastructuur van de maatschappelijke onderneming

In 2009 werd een wetsvoorstel gedaan voor een speciale rechtsvorm voor maatschappelijke ondernemingen: privaatrechtelijke organisaties die actief zijn in het algemeen belang, zoals onderwijs, zorg en sociale woningbouw. De beoogde rechtsvorm zou een modaliteit zijn van de vereniging of de stichting. Het wetsvoorstel werd echter ingetrokken.
In deze dissertatie wordt de anatomie van de maatschappelijke onderneming ontleed, waarbij gezocht wordt naar de kenmerken die deze rechtsvorm onderscheiden van andere rechtsvormen. Het onderzoek biedt inzicht in de achtergronden van de maatschappelijke onderneming en governance codes die voor dit type onderneming relevant kunnen zijn. Daarnaast worden enkele buitenlandse rechtsvormen geanalyseerd.

Oratie: IPR en EPR. Over wisselwerking, eenheid en verscheidenheid

De wereld wordt steeds internationaler, het internationale rechtsverkeer neemt toe: steeds meer internationale overeenkomsten, meer internationale huwelijken. Die vaststelling is niet erg grensverleggend. Tegelijkertijd zijn de grenzen niet verlegd: we leven nog steeds in een wereld van soevereine staten, met ieder zijn eigen (privaat)recht. Hoe moet, gegeven die twee vaststellingen, dat steeds toenemende inter-nationale rechtsverkeer worden geregeld?

Proefschrift: Re-integratie bij letselschade

Marieke Opdam maakt inzichtelijk dat het sociaal recht voldoende mogelijkheden biedt om bij de re-integratie van een letselschadeslachtoffer de slachtoffervriendelijke uitgangspunten uit het aansprakelijkheidsrecht in acht te nemen, zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van succesvolle re-integratie. Zo kan voor de benadeelde een ‘slachtoffervriendelijk’ re-integratietraject worden gerealiseerd, waarin meer dan standaard rekening wordt gehouden met zijn wensen en behoeften.
De resultaten van dit onderzoek zijn van belang voor letselschadeslachtoffers en anderen die bedrijfsmatig betrokken zijn bij de re-integratie. Op dit moment bestaat in de praktijk onvoldoende aandacht voor de wisselwerking tussen de inhoudelijk verschillende verplichtingen. Dit onderzoek biedt waardevolle handvatten om bij de re-integratie van letselschadeslachtoffers rekening te houden met zowel het aansprakelijkheidsrecht als het arbeids- en socialezekerheidsrecht.

Oratie: Telecommunicatierecht in het digitale tijdperk 3.0

De Telecommunicatiewet hanteert het begrip interoperabiliteit als verzamelnaam voor alle maatregelen die eindgebruikers van verschillende netwerken of diensten in staat stellen over en weer te communiceren en diensten af te nemen van andere aanbieders dan de eigen netwerkaanbieder. De Tw verenigt deze verschillende vormen van interoperabiliteit onder één noemer: ‘interoperabiliteit van diensten’. Toch is er onderscheid tussen netwerk- en diensteninteroperabiliteit.

Proefschrift: The Fragility of Rightness. Adjudication and the Primacy of Practice

Als rechters de wet op onpartijdige wijze toepassen, leidt dat niet automatisch tot waarborging van de kwaliteit van rechtspraak. Rechtspraak is veel breekbaarder dan algemeen wordt aangenomen, betoogt rechtsfilosoof Iris van Domselaar. Zij benoemt in haar promotieonderzoek een reeks aan professionele kwaliteiten die rechters nodig hebben om tot een goed oordeel te komen.

Proefschrift: Op en in het web

Bestaat er een plicht tot publicatie en strekt die zich uit tot alle rechterlijke uitspraken? Welke eisen worden gesteld aan selectiecriteria, anonimisering, hergebruik en de toegankelijkheid van jurisprudentiedatabanken? Eenduidige nummering van rechterlijke uitspraken, software die helpt relevante uitspraken te vinden en een computermodel dat uitspraken kan classificeren naar juridisch belang: dat zijn de instrumenten die uitspraken makkelijker vindbaar maken, zo stelt Marc van Opijnen in zijn proefschrift.

Oratie: How to Make the Draft EU Regulation on Data Protection Future Proof

Het voorstel voor de nieuwe privacyverordening in de Europese Unie biedt consumenten meer recht op informatie en toestemming ter bescherming van hun privacy, zodat ze betere keuzes kunnen maken. Volgens hoogleraar Lokke Moerel zullen deze rechten echter niet tot meer bescherming leiden. Het voorstel belemmert bovendien innovaties met big data, terwijl deze van groot maatschappelijk nut kunnen zijn. Moerel pleit voor een meer Amerikaanse harm-based benadering.

Proefschrift: De WW en nieuwe sociale risico's

Dit proefschrift onderzoekt de vernieuwing van de sociale zekerheid versus de grenzen die hieraan gesteld worden door internationale sociale verdragen. Hoe kan de sociale zekerheid worden gemoderniseerd? Hoe verhouden keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid zich tot de in de internationale verdragen vastgelegde principes als inkomensbescherming, solidariteit en gelijke behandeling? En welke rol spelen private instrumenten als spaarregelingen en een loondoorbetalingverplichting hierbij?

Proefschrift: Ontvoeringen & Gijzelingen

Dit onderzoek heeft tot doel te komen tot een criminologische beschrijving, analyse en theoretische duiding van (trends en patronen in) ontvoeringen en gijzelingen. Meer specifiek wordt ingezoomd op de periode 1999-2008 in Nederland. Centraal staan de volgende onderzoeksvragen: (1) Welke ontwikkelingen in (typen) vrijheidsberovingen doen zich voor, in het bijzonder in Nederland, in de periode 1999-2008? (2) Welke typen vrijheidsberovers kunnen in Nederland onderscheiden worden? (3) In hoeverre en op welke wijze draagt de rationele keuzebenadering bij tot het verklaren van vrijheidsberovingen en het gedrag van (typen) vrijheidsberovers? (4) In hoeverre en hoe wordt de wijze waarop vrijheidsberovingen worden georganiseerd beïnvloed door misdaadbestrijding? Zijn hierbij verschillen tussen typen vrijheidsberovers? Vrijheidsberoving is in Nederland strafbaar gesteld in artikel 282 en het verzwarende artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht. In deze studie hanteren we dit begrip, maar onderscheiden daarbinnen gijzelingen en ontvoeringen – ook al staat deze laatste term niet in het Wetboek van Strafrecht. Met deze tweedeling wordt aangesloten bij de in de politiepraktijk – en uit andere (wetenschappelijke) onderzoeken af te leiden – terminologie. Van een gijzeling is sprake als iemand tegen zijn of haar wil van zijn vrijheid wordt beroofd op een bekende locatie. Is de locatie onbekend, dan spreken we in dit onderzoek van een ontvoering.

Proefschrift: Wetgeving en beleid voor flexibele arbeid

Een aspect van de veranderingen in de wetgeving gericht op flexibele arbeid is dat de beschermingsfunctie van die wetgeving onder druk is komen te staan en dat in bepaalde delen van de arbeidswetgeving het beschermingsniveau is gedaald. Tussen het streven naar vergroting van de mogelijkheden tot het gebruik van die flexibele arbeid enerzijds en naar werknemersbescherming anderzijds, bestaat dus spanning. Het doel van het onderzoek is daarom de wijzigingen van de arbeidswetgeving kritisch te onderzoeken. Het belangrijkste gezichtspunt daarbij is de vraag in hoeverre de door de wetgever beoogde werknemersbescherming, ook waar deze minder ver strekt dan voorheen, door de desbetreffende wetgeving wordt gerealiseerd. Als bron om vast te stellen welke de beschermingsdoeleinden van de wetgever zijn, opdat de realisatie ervan kritisch is te analyseren, zijn niet alleen de (letterlijke) uitingen van de wetgever bij de totstandkoming van de wetswijzigingen belangrijk. Deze wettelijke beschermingsdoelen moeten in hun context worden beoordeeld. Om die reden vormt een belangrijk subdoel van het onderzoek de kritische reconstructie van de overwegingen en aannames waarop het wetgevingsbeleid en de wetswijzigingen gericht op flexibele arbeid zijn gebaseerd.

Proefschrift: Bundeling van omgevingsrecht

Het Nederlandse omgevingsrecht bestaat uit vele tientallen wetten in formele zin, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op het gebied van milieu, ruimtelijke ordening, water en natuur. De afgelopen decennia is het aantal wettelijke regelingen herhaaldelijk verminderd door bundeling. De aanleiding voor dit onderzoek vormt de vraag onder welke voorwaarden bundeling van omgevingsrecht al dan niet verantwoord is.

Proefschrift: Mens, maatschappij en mediation in het belastingrecht

Dit proefschrift gaat over de menselijke kant van het recht waarbij de auteur onder andere de cohesie tussen mens, maatschappij en recht heb willen aantonen. De rechtswetenschap is in mijn visie geen platte kennisleer maar een wetenschap die vanuit drie dimensies moet worden onderzocht, geanalyseerd en doorgrond.

Proefschrift: Werknemerscompensatie en preventie van arbeidsongevallen en beroepsziekten

Slachtoffers van arbeidsongevallen en beroepsziekten krijgen meestal geen compensatie voor financiële schade. Bovendien worden ze vaak onheus bejegend. Dit proefschrift doet verslag van een theoretisch en empirisch onderzoek naar de preventieve werking van verschillende systemen van werknemerscompensatie. De huidige compensatiepraktijk werkt niet, is de conclusie: van de 25.000 slachtoffers per jaar die financiële schade oplopen, komen er slechts 4.000 in aanmerking voor enige schadevergoeding.

Proefschrift: Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen

Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen is stellig een intrigerend onderwerp te noemen. Zij zou gezien kunnen worden als “een van de belangrijkste momenten in het zakelijke leven van de ondernemer”, omdat hij op dat moment de vruchten kan plukken van zijn jarenlange arbeid en de door hem genomen risico’s, zo is in de literatuur naar voren gebracht. De wetgever faciliteert dit moment op bepaald niet geringe schaal. Dat gebeurt zowel in de sfeer van de inkomstenbelasting als in die van de schenk- en erfbelasting. Daarbij heeft de wetgever niet alleen oog voor de dynamiek van het ondernemerschap, maar ook voor de continuïteit van de objectieve onderneming (als eenheid). Ondanks het feit dat het aantal ondernemingen dat wordt overgedragen klein is in vergelijking met het aantal dat wordt ontmanteld (en geliquideerd), bestaat er desalniettemin, en dat kan verbazingwekkend worden genoemd, een scala aan bedrijfsopvolgingsfaciliteiten, zo meldt Tigelaar-Klootwijk in de inleiding van haar boek over fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten (p. 3). Het onderzoek dat de auteur naar deze faciliteiten heeft verricht, is in een proefschrift neergelegd: Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen.

Proefschrift: 'Het Bestuursverbod bij de Commanditaire Vennootschap'

In dit proefschrift wordt onderzocht of de wettelijke regel die de commanditaire vennoot verbiedt deel te nemen aan het bestuur van de vennootschap, nog altijd bestaansrecht heeft. Daartoe wordt allereerst uitvoerig ingegaan op de reikwijdte van dit bestuursverbod in het Wetboek van Koophandel en de gevolgen van overtreding ervan. Daarna wordt de regeling van dit verbod in een rechtsvergelijkend en rechtshistorisch perspectief geplaatst.

Proefschrift: Toegang tot het recht bij ziekte en arbeidsongeschiktheid

Bram Rijpkema’s proefschrift behandelt de toegang tot het recht bij geschillen rondom ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het beeld dat uit zijn onderzoek naar voren komt is dat het stelsel in zijn huidige vorm op verschillende punten tekort schiet. Naar Rijpkema’s oordeel kan de toegang tot het recht worden vergroot door het stelsel te verfijnen, waarbij de wetgever blijft reguleren, faciliteren en coördineren en de betrokken partijen zo veel mogelijk de normen inhoudelijk uitwerken. De knelpunten die zijn blootgelegd betreffen de aspecten transparantie, consistentie en finaliteit. Rijpkema doet aanbevelingen om deze onvolkomenheden aan te pakken.
De sociale zekerheid op het terrein van ziekte en arbeidsongeschiktheid is de afgelopen jaren veranderd. De verantwoordelijkheid van de werkgever is vergroot met de loondoorbetalingsplicht bij ziekte van 104 weken op grond van het BW en figuren als premiedifferentiatie en eigenrisicodragerschap in de Wet WIA. Dit hangt samen met de nadruk die is komen te liggen op re-integratie. Tegelijkertijd is de overheid meer op afstand gaan staan als kaderschepper en toezichthouder. Opmerkelijke instrumenten hierbij zijn het deskundigenoordeel van het UWV bij geschillen tussen werkgever en werknemer en de loonsanctie waarmee de loondoorbetalingsperiode door het UWV met ten hoogste 52 weken wordt verlengd. Met deze verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid, werkgever en werknemer voldoet het huidige stelsel aan de omschrijving van een ‘regulatory welfare state’.
De veranderingen in het recht werken door in de rechtsbescherming. Civielrechtelijke loonvorderingsprocedures zijn bijvoorbeeld in de plaats gekomen van bestuursrechtelijke procedures over ziekengeld. Ook kan de eigenrisicodragende werkgever tegenover zijn werknemer als bestuursorgaan worden aangemerkt met alle procedurele gevolgen van dien. Rijpkema heeft gekeken of en in hoeverre bij dit soort veranderingen in de procedures de toegang tot het recht van werkgever en werknemer in het geding komt. Is het voor een rechtzoekende bijvoorbeeld nog mogelijk om vooraf in te schatten wat zijn rechten zijn en hoe hij deze kan effectueren? Is het stelsel met zijn bijzondere procedures te doorgronden? En draagt de vormgeving van het stelsel er aan bij dat een geschil volledig en definitief wordt opgelost?

Proefschrift: De gerechtsdeurwaarder: ambtenaar en ondernemer

In dit onderzoek betoogt de auteur dat de gerechtsdeurwaarder zich als ambtenaar en als ondernemer moeilijk staande houdt. Daarbij beantwoordt zij de vraag of dat een gevolg is van de toegelaten marktwerking of dat er meer factoren zijn die daarbij een rol spelen. Is er sprake van veranderde beroepsethiek? Wat wordt verwacht van zijn kennis, zijn vaardigheden en hoe moet zijn houding zijn gezien de ontwikkelingen?

Proefschrift: Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en ondernemingsrecht

Van Mierlo onderzocht de spanning tussen het medezeggenschapsrecht in de Wet op de ondernemingsraden en het ondernemingsrecht in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet financieel toezicht. Na een bespreking van het algemene begrippenkader, gaat hij in op de vraag wanneer men kan spreken van een besluit in voorbereiding, en wanneer het de ondernemer is die een besluit in voorbereiding heeft. Daarbij besteedt hij ook aandacht aan de spanning tussen verplichtingen uit hoofde van art. 24 WOR en de Wft. Aan de hand van uitspraken van de OK en de HR volgt dan een heldere analyse van toerekening, vereenzelviging en medeondernemerschap. Tenslotte bespreekt hij concrete besluiten: de overdracht van de zeggenschap in de ondernemer, een belangrijke wijziging van de verdeling van de bevoegdheden binnen de ondernemer, en de benoeming van een bestuurder van de vennootschap. Van Mierlo maakt inzichtelijk dat twee uiteenlopende rechtsgebieden moeilijk te combineren zijn.

Proefschrift: Handhaving van EVRM-rechten via het aansprakelijkheidsrecht

In deze dissertatie staat de vraag centraal op welke wijze het Nederlandse aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht kan bijdragen aan de handhaving van EVRM-rechten, waarbij als uitgangspunt is aangenomen dat constitutionalisering van het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht wenselijk is. Hoe kan de handhaving van EVRM-rechten via het privaatrecht concreet vorm krijgen?

Proefschrift: Het wetgevingsbevel

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vindt het geen probleem om een gemeenteraad te bevelen planregels aan te passen. De Raad geeft daarmee formele wetgevingsbevelen. De Hoge Raad weigert echter stellig de wetgever te bevelen. Het initiatief tot wetgeving is politiek van aard, volgens de Hoge Raad, en moet dat blijven, ook als de wetgever zijn verplichtingen niet nakomt.
Tegelijkertijd ziet diezelfde Hoge Raad er geen been in om op andere manieren zoveel mogelijk druk op de wetgever te zetten de wet te wijzigen. Geerten Boogaard stelt in zijn proefschrift voor om die 'andere manieren' om de wetgever tot regelgeving te bewegen, te vatten onder het begrip materieel wetgevingsbevel.

Proefschrift: Grensoverschrijdende erfopvolging

Centraal in dit proefschrift staat de nieuwe EU-Verordening betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring. De Europese regels worden in het licht van nationale stelsels, in het bijzonder van Nederland, Frankrijk en Zweden, geëvalueerd.

Proefschrift: De flexibiliteit van het recht van erfpacht

Until a few decades ago, the right of leasehold was a popular tool among various governments. That has changed. Of all the municipalities that were accustomed to use this figure, only Amsterdam is now referred to as a ‘real’ leasehold municipality. Nowadays, in particular others have discovered the potential of this right. Investors for example use leasehold as a vehicle for a (tax) attractive form of sale and lease back. Housing companies make use of the right of leasehold in order to enable their target group to acquire a home at a relatively low price. Nature conservation organisations are able to retain influence over the sustainable use of land and to ensure themselves from a more or less constant flow of funds. Governments use the right of leasehold merely in special cases, such as in areas where short term development is needed. In each case, the leasehold conditions are specifically tailored to the function that the legal concept fulfils in the situation concerned. Leasehold is therefore a user right that is established with differing objectives and under widely differing conditions. However, the legal possibilities to regulate the use of land and its financing through leasehold are not unlimited. This thesis maps these boundaries.

Proefschrift: Het beperkte recht

Het beperkte recht moet niet worden voorgesteld als een afsplitsing van een deel van de eigendom. Het beperkte recht moet veeleer als een last worden beschouwd die de eigenaar op de eigendom legt en voor de beperkte gerechtigde een nieuw, eigensoortig recht schept dat daarvoor nog niet bestond. Deze conclusie wordt getrokken op grond van een zoektocht in de rechtsgeschiedenis en een (nieuwe) analyse van het systeem van het vermogensrecht. Deze opvatting van het beperkte recht zorgt ervoor dat de mogelijke inhoud van dat recht veel minder dogmatische beperkingen kent dan veelal wordt aangenomen. Verplichtingen tot een doen zijn niet langer uit den boze.

Proefschrift: Kick back van muziekuitgevers

Dit proefschrift is een longitudinale studie die een periode van honderd jaar omvat. Muziekuitgevers verwerven een deel van het auteursrecht van een liedje, indien de componist muziek wenst uit te geven. Door deze wijze komt de uitgever voor de componist op zodat ze beide inkomen uit het intellectueel eigendom vergaren als of het liedje op plaat verschijnt of live ten gehore wordt gebracht. Muziekuitgevers wensen mede ten behoeve van de componist, inkomen te vergaren. Waar ook maar muziek geconsumeerd wordt eisen zij het recht van gebruik op. Dit kan zijn bij live entertainment, televisie, internet, games etc.… Het bijzondere is dat door de digitalisering na honderd jaar dynamiek de uitgevers weer in belang toenemen, doordat de handel in de fysieke geluidsdragers van de platenmaatschappijen tanende is. De muziekindustrie neigt naar een ‘rights industry” waarin qua werkwijze de uitgevers al eeuwen in gespecialiseerd zijn. De huidige uitgevers kenmerken zich dan ook als ondernemers die weer dichter tegen de componist aankruipen en zich op deze wijze dynamisch profileren in de nieuwe tijd.

Proefschrift: De zorgplicht van scholen

Paijmans geeft in haar proefschrift systematisch antwoord op de vraag naar de grondslag en de reikwijdte van de civielrechtelijke zorgplicht van onderwijsinstellingen jegens hun leerlingen, ten aanzien van ongevallen, bewegingsonderwijs, pesten, misbruik en geweld, en de kwaliteit van onderwijs. Met de door Paijmans aangereikte do’s and don’ts kunnen scholen preventief hun beleid aanpassen en kan in de praktijk meer rechtszekerheid worden bereikt.

Oratie: Burgerschap onder gedeeld gezag

Deze rede gaat over de nesteling van het burgerschap in de schoot van de Europese integratie. Ik zal u eerst iets laten zien van de oorsprong van de idee van Europees burgerschap en u meenemen naar de beginjaren van de Europese Gemeenschappen. Daarna maak ik een sprongetje naar de jaren tachtig, toen ik als Unieburger avant la lettre in België mijn studie afrondde, terwijl in Europa tien lidstaten onderhandelden over de eerste grote inhoudelijke wijziging van het EEG Verdrag uit 1957. Vervolgens laat ik u wat belevenissen uit het twintigjarige bestaan van de Europese burger zien, want dat hoort toch als je een lustrum viert. Het zal dan ook duidelijk worden dat het Unieburgerschap mede vorm geeft aan veranderingen in de aard van Europese integratie.

Proefschrift: Minderjarigen en (de zorg voor hun) vermogen

The subject minors and (the care for) their assets deserves attention. In seven distinct papers (referred to herein as: chapters) diverse aspects of this topic are discussed from different perspectives. The first chapter seeks in an experimental way to identify factors that may justify restrictions to the minors legal capacity and the parental administration of the minor’s property. The second chapter deals with the question how much freedom a minor has as an independent individual to shape his/her legal relationships with his/her statutory representative and third parties. The crucial question of the third chapter is how the provision of parental usufruct can be justified. The fourth chapter deals with testamentary fiduciary administration. Examined is what the relation is between the provisions in Book 1 on the one hand and the provisions in Book 4 on the other and how two different kinds of administration should be applied in practice. The fifth chapter concerns the lump sum in terms of art. 4:35 BW. This provision entitles the bequeather’s child aged 20 or younger to a lump sum if, and to the extent that, the funds are required for the bringing-up maintenance and education of the child. Different issues are addressed. The sixth chapter deals with the application of periods of prescription to minors. The seventh and last chapter concerns empirical research into supervision over the administration of certain assets acquired by the minor under the law of succession.

Oratie: Het burgerlijk procesrecht is de pathologie van het recht

In de diësrede van 1952, getiteld 'De betrekkelijke waarde der wet', geeft Marcel Henri Bregstein een typering van het burgerlijk procesrecht. Deze typering van het burgerlijk procesrecht als de pathologie van het recht bevat een wijsheid over het doel van het burgerlijk proces die destijds vanzelfsprekend was, niet alleen voor Bregstein, maar voor bijna iedere jurist uit zijn tijd.

Proefschrift: De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering

Vincent Glerum onderzocht op welke wijze de overgang van het klassieke uitleveringssysteem naar het moderne overleveringsstelsel verloopt. De referentiepunten daarvoor zijn het verdragsrecht, het kaderbesluit Europees Arrestatiebevel, de relevante Europeesrechtelijke principes (met name het beginsel van wederzijdse erkenning) en de Nederlandse Uitleverings- en Overleveringswet.

Proefschrift: Rechtsrelativering

Al langer spreken juristen het vermoeden uit dat de overheid zich weinig aantrekt van het recht. Peter van Lochem concludeert in zijn proefschrift dat er inderdaad sprake is van dergelijke rechtsrelativering. Ministers nemen regelmatig afstand van de rechtsnormen die besluiten in de weg staan. Dat er sprake is van rechtsrelativering bij de overheid blijkt onder andere uit de opvatting van wetgevingsjuristen dat negatieve adviezen van de Raad van State niet per definitie als beletsel hoeven te gelden.

Proefschrift: Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm

Algemeen wordt aangenomen dat met de in 1992 gerealiseerde vervanging1 van de (objectieve) goede trouw door de eisen van redelijkheid en billijkheid geen materiële wijziging van het recht is beoogd. Niettemin zijn de eisen van redelijkheid en billijkheid sinds hun introductie in het nieuwe Burgerlijk Wetboek van 1992 geen erg rustig bezit te noemen. Gezegd kan worden dat de meningenstrijd over deze norm (pas goed) is ontbrand bij de verschijning in datzelfde jaar van het proefschrift van J.M. Barendrecht.3 Barendrecht ziet in dit proefschrift over vage en scherpe normen de redelijkheid en billijkheid niet alleen als een “geheel vage” norm, maar betwist voorts dat deze norm überhaupt in staat is het gedrag van de justitiabelen te beïnvloeden. Het debat over de redelijkheid en billijkheid wordt sindsdien gekenmerkt door een hardnekkige dissensus over de betekenis en reikwijdte van deze norm in het privaatrecht. Die dissensus komt mede tot uitdrukking in de bonte verscheidenheid aan epitheta die in de loop der tijd aan de redelijkheid en billijkheid zijn toegekend. Voor sommigen zijn redelijkheid en billijkheid bijvoorbeeld niet minder dan de “grondnorm” van het verbintenissenrecht, voor anderen daarentegen niets meer of anders dan een “schaamlap” voor rechterlijke rechtsvorming. De één spreekt van een “alomvattende, alles overstijgende Superregel”, de ander weer van “geen norm” of zelfs in het geheel “niets”. Deze onderlinge disharmonie tussen de kwalificaties voor de redelijkheid en billijkheid blijkt in de meeste gevallen te herleiden tot één en hetzelfde dogmatische twistpunt, te weten de vraag of redelijkheid en billijkheid primair op te vatten zijn als een vage of open rechterlijke beslissingsnorm dan wel als een partijen bindende gedragsnorm.

Proefschrift: Gerechtvaardigdheid van interventies ter beïnvloeding van leefstijl

De invoering van het wettelijk rookverbod in de Nederlandse horeca is niet goed verlopen. Dat schrijft Michiel Wesseling in zijn proefschrift. Hij heeft een beoordelingsmodel ontwikkeld aan de hand waarvan de gerechtvaardigdheid van leefstijlinterventies kan worden beoordeeld.

Proefschrift: Schadevergoeding voor derden in personenschadezaken

Als iemand letsel oploopt of overlijdt ten gevolge van een auto-ongeval of medische fout, bestaat er een potentieel aan schadelijders. Niet alleen de direct gekwetste kan zijn benadeeld, maar ook derden zoals naasten. Wie kunnen een schadevergoeding vorderen? Gaat het dan uitsluitend over de vergoeding van materiële schade of ook over vergoeding voor immateriële schade? Deze vragen kunnen beantwoord worden aan de hand van de bijzondere wettelijke regeling voor vergoeding van schade van derden in personenschadezaken (artikelen 6:107 en 6:108 BW). Over de inhoud, kenmerken en uitleg van deze regeling gaat dit proefschrift.

Proefschrift: Mens rea and defences in European criminal law

Mens rea encompasses the subjective elements of crimes, like intention, as well as the doctrines that govern its application. Defences, distinguished in justifications and excuses, refer to those situations where the defendant should not be held liable, even though he formally committed an offence. The central question of this research is what mens rea and defences should look like in a criminal law for the European Union.

Proefschrift: De invloed van belangenwijzigingen op verliesverrekening

Dit onderzoek richt zich op het ingrijpen in de verliescompensatie in de Wet VPB 1969 bij wijzigingen van het belang in een belastingplichtige. Meer specifiek gaat het om de toepassing van art. 20a Wet VPB 1969, de bepaling tegen de handel in verlieslichamen. Het doel van dit onderzoek is dan ook te komen tot een aanbeveling voor een (meer) effectieve, efficiënte en evenredige maatregel die ongewenst gebruik respectievelijk misbruik van verliezen tegengaat.

Proefschrift: Pluraliteit van werkgeverschap

De rode draad in deze studie vormt de wijze waarop in wetgeving en rechtspraak rekening wordt gehouden met pluraliteit van werkgeverschap. In dat kader wordt onderzocht in welke situaties sprake is van pluraliteit van werkgeverschap, welke partij in die situaties als werkgever kan worden gekwalificeerd en wanneer en op welke wijze een ander dan de werkgever jegens de werknemer gehouden is tot nakoming van verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. De onderliggende vraag is daarbij of in wetgeving en rechtspraak voldoende wordt tegemoetgekomen aan de belangen van werknemer en werkgever wanneer aan werkgeverskant tegelijkertijd of achtereenvolgens verschillende partijen zijn betrokken bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

Proefschrift: Bezit te kwader trouw, verkrijgende en bevrijdende verjaring

Artikel 3:105 BW verheft een bezitter van rechtmatig of onrechtmatig verkregen eigendom na twintig jaar en een dag tot eigenaar. Een dief kan zo dus eigenaar van zijn buit worden. De wetgever doet er volgens promovendus Jelle Jansen goed aan om 3:105 BW aan te passen voor zowel erfdienstbaarheden als roerende zaken. Het huidige artikel ontneemt de eigenaar immers zijn recht, ook wanneer hij dit niet kon voorkomen.

Proefschrift: Bestuursrecht, e-mail en internet

In dit proefschrift worden de juridische implicaties van het gebruik van elektronische middelen in de communicatie tussen overheid en de burger onderzocht. In steeds meer wetten worden verplichtingen opgenomen om elektronisch te communiceren. De bestuursrechtelijke normen die van toepassing zijn op overheidscommunicatie staan in afdeling 2.3 Awb en in een aantal bijzondere wetten. Deze komen aan de orde.

Proefschrift: Foreign direct liability claims

Multinationals worden steeds vaker geconfronteerd met grensoverschrijdende aansprakelijkheidsclaims wegens eventuele nadelige gevolgen voor mens en milieu van activiteiten in ontwikkelingslanden. Deze foreign direct liability claims bieden lokale slachtoffers de gelegenheid om schade middels civiele procedures in de Westerse thuislanden van multinationals aan de kaak te stellen en vergoed te krijgen. Centraal in deze studie staat de haalbaarheid van dit soort claims in de EU — en in het bijzonder in Nederland.

Proefschrift: Non bis in idem

De regel non bis in idem verbiedt iemand tweemaal te vervolgen of te berechten voor hetzelfde feit. Dit verbod geldt zowel na een definitieve veroordeling als na een definitieve vrijspraak. Een achteraf onjuist gebleken veroordeling wordt vernietigd, maar hoe zit het met de aantasting van een onherroepelijke vrijspraak indien het vermoeden rijst dat deze op dwaling berust? Mag de vrijgesprokene opnieuw worden vervolgd? Hoe kunnen zowel zijn vrijheid als de veiligheid van de gemeenschap worden gegarandeerd? Deze vragen hebben door de eeuwen heen menig strafjurist beziggehouden.

Proefschrift: TBS

De discussiepunten over de TBS-regeling zoals die in de laatste twee decennia uit wetgeving, beleid en media naar voren zijn gekomen, vloeien voort uit de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van het systeem. De meeste daarvan zijn terug te voeren op de met opzet open formulering van de regeling uit 1928, die nodig was om verschillende politieke, strafrechtelijke en gedragskundige perspectieven achter één doel te verenigen.

Proefschrift: De identiteitsgebonden werkgever in het arbeidsrecht

Godsdienstige en levensbeschouwelijke instellingen laveren vaak in een spanningsveld tussen verschillende grondrechten, vooral wat betreft de verhouding tussen de vrijheid van godsdienst en het recht op gelijke behandeling. Welke mogelijkheden en begrenzingen zijn er voor de godsdienstige of levensbeschouwelijke werkgever bij het vormgeven van de arbeidsorganisatie? In dit proefschrift wordt het rechtskader besproken.

Proefschrift: De witwasmeldplicht

Juridische en fiscale dienstverleners hebben sinds 2003 een meldplicht wanneer zij vermoeden dat een cliënt betrokken is bij witwassen. Deze plicht berust op de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Maaike Stouten stelt in haar proefschrift dat de Wwft-meldplicht voor juridische en fiscale dienstverleners en de handhaving ervan niet voldoet aan het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel van vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt.

Oratie: Effectiviteit van privaatrechtelijke regulering: is dat meetbaar?

Is effectiviteit van private regulering meetbaar? Het antwoord op deze vraag is typisch juridisch: het hangt er van af hoe je kijkt. Effectiviteit van private regulering is niet meetbaar in de zin dat deze wiskundig kan worden bewezen. Wel kan worden gezocht naar indicatoren die iets zeggen over effectiviteit. Het is daarbij nuttig te kijken naar andere disciplines dan het recht.

Proefschrift: Europeanisering van het vertrouwensbeginsel

Het Europese recht is niet meer weg te denken uit het nationale bestuursrecht. Dit geldt ook voor de Europese algemene rechtsbeginselen. In deze dissertatie staat de Europeanisering van het vertrouwensbeginsel centraal. Bestuursoverheden wekken regelmatig al dan niet gerechtvaardigde verwachtingen bij de burgers door bestuursregelgeving, beschikkingen, toezeggingen, inlichtingen, beleidsregels, vaste praktijk of gedoogbeleid. Gerechtvaardigde verwachtingen moeten onder bepaalde voorwaarden worden gehonoreerd.

Proefschrift: Het recht van kinderen op levensonderhoud

Elk kind heeft recht op levensonderhoud. Terwijl ouders primair verantwoordelijk zijn om in het levensonderhoud van kinderen te voorzien, ligt bij de Staat een secundaire verantwoordelijkheid om dit recht te waarborgen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het kinderalimentatiestelsel in Nederland niet goed functioneert. Hoewel de regering al herhaaldelijk pogingen ondernam om het huidige kinderalimentatiestelsel in Nederland te herzien, heeft dit tot op heden niet tot een verandering geleid.

Proefschrift: het fundamentele recht op gelijke toegang tot gezondheidszorg

The right to equal access to health care is a fundamental principle that is part of the human right to health care. It consists of a right to equal treatment in accessing health care and responds to the special needs of vulnerable and disadvantaged people. As discrimination violates the principle of equality, the prohibition of discrimination seeks to ensure that all persons can enjoy and exercise their right to equal access to health care.

Proefschrift: De executoriale verkoop van onroerende zaken door de hypotheekhouder

De wetgeving aangaande executieveilingen kan beter. Dat stelt promovenda Irene Visser. Uit diverse mediaberichten en onderzoeken blijkt dat de opbrengst bij de executoriale verkoop van woningen te laag is. Ook bestaat behoefte aan het gebruik van moderne communicatiemiddelen en een toekomstbestendige executoriale verkoopprocedure. Bovendien neemt het de laatste jaren toe: waar het aantal executieveilingen tot 2003 onder de 1000 lag, is dat in 2012 opgelopen naar 2488 per jaar. Deze ontwikkelingen rechtvaardigen de vraag of de huidige wetgeving de juiste juridische kaders bevat voor een optimale executoriale verkoopprocedure die leidt tot een zo hoog mogelijke netto-opbrengst. Deze ontwikkelingen vormen de aanleiding voor Vissers onderzoek. Visser onderzocht voor het eerst de gehele wettelijke executoriale verkoopprocedure van onroerende zaken door de hypotheekhouder vanuit juridisch perspectief, in het bijzonder ten aanzien van woningen. Uit het onderzoek komen diverse knelpunten in het streven naar een zo hoog mogelijke netto-opbrengst naar voren. Zo is de regeling onvoldoende flexibel, waardoor nieuwe technologische ontwikkelingen moeilijk kunnen worden ingepast én de procedure onvoldoende kan worden toegespitst op het ter verkoop aangeboden goed. Voorts dient, ten behoeve van het bereiken van particulieren, de alternatieve procedure voor de openbare veiling (onderhandse verkoop) grondig te worden aangepast. Ook moet de positie van een aantal gerechtigden, zoals de huurder, meer in lijn worden gebracht met de algemene vermogensrechtelijke uitgangspunten. Het door de minister van Veiligheid en Justitie ingediende wetsvoorstel dat aanpassingen in de executoriale verkoopprocedure bevat, is in het onderzoek meegenomen.

Proefschrift: Informatieplichten. Over kennis en verantwoordelijkheid in contractenrecht en buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht

Bij de juridische beoordeling van het gedrag van mensen is hun kennis van fundamenteel belang. De rechtelijke verantwoordelijkheid van justitiabelen wordt in belangrijke mate bepaald door hetgeen zij omtrent hun gedrag hebben geweten of behoren te weten: kennis en verantwoordelijkheid staan rechtens met elkaar in onverbrekelijk verband.

Proefschrift: De Nederlandse asbestregulering

De Nederlandse overheid is nalatig geweest bij het waarborgen van de gezondheid van burgers in de omgang met asbest. In Nederland zijn nu al ongeveer 10.000 mensen overleden door asbest-gerelateerde kanker. Er zullen er nog 10.000 volgen en dat is de schuld van de overheid. Dat stelt letselschade-advocaat en Eerste-Kamerlid Robert Ruers in zijn proefschrift. Hij pleit onder andere voor een terugwerkende kracht van de Wet Verjaring personenschade.

Proefschrift: Partijautonomie in het relatievermogensrecht

In dit onderzoek zet ik eerst uiteen wat naar mijn mening verstaan dient te worden onder de rechtsbeginselen contractvrijheid en solidariteit waarbij ik tot de gevolgtrekking kom dat beide rechtsbeginselen gezien zouden moeten worden als de samenstellende onderdelen van het overkoepelende rechtsbeginsel partijautonomie. Vervolgens onderzoek ik welke rol dit rechtsbeginsel speelt in het gemene huwelijksvermogensrecht en bespreek ik het daarna tegen de achtergrond van huwelijkse voorwaarden. Hierbij wordt de rode draad gevormd door de beantwoording van de vraag of het echtgenoten naar Nederlands recht thans geheel vrij staat om het door hen verkozen Ehetyp vorm te geven voorafgaand aan hun huwelijk. In een intermezzo wordt de visie van de hoogste Duitse rechter op beide rechtsbeginselen uiteen gezet in het licht van de uitleg van Eheverträge ten tijde van de echtscheiding. Het primaire doel hiervan is enkele opmerkingen van rechtsvergelijkende aard te kunnen maken in het zevende hoofdstuk. Hierna behandel ik de vraag of contractvrijheid en solidariteit rechtsbegrippen zijn die door de Hoge Raad worden toegepast bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden in echtscheidingszaken. Nadat het antwoord op deze vraag is gevonden, vertaal ik de Duitse wijze van beoordeling van huwelijkse voorwaarden naar de Nederlandse context, met het oogmerk de rechter een naar mijn oordeel goed bruikbaar instrument aan te reiken dat recht doet aan eisen van rechtvaardigheid en rechtszekerheid. Teneinde een volledig beeld te verwerven, bespreek ik daarna hoever de contractvrijheid reikt van ouders met gezamenlijk gezag over een minderjarig kind. Nadat ik kort ben ingegaan op enkele wetsvoorstellen op het terrein van het huwelijksvermogens- en echtscheidingsrecht vanuit het perspectief van partijautonomie, sluit ik af met een proeve van een concreet wetsvoorstel voor de invoering van het civiel partnerschap dat het huidige huwelijksvermogensrecht vervangt en ook openstaat voor ongehuwde en niet-geregistreerde samenwonende partners.

Proefschrift: Dokteren aan het aansprakelijkheidsrecht

Vergissen is menselijk, al te menselijk. Wie door een fout van een medemens schade leed, zal de dader daarvoor verantwoordelijk willen houden. Zulk onheil kan ons niet alleen in de privésfeer overkomen, maar ook wanneer we hulp zoeken bij professionele dienstverleners zoals arts of advocaat. Dan komen wij op het terrein van beroepsfouten. Geneeskunde en advocatuur hebben met elkaar gemeen dat de beroepsbeoefenaren met hun cliënt een vertrouwensrelatie opbouwen: je legt jouw lotsbestemming in hun handen en in die rechtsbetrekking verwacht je dat de geraadpleegde professionals de juiste dingen op de juiste manier zullen doen. In een procedure wordt jouw lot uiteindelijk bepaald door de kwaliteiten van de advocaten en de rechter. Voor het aansprakelijkheidsrecht maakt het niet uit in welke relatie dader en slachtoffer tot elkaar stonden. Maar wat nu wanneer je bij een advocaat hulp zoekt in verband met een vermeende fout van een arts en de advocaat en/of de rechter daarbij vervolgens zelf fouten maken?

Voor- en nazorg door de bestuursrechter

Bestuursrechters vormen een categorie professionals die hun werk met hart en ziel doen, maar de bestuursrechter is tegelijkertijd een functionaris waar je liefst niet op bent aangewezen. Immers, hij is slechts in beeld bij een conflict tussen overheid en burger. Een universeel bestuursrechtelijk ideaal is dan ook dat van de diensten van de bestuursrechter zo weinig mogelijk gebruik hoeft te worden gemaakt. Deze oratie gaat over de vraag hoe dat ideaal zo dicht mogelijk kan worden benaderd.

Proefschrift: De ISD-maatregel in het licht van het Nederlands sanctiestelsel

In haar proefschrift belicht Sanne Struijk de ontwikkeling van het Nederlands strafrechtelijk sanctiestelsel ter bestrijding van recidive en criminele overlast vanuit het perspectief van de strafrechtsdogmatiek, de wetgeving, het beleid en de rechtspraak.

Proefschrift: Planschaderecht en Privaatrechtelijk Schadevergoedingsrecht

Het planschaderecht bevat regels die lijken op privaatrechtelijk schadevergoedingsregels, meer bepaald de regels die zijn neergelegd in Afdeling 6.1.10 BW en in de rechtspraak op deze regels. Dit proefschrift behelst een rechtsvergelijkend onderzoek naar het planschaderecht en het privaatrechtelijk schadevergoedingsrecht.

Proefschrift: Probleemoplossend strafrecht

De Verenigde Staten boeken goede resultaten met de zogenoemde problem solving courts. In de bekendste variant, het drug court, houden rechters zich expliciet bezig met het oplossen van het maatschappelijk probleem van drugsgerelateerde criminaliteit en geven daarmee invulling aan het ideaal van ‘responsief recht’. In haar proefschrift verkent Suzan Verberk de mogelijkheden om dit systeem ook in Nederland toe te passen.

Proefschrift: Quid Pro Quo? A comparative law perspective on the mutual recognition of judicial decisions in criminal matters

A Dutch citizen stays in Hungary for business purposes. During his three-week trip, he rents a car to be able to drive easily between the several companies he has to visit. During one of his free weekends, an enjoyable restaurant visit ends up less positively. He discovers a heavy parking fine under the windscreen wipers of the rental car. Back in the Netherlands, the Dutch businessman decides not to pay the fine. But, some weeks later, he receives a payment slip, which orders him to pay the fine. The payment slip, however, is not sent by the Hungarian authorities, but by the Dutch Central Fine Collection Agency (Centraal Justitieel Incasso Bureau, CJIB). This is a direct result of the application of the principle of mutual recognition in the context of financial penalties. This principle instructs the Member States of the European Union to recognise each other’s decision “without any further formality being required” and to “forthwith take all the necessary measures for its execution” (Article 6).

Proefschrift: Besluitvorming over asiel- en migratierichtlijnen

Sinds het begin van deze eeuw werkt de Europese Unie aan gemeenschappelijke regels op het gebied van asiel en migratie. Hoewel de lidstaten het harmonisatieproces zelf op gang hebben gebracht, verraadt hun gedrag een grote aarzeling om hun beleidsvrijheid prijs te geven. Deze tweeslachtige houding heeft geresulteerd in richtlijnen die veel ruimte bieden voor afwijkingen en nationale keuzemogelijkheden. Dit onderhandelingsresultaat bedreigt niet alleen de beoogde harmonisatie, maar ook de in 1999 uitgesproken ambitie van de lidstaten om rechtsbescherming van derdelanders en asielzoekers te verbeteren. Niettemin hebben de richtlijnen een einde gemaakt aan de vrijblijvendheid van Europese samenwerking op dit terrein. Dat ondervinden regeringen soms op hardhandige wijze, als ze tot naleving worden gedwongen. Het harmonisatieproces roept vragen op over de besluitvorming: welke actoren en factoren hebben de Europese richtlijnen bepaald? Hoe gaan regeringen en parlementen om met de richtlijnen? Leven ze verplichtingen na, gebruiken ze richtlijnen als legitimatie voor aanscherping van de regels? Leiden hun implementatiekeuzes tot meer of minder rechtsbescherming, tot meer of minder harmonisatie van het toelatingsbeleid in Europa? Dit onderzoek beantwoordt deze vragen aan de hand van een studie van de totstandkoming van de gezinsherenigingsrichtlijn en de procedurerichtlijn en van de implementatie van deze twee richtlijnen door Duitsland en Nederland. De uitspraken van geïnterviewde insiders bieden een blik achter de schermen van deze besluitvormingsprocessen. De verbanden tussen de Europese onderhandelingen en de Duitse en Nederlandse beleidsontwikkelingen in het gezinsherenigingsrecht en de asielprocedure onthullen de wisselwerking tussen het nationale en het Europese niveau. Tineke Strik voerde dit onderzoek uit aan het Centrum voor Migratierecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen, en is aldaar werkzaam als universitair docent migratierecht. Tevens is zij lid van de Eerste Kamer en de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa.

Proefschrift: Zekerheid op lading

Een zekerheidsrecht functioneert in het recht ongeveer op dezelfde manier als de grijper van een kraan in de haven. Zoals de machinist van een kraan de grijper kan openen ofsluiten, zo heeft de zekerheidshouder de bevoegdheid om de zaken onder zich te houden totdat de verschuldigde vordering is betaald, dan wel om de zaken af te geven aan de schuldenaar of een derde. Door de uitoefening van zijn zekerheidsrecht houdt de schuldeiser dus grip op de lading.

Proefschrift: Optimalisering van fiscale soevereiniteit en vrij verkeer

In zijn proefschrift legt Douma de rechtspraak van het Hof van Justitie EU langs de lat van een theoretisch beoordelingsmodel en concludeert dat de stevige kritiek die het Hof van Justitie EU te verduren heeft gehad, grotendeels ongerechtvaardigd is. Een fris tegengeluid dus, in tijden van afbrokkelende Europese solidariteit! In lijn van de structuur van het boek bespreekt de auteur eerst kort de kritiek op het Hof van Justitie EU. Vervolgens behandelt hij het door Douma ontworpen boordelingsmodel, waarna hij ingaat op de toetsing van de rechtspraak van het Hof van Justitie EU aan de hand van dit model.

Proefschrift: Tijdelijke bescherming van asielzoekers in de EU. Recht en praktijk in Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk en richtlijn 2001/55/EG

Deze studie gaat over tijdelijke bescherming van asielzoekers in de EU. In 2001 kwam richtlijn 2001/55/EG inzake tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden tot stand. Een van de doelstellingen van deze richtlijn was de harmonisatie van de verschillende tijdelijke beschermingsregimes die in de lidstaten, mede als reactie op de burgeroorlogen in het voormalige Joegoslavië, waren ontstaan.

Proefschrift: Rechtsgevolgen van de stille cessie

Uitgebreid (goederenrechtelijk) onderzoek rond de beantwoording van de vraag welke rechtsgevolgen een stille cessie heeft. In dit proefschrift onderscheidt Biemans drie deelvragen:
- Wat zijn de bevoegdheden en rechten van de stille cedent en de stille cessionaris ten aanzien van de stil gecedeerde vordering?
- Wat is de rechtspositie van de schuldenaar?
- Wat is de inhoud van de rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris?
Een brede kennis van en inzicht in goederenrechtelijke vraagstukken is van groot belang voor de beantwoording van de vraag welke rechtsgevolgen een stille cessie heeft.

Proefschrift: Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling

Ondernemingen worden groter en ingewikkelder. Bestuurders kunnen daarom niet op de hoogte zijn van alles wat in de organisatie speelt. Bij gebrek aan tijd of deskundigheid moeten zij vertrouwen op informatie van anderen, zoals werknemers of externe specialisten. Deze realiteit moet in het vennootschapsrecht worden onderkend.

Proefschrift: Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling.

Ondernemingen worden groter en ingewikkelder. Bestuurders kunnen daarom niet op de hoogte zijn van alles wat in de organisatie speelt. Bij gebrek aan tijd of deskundigheid moeten zij vertrouwen op informatie van anderen, zoals werknemers of externe specialisten. Deze realiteit moet in het vennootschapsrecht worden onderkend.

Proefschrift: Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht

In dit onderzoek wordt ingegaan op aspecten van de grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht waarmee met name de (notariële) praktijk te maken heeft. Aan de rol van de notaris bij grensoverschrijdende fusies wordt bijzondere aandacht besteed.

Proefschrift: Is de notaris de markt meester?

Sinds de vrijlating van de tarieven in het notariaat zijn de prijzen transparant, waardoor het aanbod goedkoper is geworden. De kwaliteit van de notariële dienstverlening is echter niet transparant. De klant selecteert zijn notaris daarom vooral op prijs, vooral in het vastgoed. De goedkoopste aanbieder wint en kwaliteit wordt uit de markt gedrukt. Een zorgelijke ontwikkeling, vindt voormalig voorzitter van de KNB Dolf Plaggemars, waarmee ook het publiek niet is gediend. Zeker in het consumentenvastgoed zouden de tarieven daarom niet aan de markt mogen worden overgelaten.

Proefschrift: De civiele zitting centraal

De comparitie na antwoord is een belangrijk onderdeel van de Nederlandse civiele procedure. Het is vaak het enige moment tijdens de procedure in eerste aanleg waarop partijen en advocaten direct contact hebben met de rechter.
In dit proefschrift staat de huidige zittingspraktijk bij de comparitie na antwoord centraal: hoe gaat de rechter te werk en wat zijn de ervaringen van partijen en advocaten?

Oratie: Over de grenzen van de dogmatiek en into fuzzy law

Binnen de rechtshandhaving bestaan bestuursrecht en strafrecht al lang niet meer uit helder afgebakende delen van het recht, zoals dat voorheen werd onderwezen. Het gaat niet langer over gescheiden werelden, waarin in het ene wordt bestuurd en in het andere wordt gestraft. Dit onderscheid is in het bijzonder achterhaald door de invoering op grote schaal van de bestuurlijke boete. De ontwikkelingen op dat vlak gaan voortdurend verder, waardoor de verhouding bestuursrecht-strafrecht, zoals deze traditioneel wordt ingevuld, steeds verder onder druk komt te staan. Meer en meer lijken de systematische uitgangspunten van de beide rechtsgebieden te veranderen of zelfs te verdwijnen. Hierdoor ontstaan onduidelijkheden en rijzen vragen over onderwerpen die theoretisch en praktisch gezien nadrukkelijk om een antwoord vragen.

Proefschrift: Hoe vertellen we het de Kamer?

De regering levert het parlement selectieve, misleidende en soms overdadige informatie. Dat constateert promovendus Guido Enthoven in zijn onderzoek dat zich uitstrekt over 25 jaar. Er is zelfs een patroon van gebrekkige informatiestromen omdat risico’s en beleidsalternatieven vaak niet worden gedeeld. Enthoven pleit er daarom voor dat het parlement zijn informatierechten opeist, om zijn controlerende functie goed uit te oefenen en doet daarvoor tal van aanbevelingen.

Proefschrift: Hoe komt de bestuursrechter tot zijn recht?

Moet de bestuursrechter ambtshalve aan het recht toetsen? Deze op het oog eenvoudige vraag was in de periode waarin mijn drang tot het schrijven van een proefschrift onweerstaanbaar werd, aanleiding voor verhitte discussies in de wetenschap en op de juridische werkvloer. Het vuurtje kon gemakkelijk nog verder worden opgestookt wanneer de vraag werd opgeworpen of bij ambtshalve toetsing een bijzonder regime moest gelden voor regels van Europese afkomst. M ij viel op dat in deze discussies een voorvraag leek te worden overgeslagen, namelijk wat precies onder ambtshalve toetsing moet worden te verstaan en waarin zich deze toetsingsvorm (eventueel) onderscheidt van ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, een ander fenomeen dat in deze discussies werd aangekaart. Voor een deel leek begripsverwarring de oorzaak van de felheid waarmee door sommigen werd gepleit voor een ruime reikwijdte van ambtshalve toetsing, terwijl anderen met evenveel vuur een zeer beperkte uitleg voorstonden. Het leek mij een uitdaging om een overzichtelijk begrippenkader te ontwikkelen dat bij consequente toepassing zou leiden tot een bevredigende mate van ambtshalve toetsingsactiviteit van de rechter. Het voorgestelde stelsel zou ook ‘Europa-proof moeten zijn. Op die manier zou worden bijgedragen aan de consistentie van het bestuursrechtelijke rechtsbeschermingsstelsel en het zou ook ten goede komen aan de rechtszekerheid.

Proefschrift: De rechtspositie van de sollicitant en van de werknemer tijdens de proeftijd

De probleemstelling voor dit onderzoek is in hoeverre de sollicitatiefase en proeftijd door het recht worden genormeerd. Daarnaast wordt de vraag gesteld in hoeverre de bescherming van de sollicitant respectievelijk werknemer in de proeftijd in verhouding tot het belang van de werkgever voldoende is en of verdere normering (al dan niet via een wettelijke regeling) is aangewezen.

Proefschrift: Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving. Een vergelijkend onderzoek naar het Amerikaanse, Duitse en Nederlandse recht

De bevoegdheid van de rechter om wettelijke voorschriften op hun rechtmatigheid te toetsen staat garant voor stevige debatten over de plaats van de rechter in het staatsbestel, zeker als het toetsing van wetten van het parlement aan de Grondwet betreft. Zulke debatten spitsen zich meestal toe op de vraag welke vrijheid de rechter heeft, of zou moeten hebben, bij de beoordeling van de rechtmatigheid van wettelijke voorschriften. Volgens sommigen mag de rechter daarbij niet te vrijmoedig te werk gaan, omdat hij dan de beleidsvrijheid van de wetgever te zeer inperkt. Volgens anderen hóórt hij juist vrijmoedig te werk te gaan, omdat hij zo de Grondwet bij de tijd kan houden. Dit boek laat dat thema terzijde en richt zich op een ander, in Nederland weinig besproken facet van de rechterlijke toetsingsbevoegdheid, namelijk de rechtsgevolgen van toetsing van wettelijke voorschriften door de rechter.

Proefschrift: Horizontale werking van grondrechten. Een kritiek

Het uitgangspunt van dit boek is de vaststelling dat fundamentele rechten, die in het verleden bedoeld waren als verweerrechten tegenover de staat, steeds vaker ingeroepen worden in private geschillen. Op die manier werkt het publiekrecht sterker door in het privaatrecht. Vertrekkende vanuit deze vaststelling trekt Bart de Vos de wenselijkheid van deze horizontale werking van grondrechten in twijfel. Doordat hij de wenselijkheid van grondrechten beklemtoont, krijgt het proefschrift, dat op het eerste gezicht voornamelijk positiefrechtelijk van aard is, een belangrijke metajuridische inslag.

Oratie: Het Nederlands ontslagrecht en het BBA-carcinoom

Het Nederlandse ontslagrecht is complex en onoverzichtelijk. Het voert tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het stelsel belemmert het in (vaste) dienst nemen van werknemers. De uitkomsten zijn slecht voorspelbaar, zowel voor werkgevers als voor werknemers. Het systeem biedt lang niet altijd een adequate rechtsbescherming. De regelgeving heeft geleid tot een juridisering van de arbeidsverhoudingen. De ingewikkeldheid vloeit mede voort uit het feit dat er in ons land twee ontslagroutes bestaan met een eigen dynamiek. Werkgevers zijn beducht voor de onzekerheid over het tot een einde kunnen brengen van een dienstverband en de kosten die daarmee zijn gemoeid. Ook vanuit het perspectief van de werknemers leidt het stelsel tot rechtsonzekerheid.

Proefschrift: Automatisch contracteren

Dit proefschrift handelt over het aangaan van overeenkomsten met behulp van geautomatiseerde systemen. Er worden tegenwoordig diverse soorten geautomatiseerde systemen gebruikt om overeenkomsten aan te gaan. Zo wordt er gecontracteerd via e-mail, met behulp van online winkels, via elektronische marktplaatsen en met behulp van elektronische veilingsystemen. Kenmerkend voor deze wijzen waarop overeenkomsten worden aangegaan, is niet alleen dat de communicatie vaak op elektronische wijze plaatsvindt, maar ook dat systemen automatisch handelingen verrichten.

Proefschrift: Overheidsmaatregelen en het toezicht van nationale mededingingsautoriteiten

Dit proefschrift is een vlot geschreven monografie over, zoals de ondertitel het omschrijft ‘de consequenties van het arrest CIF voor nationale mededingingsautoriteiten en overheden’. Een heel boek gewijd aan één enkel arrest? Ja en nee. Het CIF-arrest1 staat centraal in dit proefschrift, maar vormt tevens de kapstok om de totale jurisprudentie van het Hof van Justitie over de toepassing van de mededingingsregels ten aanzien van overheidsmaatregelen nog eens tegen het licht te houden. De uitgangspunten zijn bekend: lidstaten mogen in het licht van het beginsel van Unietrouw geen maatregelen nemen die mededingingsbeperkende afspraken van ondernemingen dwingend opleggen of begunstigen, dan wel de werking ervan versterken. Lidstaten mogen ook niet aan eigen regelingen het overheidskarakter ontnemen door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan marktdeelnemers te delegeren. Deze jurisprudentiële doctrine wordt door Verschuur in zijn boek aangeduid als de ‘nieuwe norm’. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie is ook bekend dat ondernemingen die kartelafspraken maken zich niet kunnen verschuilen achter overheidsmaatregelen die de betreffende kartelafspraken faciliteren. Slechts indien en voor zover sprake is van overheidsdwang kunnen ondernemingen zich aan de toepassing van de mededingingsregels onttrekken.

Proefschrift: De strafrechtelijke overeenkomst

Het strafrecht wordt gekenmerkt door eenzijdige bevoegdheidsuitoefening door de overheid. Niettemin doen zich binnen de context van de strafrechtspleging veelvuldig situaties voor waarin wordt gehandeld op basis van wilsovereenstemming tussen Openbaar Ministerie en verdachte. De transactie, het voorwaardelijk sepot en het instrument van toezeggingen aan verdachten in ruil voor een getuigenverklaring zijn hiervan enkele duidelijke voorbeelden. Hoewel deze op consensualiteit gebaseerde procedures zich in de loop der jaren een vaste plaats binnen de strafrechtspleging hebben weten te verwerven, vormen zij vanuit theoretisch perspectief een vreemde eend in de bijt van de strafrechtelijke vijver. Dit onderzoek geeft antwoord op een aantal belangwekkende vragen die rijzen naar aanleiding van het gebruik van op consensualiteit gebaseerde procedures binnen het strafrecht. In de eerste plaats wordt bekeken of deze procedures kunnen worden gezien als overeenkomsten, hetgeen voor een aantal van hen inderdaad het geval blijkt te zijn. Nu deze overeenkomsten betrekking hebben op (de invulling van) strafrechtelijke bevoegdheden, wordt gesproken van strafrechtelijke overeenkomsten. Daarnaast buigt dit onderzoek zich over de vraag in hoeverre de traditionele, op eenzijdigheid gebaseerde strafrechtelijke verhoudingen ruimte tot het aangaan van strafrechtelijke overeenkomsten bieden. Tot slot wordt de vraag bekeken op welke wijze de strafrechtelijke overeenkomst dient te worden genormeerd. Gezien het feit dat op basis van wilsovereenstemming wordt gehandeld, ligt aansluiting bij het privaatrechtelijk contractenrecht in de rede, maar de vraag is of de strafrechtelijke context dit type normering toelaat.

Proefschrift: Nadeelcompensatie op basis van het égalitébeginsel

Dit boek bevat een uitvoerige studie naar het beginsel ‘égalité devant les charges publiques’, de belangrijkste rechtsgrond voor schadevergoeding bij rechtmatig overheidsoptreden (nadeelcompensatie). Het égalitébeginsel heeft inmiddels vaste voet aan de grond gekregen in het bestuursrecht en het civiele recht. Het boek schetst eerst de langzame, maar onstuitbare opkomst van het beginsel in de Nederlandse wetgeving, doctrine en jurisprudentie. Vervolgens worden diverse vragen rond het beginsel beantwoord. Is het zonder meer van toepassing op alle vormen van rechtmatig overheidshandelen? Hoe wordt het begrip ‘onevenredig nadeel’ geïnterpreteerd? Welke invulling krijgen civielrechtelijke criteria uit afdeling 6.1.10 BW (causaal verband, voordeelstoerekening, eigen schuld) in geschillen over nadeelcompensatie? Hoe verhoudt het égalitébeginsel zich tot artikel 3:4, tweede lid Awb? Naast het nationale recht wordt uitvoerig aandacht besteed aan het Franse recht, waarin het beginsel primair tot ontwikkeling is gekomen. Ook Europeesrechtelijke aspecten van de aansprakelijkheid uit rechtmatige daad komen ruimschoots aan bod. Zo wordt verkend hoe het égalitébeginsel zich verhoudt tot het eigendomsrecht van artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Ook wordt onderzocht wanneer nadeelcompensatie mogelijk belandt in het vaarwater van de verboden staatssteun (art. 107 VwEU) en of het égalitébeginsel ook van betekenis voor de buiten-contractuele aansprakelijkheid van de instellingen van de Europese Unie (art. 340 VwEU).

Proefschrift: Het inzagerecht Artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

In het Burgerlijk (Proces)recht is een belangrijke vraag die of een procespartij in staat is om de stellingen die hij moet onderbouwen en/of bewijzen ook kan onderbouwen en/of bewijzen. Bescheiden, zoals op papier verwoorde overeenkomsten, foto’s, CD’s en DVD’s, zijn bruikbare middelen om iets te onderbouwen of te bewijzen. Bescheiden be-vinden zich echter niet altijd in handen van de persoon die dit bescheid nodig heeft. Art. 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft een partij het recht om inzage of afschriften te vragen van bescheiden die in handen van een ander zijn. In dit proefschrift wordt een beknopt overzicht gegeven van de geschiedenis van het inzage-recht en komt aan de orde waarop dit recht op informatie is gebaseerd. In deze studie komen verder de zorgen aan de orde die binnen EG verband bestaan betrekking hebbend op bewijsproblemen wegens gebrek aan bescheiden en de onmogelijkheid om inzage in bescheiden te krijgen die zich onder andere personen bevinden. De EG blijkt verruiming van inzagemogelijkheden voor te staan op het terrein van de intellectuele eigendom en op het terrein van de communautaire antitrustregels. De rechtsontwikkeling in Nederland op het terrein van de inzage staat evenmin stil. Die ontwikkeling blijkt onder meer uit het ontwerp van een sterk verruimde regeling omtrent het recht op inzage, ontworpen door de Adviescommissie voor het Burgerlijk Proces-recht. In de studie wordt verder uitgebreid stilgestaan bij de vele literatuur en rechtspraak die de laatste jaren omtrent dit onderwerp het licht heeft gezien. Er wordt kort stilgestaan bij het recht op inzage in de Nederlandse Antillen en Aruba en tenslotte wordt een poging ge-daan om een wetsontwerp op te stellen, waarin het recht op inzage beter uit de verf komt dan mogelijk is met het huidige art. 843a Rv.

Proefschrift: Privacyrecht is code

In dit proefschrift, dat John Borking op 9 juni 2010 succesvol verdedigde, beschrijft hij zijn onderzoek naar privacy enhancing technologies. Borking is een autoriteit op privacygebied, met een schat aan ervaring, onder andere als vicevoorzitter van de Registratiekamer en als oud-lid en buitengewoon lid van het College bescherming persoonsgegevens.

Proefschrift: Mergers, Acquisitions and Takeovers within the European Context

Welke principes liggen ten grondslag aan het Europese fusietoezicht? En welke doelen wordt dit geacht te verwezenlijken? Voor zijn proefschrift bestudeerde Catalin Rusu de fundamentele vraagstukken die het Europese stelsel van concentratietoezicht bepalen. In zijn analyse betrekt hij concepten als rechtszekerheid, doeltreffendheid en welvaart. Het zijn namelijk deze beginselen, zo blijkt uit onderzoek, die essentieel zijn voor de werking van het mededingings- en fusie-controlebeleid.

Oratie: Overheveling van onderdelen van sociale zekerheid naar arbeidsrecht en omgekeerd

De aanleiding om de verantwoordelijkheid voor de inkomensvoorziening bij ziekte van de Ziektewet naar de werkgever over te hevelen was dat in de jaren ’80 en ’90 het aantal mensen dat een ZW- of WAO-uitkering ontving bleef groeien. ‘Nederland is ziek’, aldus toenmalig premier Lubbers. Op gegeven moment ontstond de politieke overtuiging dat deze situatie alleen kon worden veranderd door werkgevers verantwoordelijk te maken voor de inkomensvoorziening bij ziekte.

Oratie: Administering Courts and Judges

We do live in a society that has become obsessed with security. Security of the public space, but also the security of the private space and of the body as a private dominion. The state – and in particular the political domain – is constantly being addressed by victims of crime and citizens via many different channels, that often reinforce and enlarge the message publicly into gigantic and inescapable proportions. Fear for terrorism and violations in the public and private domain, fear for robbery and assault and fear for sexual abuse are broadcasted widely every day in all kinds of media – and in part this fear is fed by implicit messages of the government – the coordinator of combating terrorism. This also touches upon the functioning of the judiciary. Courts and judges become vulnerable as if they fulfill a role in the political domain of elected office holders and holders of governmental offices – they risk to be drawn into the political and societal domains where they have to face the alleged consequences of their actions. In principle, in a constitutional state, the political role of judges, if any, is limited. But judges taking decisions with some public and political impact is inevitable at times. The position of courts and judges will remain exposed. Transparency of public institutions will increase, not lessen, and this also applies to the courts.

Proefschrift: Technology for justice

In 1994, the Netherlands judiciary set up its first platform for discussing information technology for its courts. The initiative for the platform was taken by the Dutch Association of Magistrates NVVR. The platform served as a discussion partner for the Ministry of Justice, which was in charge of providing the courts with information technology (IT). It was the beginning of my involvement with IT for courts. The involvement went from this simple talking platform through the first IT policy for the Dutch judiciary into the international arena of advisory work for World Bank-supported judicial reform projects. Understanding what IT can do for what judiciaries and courts do has, in all those contexts, been the thorniest question around. This difficulty is not something only judiciaries have. Understanding IT implications for business has been identified as the most important problem all organizations and businesses face when dealing with IT. As we shall see, this understanding is critical for judiciaries who want to use IT to improve their performance. That is the starting point for this study.

Proefschrift: Het Benelux merkenrecht in Europees perspectief

Maar liefst twaalf jaar heeft het Europese Hof van Justitie gesleuteld aan een eigen merkenrechtelijksysteem, zonder daarbij voldoende acht te slaan op de bestaande, goed doordachte merkenwetgeving. Ook werkt het met juridische ficties die ver af staan van de realiteit. Dit creëert onduidelijkheid, rechtsonzekerheid en weeffouten binnen het juridische systeem.

Proefschrift: Uniform interpretation of European patent law

The European Patent Convention (EPC) provides for a common application and examination procedure for European patents. Therefore, European patents are granted on the basis of uniform European law which is applied and interpreted by the EPO, as well as by a great number of national judges and members of other authorities who are bound by national case law. However, diverging decisions with regard to the corresponding parts of a European patent remain an issue.
This PhD thesis deals with different legal measures which would promote the uniform interpretation of European patent law and which would help to ease the difficulties related to multiple litigation.

Proefschrift: Intellectuele eigendom in het conflictenrecht

Intellectuele eigendom in het conflictenrecht – ziedaar het snijvlak van twee rechtsgebieden. Enerzijds het intellectuele-eigendomsrecht: dit rechtsgebied betreft de bescherming van voortbrengselen van de menselijke geest, zoals uitvindingen, merken, en werken van letterkunde of kunst. Anderzijds het conflictenrecht: dat rechtsgebied betreft de vraag welk nationaal recht toepasselijk is in internationale gevallen. Het snijvlak van die twee rechtsgebieden betreft dus de vraag welk nationaal recht toepasselijk is op de bescherming van intellectuele eigendom in internationale gevallen. Dit is het onderwerp van deze studie.

Proefschrift: Conformiteit bij koop

Hoe moet beoordeeld worden of de verkoper heeft voldaan aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van kwaliteit? In zijn proefschrift onderzoekt Peter Klik conformiteit, met artikel 7:17 BW als uitgangspunt. Hij promoveerde eind mei 2008 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Proefschrift: Fiscaal overgangsbeleid

Dit onderzoek gaat over verandering van fiscale regels en de wijze waarop de fiscale wetgever de invoering van een nieuwe regel met overgangsrecht zou moeten begeleiden. In dit proefschrift geeft Marianne Bravenboer een beoordelingskader dat de fiscale wetgever kan helpen bij het nemen van beslissingen over overgangsrecht. Dit beoordelingskader kan ook worden gebruikt om achteraf een door de wetgever getroffen overgangsregime te beoordelen. Ook geeft zij een aantal algemene adviezen aan de wetgever die nuttig kunnen zijn voor het voeren van een fiscaal overgangsbeleid.

Proefschrift: How the EU Regulates Products on the Internal Market

In the context of EC product regulation this dissertation evaluates whether the rules are adequate to enable the administration to achieve the aims of the legislation (i.e. free movement of authorized products on the internal market and a high level of protection for the environment or public health). This research shows that lessons can be learned in order to improve the drafting of European legislation that produces European administrative decisions.

Proefschrift: Bedrijfsovername en milieurecht

Bij een bedrijfsovername spelen milieurechtelijke problemen bij de te verkopen onderneming vaak een grote rol. Daarbij bestaat het probleem dat het bestuurs- en milieurechtelijke kader afwijkt van het privaatrechtelijke kader. Rik Mellenbergh gaat onder meer in op aansprakelijkheid voor bodemverontreiniging en oppervlaktewaterverontreiniging, contractuele aspecten in het overnamecontract met betrekking tot milieuverontreiniging en aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersonen voor milieuschade.

Proefschrift: De verkeersopvatting

Verkeersopvattingen bestaan. Mijn pogingen om het tegendeel aannemelijk te maken zijn mislukt. Dit boek gaat daarom over de vraag hoe verkeersopvattingen bestaan. Daarover heerst veel onduidelijkheid. Duidelijk is dat het niet om persoonlijke opvattingen gaat. Mijn opvatting, uw opvatting of de opvatting van een willekeurige derde, doet er in het burgerlijk recht weinig toe. Met het begrip verkeersopvatting wordt gedoeld op de ‘in het maatschappelijk verkeer levende opvatting’. Zij kent dus noodzakelijkerwijs altijd een ruimere aanhang dan persoonlijke opvattingen.

Proefschrift: Enige aspecten van de kwalitatieve verbintenis

Auteur richt zijn onderzoek op de uitleg van de artikelen 6:251 en 252 BW, alsmede op een heel bepaald voorkomen van de kwalitatieve verbintenis in het goederenrechtelijke domein. Als aanloop naar de probleemstelling die tot deze keuze van onderwerp heeft geleid, maakt auteur enige algemene opmerkingen over de kwalitatieve verbintenis als type en over haar plaats in ons vermogensrecht.

Proefschrift: Het deskundigenadvies in de civiele procedure

Dit boek gaat over waarheidsvinding in het civiele recht in zaken waarin door de rechter een deskundigenadvies wordt ingewonnen. Wie een conflict met iemand heeft over een burgerlijk recht, kan onder andere voor de gang naar de civiele rechter kiezen. De civiele rechter heeft tot taak een beslissing te geven in het geschil dat partijen aan hem voorleggen. Geschillen over burgerlijke rechten en rechtsbetrekkingen kunnen over allerlei onderwerpen gaan. De civiele rechter moet ook een beslissing geven als hij onvoldoende vertrouwd is met het onderwerp van het geschil. Wezenlijk voor civiele rechtspraak is nu eenmaal, dat er een rechter is om een knoop door te hakken wanneer mensen dat zelf niet (meer) kunnen of willen. Daarom mag de rechter bij de behandeling van een geschil advies inwinnen bij een derde, die in het Nederlandse procesrecht ‘deskundige’ wordt genoemd. Van Dale omschrijft een deskundige als een persoon die door beroep of studie in het bijzonder bevoegd (vermoedelijk in de zin van: bekwaam) is tot het beoordelen van een zaak.

Proefschrift: Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht

Hoewel er een overvloedige hoeveelheid literatuur is verschenen over privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht, ontbrak het aan een boek dat vanuit het Nederlands recht een volledig overzicht gaf van de problematiek. Met de dissertatie van Erik-Jan Zippro waarop hij in 2008 is gepromoveerd, is deze leemte opgevuld.
De vraagstelling van het onderzoek luidt in hoeverre en op welke wijze het Europees en Nederlands mededingingsrecht met behulp van privaatrechtelijke technieken binnen de Nederlandse rechtsorde kan worden gehandhaafd, mede gelet op de modernisering en decentralisering van de handhaving van het Europees mededingingsrecht.

Proefschrift: Verbondenheid in het belastingrecht

In deze studie staat de begripsomschrijving van verbondenheid in het belastingrecht centraal. Hierbij valt op dat de relaties tussen natuurlijke personen en lichamen in de verschillende fiscale bepalingen steeds op een andere wijze zijn omschreven. Tot op zekere hoogte is dat begrijpelijk. Reeds vanwege het karakterverschil van de rechtssubjecten kan de gelieerdheid tussen lichamen bijvoorbeeld niet op dezelfde wijze worden omschreven als de relatie van natuurlijke personen.

Proefschrift: In dienst van het algemeen belang

Ministeriële verantwoordelijkheid en parlementair vertrouwen vormen de hoekstenen van onze parlementaire democratie. Dagelijks nemen ministers en staatssecretarissen beslissingen die soms diep ingrijpen in de samenleving. Dagelijks worden door de rijksoverheid handelingen verricht die vele burgers direct raken. Verantwoordelijkheid vraagt om goede verantwoording. Die verantwoording is niet een Haags gezelschapsspel, maar een eis van democratie.
In de loop van anderhalve eeuw heeft zich een stelsel ontwikkeld waarin verantwoordelijkheid, verantwoording en vertrouwen centraal staan. Alle aspecten van het overheidsbestuur hebben hiermee te maken. De ministeriële verantwoordelijkheid beïnvloedt niet alleen het dagelijks handelen van ministers, overheid en ambtenaren, maar beïnvloedt ook de kabinetsformatie, het koninklijk huis en het optreden in de Europese Unie.
Ministeriële verantwoordelijkheid en parlementair vertrouwen bevinden zich op het snijvlak van politiek en bestuur. Door ministers ter verantwoording te roepen wordt de overheid gecontroleerd. Hoe ver gaat dat? Wat zijn de gevolgen? Wat is de relatie tussen verantwoordelijkheid, verantwoording en vertrouwen?
Aan de hand van vele praktijkvoorbeelden wordt de actuele stand van het staatsrecht geschetst. Op beeldende wijze wordt inzicht gegeven in het “levend” staatsrecht. De eigen ervaring van de auteur, die in het centrum van het overheidsbestuur werkzaam is, vormt een extra dimensie.

Proefschrift: Due diligence

Dit boek bevat de neerslag van een poging om de plaats van het fenomeen due diligence – vooral bij onderhandse transacties – in ons recht te bepalen. Het onderwerp due diligence staat met diverse leerstukken van ons recht in verbinding. Dwaling, bedrog, conformiteit (wanprestatie), algemeen verbintenissenrecht (garanties, voorwaarden) en onrechtmatige daad om de belangrijkste te noemen. Dit boek bevat geen studie van al deze leerstukken en heeft ook niet die pretentie. Voor zover er op een of meer van de hier voor bedoelde leerstukken wordt ingegaan, is dat uitsluitend ter ondersteuning van de poging om zicht te bieden op de aard en omvang van het verschijnsel due diligence. Ik erken daarom meteen in de eerste paragraaf van dit boek mijn beperkingen te beseffen, waar het een (verdergaande) mate van diepgang betreft daar waar een of meer van de bedoelde leerstukken aan de orde komen. Veel schrijvers hebben die leerstukken bekwaam onderzocht en uitgediept, zij het niet altijd vanuit het paradigma van een due diligence onderzoek. Mij is het er om te doen geweest het fenomeen due diligence een gezicht te geven. Tot dusverre is dit te onzent niet veel meer dan een abstract begrip, waaraan iedereen wel enige, maar zeker niet steeds dezelfde betekenis toekent. Een boek dat zich vooral op een verdieping van dat thema richt – daarbij de juridische context opzoekend -en dat de verschillende aspecten van het fenomeen due diligence juridisch kwalificeert, leek het daarom te verdienen om te worden geschreven.

Oratie: Is sociale rechtshulp van gisteren?

Heeft sociale rechtshulp nog toekomst? Sterker, is sociale rechtshulp niet van gisteren? Het heeft iets van zelfhaat om je intreerede als hoogleraar Sociale Rechtshulp met die vraag te beginnen en het is bijna een belediging van al die goede feeën die aan de wieg van de leerstoel hebben gestaan. Toch meent auteur dat aan deze vraag niet te ontkomen valt.

Proefschrift: Gezinsgerichte dagbehandeling voor jeugddelinquenten

In zijn proefschrift toont René Breuk (VU) aan dat jeugdige delinquenten profijt hebben bij een jeugdpsychiatrische dagbehandeling. Hij onderzocht of de dagbehandeling (FJD) effectiever is bij follow up vergeleken met de reguliere justitiële aanpak om algemene en geweldsdelicten te voorkomen, hoe het verblijven thuis gaat, het aantal dagen in een Justitiële jeugdinrichting (JJI) en het volhouden van school of werk.

Proefschrift: Privacyrecht of privaatrecht?

Zonder er veel woorden aan vuil te maken, heeft de Nederlandse regering de keuze gemaakt om bij de implementatie van de Europese privacyrichtlijn voort te borduren op de bestaande Wet persoonsregistraties. De nieuwe Wet bescherming persoonsgegevens kan, overeenkomstig de WPR, getypeerd worden als een met name op het publiekrecht georiënteerde oninibuswet. De kritiek die zowel in de parlementaire geschiedenis als in de literatuur geuit is op het functioneren van de WPR, waarbij uitdrukkelijk gewezen is op heroverweging van het bestaande systeem, roept de vraag op of deze keuze terecht is gemaakt.' Ook de jurisprudentie geeft aanleiding tot deze vraag aangezien hieruit blijkt dat de weg naar de WPR vaak niet gevonden werd en dat dit leidde tot alternatieve procedures.' De niet voor de hand liggende reden dat zonder nader onderzoek op de oude voet is verdergegaan, is dat de regering reeds op voorhand alternatieve implementatiewijzen niet mogelijk, of prima vista onwenselijk achtte. In dit onderzoek wordt de vraag gesteld of deze aanname gerechtvaardigd was. Hierbij wordt de focus gevestigd op implementatie van de Europese privacyrichtlijn in het Nederlandse Burgerlijk Wetboek, een alternatief voor de huidige benadering , waarop zowel in de parlementaire geschiedenis als in de literatuur gewezen is. Uit de rechtspraak blijkt bovendien een lange traditie waarbij de bescherming van het recht op informationele privacy wordt ingeroepen op basis van dit wetboek.

Proefschrift: Beveiliging en Privacy van Radio Frequentie Identificatie

RFID heeft een duistere kant. Het geeft minder ethische mensen mogelijkheden tot diefstal, geheime opsporing en gedragsprofilering.
Om privacy te beschermen is het nodig om op een gebruikersvriendelijke manier de beveiligingsfunctionaliteit van de RFID te coördineren, door nauwkeurige uitvoering van audits, sleutelmanagement, toegangsbeheer en authenticatie via de RFID interface.

Proefschrift: Gemeentelijk beleid en beleidsregels

In dit proefschrift wordt onderzocht in hoeverre gemeenten gebruik maken van beleidsregels bij het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan, bij het handhaven van bouw- en ruimtelijke ordeningsvoorschriften, bij het verlenen van bijzondere bijstand en bij de voorbereiding van evenementenvergunningen. Hoewel er in de praktijk tal van regels worden toegepast, blijken gemeentebesturen zich niet bewust van het onderscheid tussen beleidsregels en andere soorten regels.

Proefschrift: Unity and diversity of the public prosecution services in Europe

Het Openbaar Ministerie is in landen met een continentale rechtstraditie voornamelijk belast met rechtshandhaving en de bescherming van het algemene belang door de vervolging van strafbare feiten. In dit proefschrift worden de organisatie en de functies van dit staatsorgaan in het strafproces onderzocht.

Proefschrift: Externe openbaarheid in het strafproces

Dit onderzoek gaat over het beginsel van externe openbaarheid in de Nederlandse strafrechtspleging. Dit wordt doorgaans omschreven als het principe dat het strafproces toegankelijk is voor de rechtsgenoten, dus voor hen die daarbij niet als procesdeelnemer direct zijn betrokken. Ook wordt wel een bredere omschrijving gebruikt als ‘de doorzichtigheid van het strafproces als instituut in de rechtsgemeenschap’. In deze gerichtheid op de (leden van de) rechtsgemeenschap onderscheidt het beginsel van externe openbaarheid zich van het beginsel van interne openbaarheid, waarmee wordt bedoeld dat het strafproces kenbaar is voor degenen die bij het (concrete) strafproces betrokken zijn, in de eerste plaats de verdachte en diens raadsman. De externe openbaarheid is er ten opzichte van iedereen, terwijl het beginsel van interne openbaarheid bestaat ten opzichte van die personen die in relatie tot het strafproces méér zijn dan ‘iedereen’ en uit hoofde van hun rol in het strafproces aanspraak maken op toegang tot verhoren of inzage in stukken. Deze korte omschrijving roept de vragen op wat openbaar moet zijn voor de niet betrokken burger en hoe die openbaarheid tot stand moet worden gebracht.

Oratie: Gedragsmechanismen achter overheidsinterventies en rechtsregels

Alhoewel het reflecteren op de interventiestaat in Nederland al enkele decennia op de politieke agenda staat en er ook flinke (institutionele) ingrepen in dit arrangement plaatsvonden, is het de vraag wat anno nu over het volume aan wet- en regelgeving en andere beleidsinterventies te zeggen is. Die vraag is niet alleen relevant omdat ‘interventions breed interventions’, maar ook omdat evaluatieonderzoek frequent laat zien dat interventies en wetten niet doeltreffend zijn.

Proefschrift: Disclosure van Belastingen naar de winst in de Jaarrekening

Internationale harmonisatie van de externe verslaggeving van ter beurze genoteerde ondernemingen is een onderwerp dat al geruime tijd in de belangstelling staat. Het doel van deze harmonisatie is het bevorderen van de vergelijkbaarheid van gepubliceerde gegevens. ‘Harmonization is a proces of increasing the compatibility of accounting practices by setting bounds to their degree of variation’, aldus Nobes en Parker. Een van de belangrijkste hindernissen bij het tot stand brengen van harmonisatie is de enorme verscheidenheid aan verslaggevingssystemen in de verschillende landen. Hierbij moet niet uitsluitend worden gedacht aan het opstellen van de vennootschappelijke en de geconsolideerde jaarrekening, maar ook aan de totstandkoming van de fiscale jaarrekening, respectievelijk de jaarrekening van de fiscale eenheid. Bij de poging met deze normatieve studie nieuwe inzichten te verwerven en daarmee bij te dragen aan een stap op weg naar verdere harmonisatie, is een drietal studies gezamenlijk aanleiding voor dit onderzoek.

Proefschrift: Strafrechtelijke aansprakelijkheid heroverwogen

In deze studie wordt uitgebreid aandacht besteed aan de interpretatie van opzet, schuld en schulduitsluitingsgronden. Hierbij wordt acht geslagen op de doelen die ten grondslag gelegd kunnen worden aan de straf. Mag alleen gestraft worden om de hoeveelheid geluk middels preventie te vergroten (utilitarisme)? Mag alleen gestraft worden om een kwade gezindheid te vergelden (retributivisme)? Of kunnen utiliteit en rechtvaardigheid gecombineerd worden tot een coherente verenigingstheorie? Het antwoord op deze vragen kan van belang zijn voor de interpretatie van opzet, schuld en schulduitsluitingsgronden.

Proefschrift: Het wijzigen van de arbeidsovereenkomst

In dit proefschrift wordt het wijzigen van de arbeidsovereenkomst benaderd vanuit vermogensrechtelijk perspectief. De vraag is of de arbeidsovereenkomst past in het civielrechtelijke systeem, gezien de toepassing van de rechtsregels die gelden voor het wijzigen van de arbeidsovereenkomst in vergelijking tot de toepassing van de rechtsregels die gelden voor het wijzigen van de civielrechtelijke overeenkomst.
De rechtsregels voor het wijzigen worden uiteengezet en de verschillen tussen de rechtsregels voor het wijzigen worden verklaard. Ook wordt aandacht besteed aan het wijzigen van de arbeidsovereenkomst op collectief niveau en aan het einde van de arbeidsovereenkomst als ultieme wijzigingsvorm.

Proefschrift: De methode der rechtswetenschap vanuit kritisch-rationeel perspectief

Deze studie is bedoeld als een kwalitatieve analyse van het debat over rechtswetenschap in Nederland aan het begin van de 21e eeuw vanuit kritisch-rationeel perspectief. Het gaat hier om een ‘kwalitatieve’ analyse omdat gezocht is naar argumentatiestructuren, zonder uitputtend te willen zijn in het weergeven van de diverse standpunten van alle betrokken auteurs. Een kwantitatieve weergave zou naar mijn mening weinig of geen toegevoegde waarde hebben boven de thans gekozen opzet; het zou waarschijnlijk wel een stuk saaier zijn geworden.

Oratie: De terugvordering van Europese subsidies in Nederland: Over legaliteit, rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel

Op Europees niveau wordt veel gebruik gemaakt van subsidieregelingen; ook in Brussel heeft men ervaren dat het om beleidsdoelstellingen te bereiken soms veel effectiever is om een wortel voor te houden, dan om met de stok te dreigen. De cijfers spreken voor zich. De begroting van de Europese Unie bedraagt voor het jaar 2008 ruim 129 miljard euro. Daarvan is 45%, zo’n 58 miljard, uitgetrokken voor stimuleringsprogramma’s die moeten zorgen voor meer concurrentievermogen en cohesie, zodat de economische groei en werkgelegenheid in heel Europa zullen toenemen.
Het gaat dus om veel geld. Voor Nederland is alleen al aan structuurfondsgelden tot 2013 bijna 2 miljard euro gereserveerd. Daarmee kunnen allerlei belangrijke projecten worden gefinancierd. Maar bij de uitvoering van Europese subsidieregelingen gaat er helaas regelmatig wat mis.

Oratie: Europese unie en nationale soevereiniteit

De Europese Unie heeft het gezicht van Europa de afgelopen halve eeuw onherkenbaar veranderd. De lidstaten zijn op een unieke wijze politiek, economisch en juridisch met elkaar vervlochten geraakt. In 50 jaar groeide de EU uit van een functionele, tot de economie beperkte organisatie, tot een volwaardig en samenhangend politiek systeem, met wereldwijde verantwoordelijkheden. Dat systeem is gebaseerd op gemeenschappelijke waarden van democratie, grondrechten en rechtstatelijkheid. Het oefent, samen met de lidstaten, op een breed terrein gezagstaken uit. Er is sprake van een Europees burgerschap in wording, als aanvulling op de nationaliteit van de lidstaten. De Europese Unie en de lidstaten vormen samen een nieuwe transnationale structuur met een geheel eigen aard.

Proefschrift: In wederzijdse afhankelijkheid. Nationaal bestuurlijk toezicht in Europees perspectief

In een wereld die steeds kleiner wordt, is het de vraag wat de rol is van ‘kleinere’ overheden als gemeenten en provincies. Hebben deze overheden nog wel iets te zeggen over de regels die gelden binnen hun territoir en kunnen zij deze regels naar eigen inzicht uitvoeren, daarop toezien en handhaven? Deze vragen spelen nog pregnanter als we de Europese Unie nader bezien. Het recht van deze internationale organisatie werkt op bepaalde terreinen zo vergaand door, dat een feitelijke uitvoering het enige is wat nog rest. Aan de andere kant blijft ook de centrale overheid van deze invloed niet verschoond. Ook bevoegdheden van deze bestuurslaag vloeien ‘weg’ naar de internationale organisatie. Het gaat zelfs zo ver dat niet-naleving van de regels van de Europese gemeenschapswetgever kan leiden tot een boete. Dit risico is ook aanwezig voor het niet naleven door de eerdergenoemde decentrale overheden. Dit onderzoek is gericht op het in kaart brengen van deze gevolgen van het lidmaatschap van Nederland van de Europese Unie.

Proefschrift: De toetsing door de bestuursrechter in milieugeschillen

Dit boek vormt de weerslag van een onderzoek naar de toetsing door de rechter van milieubesluiten, meer precies van besluiten tot verlening of weigering van een milieuvergunning en besluiten tot het al dan niet handhavend optreden naar aanleiding van een geconstateerde of gestelde overtreding van een milieurechtelijke bepaling. De nadruk ligt op de toetsing van vergunningbesluiten.

Proefschrift: 'De rechtspraak in balans'

De discussie over de rechterlijke organisatie in Nederland wordt de laatste jaren gekenmerkt door aandacht voor nieuwe kwaliteitseisen als transparantie, effectiviteit en efficiëntie.
In dit proefschrift wordt de discussie over de modernisering van de rechterlijke organisatie geanalyseerd vanuit een constitutioneel perspectief. Beoogd wordt om aan te geven welke plaats nieuwe kwaliteitseisen innemen ten opzichte van klassiek-rechtsstatelijke beginselen als onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Proefschrift: Samengevoegde afwikkeling van faillissementen

Omdat er zowel voor- en nadelen kleven aan gescheiden afwikkeling van faillissementen van concernvennootschappen als aan samengevoegde afwikkeling van deze faillissementen, zal het onderhavige onderzoek de volgende vraag centraal stellen: Bestaat in Nederland behoefte aan een specifieke (wettelijke) regeling inzake het geconsolideerde faillissement en/of uitbreiding van het faillissement in concernverhoudingen?

Proefschrift: Children and their parents A comparative study of the legal position of children

This is a book about children and their parents. It will be obvious to any observer that there are many different kinds of children and at least about as many different kinds of parents. Whereas everybody was once a child and has parents, not every child becomes a parent. Sometimes this is out of choice and sometimes because, for whatever reason, it just does not happen. Moreover, there are those who become parents against the odds, for instance because they are infertile, single or homosexual. There are many different disciplines that study children and their parents, such as sociology, psychology, child studies and gender studies, to name but a few. This study concerns a legal question with regard to the parent-child relationship in two jurisdictions, namely how the law assigns parents to children.

Proefschrift: De juridische positie van forensisch accountants

Accountants zijn de enigen die de controle op jaarrekeningen mogen uitvoeren. Het opmaken en openbaar maken van een jaarrekening berust op een wettelijke verplichting, evenals de controle daarop door een accountant. De accountant beschikt echter niet over middelen om af te dwingen dat de verschafte financiële informatie die hij onder ogen krijgt ook juist en volledig is.
Vanuit een oogpunt van deregulering en transparantie van de accountancymarkt is het nodig dat de vele wettelijke regelingen teruggesnoeid worden tot één wet op de jaarrekening. Die aanbeveling doet Henk de Graaff in zijn proefschrift.

Proefschrift: 'Veranderende verhalen' in strafzaken

In dit proefschrift staat de constructie en ontwikkeling van verhalen in verkrachtingszaken centraal. Het is geen juridisch onderzoek, maar er worden patronen beschreven die een rol spelen bij de constructie en ontwikkeling van verhalen. Hiermee wordt beoogd het inzicht te vergroten in de ontwikkeling van verhalen over verkrachting en in de daarmee samenhangende strafrechtelijke afdoening van zaken.

Proefschrift: General principles of law in the decisions of international criminal courts and tribunals

General principles of law have played an important role in the development of international criminal law. The issue of the applicability of general principles of law by international criminal courts and tribunals has raised several major complex questions that this thesis addresses.
How do international criminal courts and tribunals determine general principles of law and transpose these from national legal systems into international law in order to apply them to a case? The goal of the thesis is to establish whether international criminal courts and tribunals have developed some methodology regarding the application of general principles of law at the international level.

Proefschrift: Toegang tot documenten en bescherming van persoonsgegevens in de Europese Unie

This book deals with the collision of two fundamental rights within the European legal order: the right to access to documents and the right to data protection. If a document which is kept by one of the European Union institutions contains personal data the two right collide. Although this possible collision is apparent, it is not sufficiently addressed in the two regulations in which both rights are further elaborated (Regulation 1049/2001 and Regulation 45/2001). After an analysis of legal developments within the EU, case law of the European Court of Human Rights and the relevant national legislation of the 27 Member States, the author presents his views on how the balance between the two rights should be struck. This leads to a concrete proposal for amending both regulations.

Proefschrift: Conservatoire beslagen tot afgifte en levering

Voor het Nederlandse burgerlijk recht is 1 januari 1992 om tweeërlei redenen een cruciale datum. De meest in het oog springende reden was uiteraard de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 BW. Daarnaast trad op het zelfde tijdstip een geheel herzien executie- en beslagrecht in werking.
Eén van de belangrijkste vernieuwingen waren de verschillende wettelijke mogelijkheden tot ‘executie en beslag tot feitelijke afgifte of tot juridische levering zowel van roerende als van onroerende zaken’.

Proefschrift: De Wet terroristische misdrijven in het materiële strafrecht

De in 2004 ingevoerde Wet terroristische misdrijven moet ervoor zorgen dat misdrijven, gepleegd met een terroristisch oogmerk, zwaarder kunnen worden bestraft. Maar de strafverhoging voegt niet veel toe aan het bestaande strafrecht. Ernstige terroristische misdrijven konden al lang bestraft worden met de hoogste straf. Bovendien blijkt de uitbreiding van de strafbaarheid van samenspanning, die ook opgenomen is in de nieuwe wet, moeilijk te passen in de principes van het Nederlandse strafrecht.

Proefschrift: Cultuur als verweer in strafzaken

Met de komst van honderdduizenden immigranten in de afgelopen vijftig jaar is de Nederlandse samenleving multicultureel geworden. Deze culturele diversiteit vormt een uitdaging voor het hier te lande geldende strafrecht, dat geconfronteerd wordt met culturele delicten.
Kenmerkend voor deze categorie delicten is dat de gedraging naar Nederlands recht strafbaar is, maar wordt geaccepteerd binnen de groep waartoe de justitiabele behoort - meestal een migrantenroep.
Vertrekkend vanuit het concept van de democratische rechtsstaat geeft deze dissertatie in slechts 400 pagina's inzicht in de ruimte voor en grenzen van culturele diversiteit binnen het materiële strafrecht.

Proefschrift: Invordering van belastingschulden

De Belastingdienst kan, nadat een belastingschuld is vastgesteld, als elke andere schuldeiser met behulp van de bepalingen van het burgerlijke recht zijn vorderingen innen. Om de betaling van belastingaanslagen echter beter te waarborgen, heeft de wetgever bijzondere regels opgesteld. In het belastingrecht pleegt men dan te spreken over invordering van belastingschulden, een term waarin dwang doorklinkt. Het is de ontvanger die belast is met invordering. Het fiscale invorderingsrecht was – wat directe belastingen betreft – van oudsher geregeld in de Wet van 22 mei 1845 op de invordering van ’s Rijks directe belastingen en is per 1990 opgenomen in de Invorderingswet 1990. Beide wetten laten zich duiden als publiekrechtelijke regelingen. Zij worden tot het bestuursrecht gerekend; daarvan vormen zij een bijzonder deel. De invordering heeft volgens de wetgever echter ook een sterk civielrechtelijk karakter. De Invorderingswet 1990 kent bovendien een zogenoemd open stelsel. Naast de specifieke bevoegdheden die zijn neergelegd in de Invorderingswet 1990, beschikt de ontvanger eveneens over de bevoegdheden die iedere gewone schuldeiser heeft, aldus art. 3, lid 2, IW 1990. Als gevolg daarvan kan de ontvanger bijvoorbeeld faillissement aanvragen of zich beroepen op de actio pauliana. Meer algemeen betekent dit dat de ontvanger in beginsel kan kiezen op welke wet hij zijn handelen baseert: de Invorderingswet 1990 of enige andere wettelijke bepaling die voor een willekeurige schuldeiser geldt.

Proefschrift: 'Bestuurlijke inrichting van Professional Service Firms'

Professional Service Firms zijn niet vrij van problemen. Door de combinatie van individu en collectief doen zich permanent spanningen voor. Telkens is er sprake van het pregnante dilemma tussen beheersing enerzijds en autonomie anderzijds. Het delen van eigenaarschap, zeggenschap en winst biedt professionele uitdaging en drive, maar legt ook druk op de gezamenlijke strategievoming, coördinatie en sturing.
Vooral de besturing is, gezien deze spanningen, in dit organisatietype een weerbarstig vraagstuk. De fundamentele kwestie is: hoe deelt men macht tussen gelijken? Dat is de kern van dit proefschrift.

Proefschrift: De samenwerking tussen financiële toezichthouders, fiscale en justitiële autoriteiten in de EU

The system of law enforcement within the European Union is based on what is called indirect enforcement. This means that the Member States are, within certain binding EU preconditions, primarily responsible for the enforcement of EC and EU law. It may take place by criminal law, administrative law and/or other means.
Member States, however, are bound by the sovereignty principle. In order to live up to the European dimension of law enforcement, cooperation with other Member States is necessary. This research focuses on the relationship between two important instruments of cooperation, namely mutual administrative assistance in the field of direct taxes and financial services and mutual assistance in criminal matters.

Proefschrift: Vorm, vrijheid en gebondenheid bij de koop van een woning

Dit proefschrift gaat over de vraag hoe de koopovereenkomst met betrekking tot een woning tot stand komt en welke rol het vormvoorschrift en de bedenktijd hierin spelen. Vraagt het vormvoorschrift niet om een andere blik op de precontactuele gebondenheid dan die met het Plas/Valburg-arrest is ingezet? Welke rechtsbeginselen zijn bij de bedenktijd in het geding en in hoeverre kunnen de problemen die dit met zich brengt binnen het contractenrecht tot een oplossing worden gebracht?

Proefschrift: Het aanvullen van de rechtsgronden: de betekenis van art. 8:69 Awb in het licht van art. 48 (oud) Rv

The subject of this thesis is the powers of the administrative and civil courts relating to the law and the facts. It covers the duty to supplement the legal grounds of both courts, the prohibition against supplementing the facts of the civil court and the discretionary power to supplement the facts of the administrative court. Also discussed are the civil procedural and administrative procedural law as the setting for the application of these articles, a number of characteristics and principles of both laws and the respective court’s task in the procedure. The recent (proposed) changes tot civil procedural law are discussed as well. The aim of the research for this thesis was to determine the meaning of Article 8:69 Awb in the light of Article 48 (old) Rv. The problem was researched from the perspective of the court, legal counsel and the ‘interested party’ which finds itself or himself confronted with the application of Article 8:69 Awb and wishes to know what the provisions of this article mean and what their effect is in the proceedings.

Proefschrift: E-Justice, beginselen van behoorlijke elektronische rechtspraak

During the coming years the administration of justice will change drastically as a result of the possibilities of information and communication technology (ICT). These possibilities will have to be used as much as possible, with a view to the conservation and improvement of the legal quality of court procedures. The question that has been answered in the present research is the following: when does the quality of the procedure come into danger? But also: how can quality be improved by using ICT? So far, little research has been carried out into the legal implications which the use of ICT has for court procedures. Both for researchers, legislatures, policy makers and (potential) litigating parties as well as for the members of the Judiciary itself, it is important to obtain a greater insight into this meaning. The principles of a fair electronic trial, formulated in this research, offer a framework for discussion concerning the opportunities for and the threats posed by ICT for court procedures.

Proefschrift: Gegevensverwerking in het kader van de opsporing

Dit onderzoek beschrijft de juridische en maatschappelijke (on)mogelijkheden bij de verwerking van gegevens in het kader van strafrechtelijke opsporing.
Betoogd wordt dat aanpassing van de huidige wet- en regelgeving noodzakelijk is, teneinde de persoonlijke levenssfeer afdoende te beschermen. Anderzijds dienen wetswijzigingen te voorzien in een betere benutting van de technische mogelijkheden die automatische gegevensverwerking (zoals datamining) in het kader van de opsporing biedt.

Proefschrift: De kwalitatieve verplichting

De kwalitatieve verplichting is een juridische figuur die de mogelijkheid biedt verplichtingen met betrekking tot een registergoed met dat goed over te laten gaan op rechtsopvolgers onder bijzondere titel. Hoewel de basis van de figuur verbintenisrechtelijk is, bestaat door inschrijving in de registers de mogelijkheid aan de overeenkomst zakelijke werking te verlenen.
In dit proefschrift wordt de vraag gesteld in hoeverre de kwalitatieve verplichting overeenkomsten vertoont met zakelijke rechten, danwel in hoeverre de kwalitatieve verplichting obligatoir is.

Proefschrift: De faillissementspauliana: revisie van een relict

De actio Pauliana is een bijzonder leerstuk. Voor een lange periode is zij vrijwel het enige instrument in het Nederlandse privaatrecht geweest dat aan een derde de bevoegdheid geeft om rechtshandelingen van een schuldenaar met anderen aan te tasten, dat wil zeggen om handelingen aan te tasten waar hij (de derde) geen partij bij is geweest. Ook het rechtsgevolg is bijzonder: voor zover rechten van rechtsopvolgers te goeder trouw daarbij niet in het geding komen, worden vermogensverschuivingen als gevolg van ongeoorloofde (paulianeuze) handelingen teruggedraaid. Daarmee heeft de actio Pauliana tot doel de belangen van schuldeisers te beschermen. In deze studie staat de faillissementspauliana centraal, omdat de problematiek zich daar het sterkst manifesteert en daar ook het meest actueel is. Uit de literatuur, waarover later meer, blijkt dat het leerstuk vragen en punten van kritiek oproept die te maken hebben met de bestaande criteria van de faillissementspauliana. De kritiek betreft met name vereisten als ‘wetenschap’, ‘overleg’ en het onderscheid tussen een verplichte en een onverplichte (rechts)handeling. Zo zou de faillissementspauliana in sommige gevallen te beperkt zijn om ongeoorloofd handelen vóór een faillissement tegen te gaan.

Proefschrift: De positie van het zeeschip in het internationaal privaatrecht

Meer dan tien jaren zijn verstreken sinds het in werking treden van de Wet van 18 maart, houdende enige bepalingen van international privaatrecht met betrekking tot het zeerecht, het binnenvaartrecht en het luchtrecht op 1 mei 1993. Sinds die datum zijn er belangrijke internationaal eenvormige regels voor het zeeschip bijgekomen zoals vastgelegd in het HNS Verdrag, het Bunkers Verdrag en het protocol van 1996 bij het Londens Limitatieverdrag. Daarnaast zijn er vele nieuwe conflictregels bijgekomen die mede van toepassing zijn op het zeeschip zoals neergelegd in de Insolventie Verordening, de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad en in de nabije toekomst in de Verordening Rome II. In dit boek worden de verhoudingen aangegeven tussen de verschillende eenvormige regels, tussen de eenvormige regels en de conflictregels en tussen de conflictregels onderling teneinde het toepasselijke recht op een internationale rechtsverhouding te kunnen bepalen. Daartoe worden drie rechtsgebieden onderzocht, bestaande uit het goederenrecht, het onrechtmatige daadsrecht en het recht betreffende de beperking van aansprakelijkheid. Met betrekking tot deze rechtsgebieden wordt de vraag beantwoord of, en zo ja in hoeverre, het bijzondere karakter van het zeeschip dwingt tot het opstellen van conflictregels die afwijken van de conflictregels die gelden voor internationale rechtsverhoudingen aan land. Ten aanzien van het recht op beperking van aansprakelijkheid wordt niet alleen het conflictenrecht behandeld maar ook de vraag naar de bevoegde rechter, de erkenning van een in het buitenland gevormd fonds en de erkenning van een in het buitenland gegeven beperkingsbeslissing.

Oratie: Tendensen in opsporing en technologie

Via internet, camera's, chips, mobiele telefoons, DNA-analyse en andere nieuwe technologieën worden steeds meer gegevens van mensen gegenereerd en opgeslagen. Voor justitie en politie betekent dit extra mogelijkheden om misdadigers op te sporen, die ruim opwegen tegen technieken voor boeven om gegevens te verbergen, zoals bellen via internet (Skype).
Naast een enorme toename in gegevens signaleert Bert-Jaap Koops, hoogleraar Regulering van technologie bij TILT (Tilburg Institute for Law, Technology, and Society), in zijn oratie dat het strafrecht steeds meer een eerste redmiddel wordt. Zodra er een maatschappelijk probleem is, wordt als eerste naar het strafrecht gekeken om het op te lossen. Is het strafbaar? Zo nee, moet het dan niet strafbaar worden gesteld? En moeten er niet meer mogelijkheden voor opsporing komen? We leven volgens Koops in een strafrechtmaatschappij, waarin opsporingsbevoegdheden zich als een olievlek uitbreiden. Door deze twee tendensen dreigt onze privacy te verdwijnen. Koops vreest niet zozeer voor de Big Brother-wereld uit George Orwells boek 1984, maar wel voor een wereld waarin burgers niet langer onbevangen zichzelf kunnen zijn. Een maatschappij waarin iedereen - min of meer bewust - rekening houdt met de mogelijkheid dat hij wordt opgemerkt, geregistreerd en beoordeeld. Bovendien is privacy een belangrijke waarborg om de macht van de overheid in toom te houden; privacy zorgt ervoor dat de overheid niet alles weet en kan. Koops' oratie is dan ook een pleidooi voor maatregelen om niet ongemerkt in een privacy-loze maatschappij terecht te komen en niet meer terug te kunnen.

Proefschrift: Causaliteit in het verzekeringsrecht

Doel van het boek is om te onderzoeken of polisclausules in samenhang met de wettelijke regels over het verzekeringsrecht een bepaalde dekkingssystematiek kennen. Zoals uit de uiteenzetting over de opzet van het boek zal blijken bestaat deze systematiek. Onderscheid moet hierbij gemaakt worden tussen de delen van het boek welke betrekking hebben op het stelsel van gedekte en uitgesloten oorzaken (Deel I en II) en het deel dat betrekking heeft op de verplichtingen van de verzekerde. Deel III behandelt de vraag of de verzekerde zijn recht op schadevergoeding verliest als hij weliswaar zijn verplichting niet nakomt, maar het causaal verband tussen dit verzuim en de schade ontbreekt.

Proefschrift: Exoneraties in (ICT-)contracten tussen professionele partijen

Als een ICT-leverancier geen exoneratie in een overeenkomst met zijn klant opneemt, is hij in principe onbeperkt aansprakelijk als hij schade toebrengt bij de uitvoering van een ICT-project. Een exoneratie is een clausule in een contract waarmee een leverancier zijn aansprakelijkheid uitsluit of beperkt. Rechters moeten terughoudend zijn met het opzij schuiven van exoneraties die zijn overeengekomen tussen professionele ICT-partijen. Ook als een ICT-leverancier een exoneratie overeenkomt, kunnen er omstandigheden zijn waardoor een rechter die exoneratie terzijde schuift. Deze omstandigheden worden geanalyseerd in dit proefschrift. Eén van de omstandigheden waaronder een leverancier geen beroep mag doen op zijn exoneratie is als hij opzettelijk of met bewuste roekeloosheid schade toebrengt aan zijn klant. Als hiervan geen sprake is, zijn er nog een aantal andere omstandigheden op grond waarvan exoneraties doorbroken kunnen worden. In het proefschrift wordt betoogd dat als geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid, rechters terughoudend moeten zijn met het opzij schuiven van exoneraties die zijn overeengekomen tussen professionele partijen. Professionele partijen moeten vrij zijn om in hun contracten onderling risico's te verdelen. Exonereren is eigenlijk niets anders dan het verdelen van aansprakelijkheidsrisico's.

Oratie: Over sommige kinderen moet je praten

De centrale vraag die Bruning in haar oratie probeert te beantwoorden is: ligt het aan de wet dat de gegevensuitwisseling in de jeugdzorg zo gebrekkig is? In de wet staat dat je bij een vermoeden van kindermishandeling melding mag doen, zo legt Bruning uit. Mág doen, er staat dus niet dat het móet, zoals elders in Europa. Het probleem is dat het daarmee in Nederland aan de mensen die beroepshalve met kinderen werken (artsen, onderwijzers) zelf wordt overgelaten of ze melden. ‘Typisch het Nederlandse poldermodel’, aldus Bruning.

Proefschrift: Bewijslastverdeling in het bestuursrecht

Het bewijsrecht speelt in juridische procedures een belangrijke rol. In veel geschillen verschillen partijen niet zozeer van mening over de uitleg van de wet, als wel over de vraag wat de feiten zijn. Is de asielzoeker daadwerkelijk vervolgd in zijn land van herkomst? Verdient de bijstandsontvanger inderdaad zwart bij? Hoeveel is het huis in waarde gedaald door de wijziging van het bestemmingsplan? Voor de beantwoording van dergelijke vragen is bewijsmateriaal nodig. De bewijslastverdeling geeft aan welke partij het bewijs moet leveren en wie de procedure verliest indien de feiten niet vast komen te staan.
In deze studie worden de regels van bewijslastverdeling voor het bestuursrecht in kaart gebracht. Schuurmans heeft onderzocht welke regels uit de Algemene wet bestuursrecht voortvloeien en op welke wijze rechters met die regels omgaan. In ruim vijfhonderd rechterlijke uitspraken is bekeken wanneer een partij de bewijslast draagt en of zij die last op de tegenpartij kan afwentelen.

Proefschrift: Het nemo-teneturbeginsel in strafzaken: van zwijgrecht naar containerbegrip

Een van de fundamentele beginselen van het Nederlandse strafrecht is het 'nemo-teneturbeginsel'. Dat houdt in dat niemand kan worden verplicht aan zijn eigen veroordeling door de strafrechter mee te werken. Maar hoever reikt het niet hoeven meewerken? Kan de verdachte worden verplicht zijn identiteit prijs te geven? En hoe zit het met het zwijgrecht? In haar proefschrift gaat Lonneke Stevens hierop in.

Proefschrift: Aansprakelijkheid van artsen

Medische fouten zijn bedreigend voor iedereen en vormen een belangrijk maatschappelijk probleem. Op welke manieren krijgt de rechtswetenschap met dit probleem te maken? Als je medische aansprakelijkheid als systeem wil onderzoeken, hoe dan? Binnen welke context wordt zo’n onderzoek uitgevoerd? Welke concrete vraagstukken dienen zich aan en hoe wordt dit onderzoek verder gestructureerd?

Oratie: De waarschuwingsplicht in het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht

De waarschuwing speelt geregeld in het overeenkomstenrecht, maar dan meestal onder de naam informatieplicht. Vooral ten opzichte van aannemers en banken wordt aangenomen dat zij een informatieplicht in de zin van een waarschuwingsplicht hebben. Maar bijvoorbeeld ook notarissen dienen door middel van waarschuwingen voorzienbare schade te voorkomen. Daarnaast speelt de waarschuwingsplicht ook in het onrechtmatige daadsrecht een rol als mogelijke katalysator voor aansprakelijkheid, uiteraard pas als achteraf blijkt dat er ten onrechte niet of onvoldoende gewaarschuwd werd.

Proefschrift: De organisatie van regelgeving voor Nederlands Oost-Indië: stelsels en opvattingen (1602-1942)

Dit onderzoek gaat over een centraal aspect van het staatsrecht voor Nederlands Oost-Indië, namelijk de wijze van verdeling van regelgevende bevoegdheden in de jaren 1602-1942; over opvattingen van Nederlandse bestuurders, politici en staatsrechtsgeleerden inzake de verhouding tussen Nederland en Nederlands Oost-Indië; en over de samenhang tussen die wijze van verdeling en die opvattingen. Het onderzoek betreft daarmee aspecten van wat we, aldus de historicus Van Deursen, 'vroeger zo ongegeneerd koloniale geschiedenis noemden', en wel koloniale rechtsgeschiedenis en koloniale ideeëngeschiedenis, toegespitst op Nederlands Oost-Indië.

Proefschrift: Van moeders en dochters. Systemen ter voorkoming van cumulatie van vennootschapstax in deelnemingssituatie

Het onderwerp van dit proefschrift is: systemen ter voorkoming van cumulatie van vennootschapsbelasting in deelnemingssituaties. Het handelt over de vraag wanneer en hoe bij de belastingheffing over inkomsten (winst) rekening moet worden gehouden met het deelnemen van rechtspersonen in andere rechtspersonen. Het richt zich met name op de vraag wanneer en hoe cumulatie van belastingheffing in deelnemingssituaties vermeden kan worden.

Proefschrift: Direct application of international criminal law in national courts

This study will set out the present state of the international legal framework governing direct application in national courts of the international criminalizations of genocide, crimes against humanity and war crimes, the so-called 'core crimes.' It will examine on thee basis of comparative national and international case law under what conditions international law on the core crimes can or should be applied directly for the prosecution of individuals. I will also explore the underlying considerations for granting or withholding direct application. Direct application in the context of this study means that a national court applies an international rule, without it having been transformed into a rule of national law, because it is binding law for the court.

Proefschrift: Winstdrainage door renteaftrek

Winstdrainage kan worden omschreven als het op gekunstelde wijze creëren van schuldverhoudingen ter verijdeling van vennootschapsbelasting. Deze weliswaar vage en ruime definitie doet recht aan de vaagheid van het begrip zelf. Pogingen tot een meer specifieke omschrijving stuiten af op het gegeven dat onder het begrip te veel verschillende verschijnselen schuilgaan. Zo wordt er onder begrepen het kunstmatig oproepen van vreemd vermogen, bijvoorbeeld door het schuldig blijven van gelden in het kapitaalverkeer tussen aandeelhouder(s) en vennootschap, het rondpompen van gelden binnen concern en de financiering van overnames met schuldverhoudingen binnen concern. In een aantal gevallen is renteaftrek door de fiscus geweigerd op grond van de bijzondere rechtsmiddelen richtige heffing en fraus legis. In sommige gevallen heeft de rechter dit gesanctioneerd. Eind 1996 zijn voorts wettelijke renteaftrekbeperkingen tegen winstdrainage in de Wet Vpb. 1969 opgenomen. Een daarvan is art. 10a, het onderwerp van dit onderzoek.

Proefschrift: Huur en verhuur van bedrijfsruimte

Bij de uitzetting van de koers van dit boek is de inbedding en de aard van de (destijds) nieuwe huurwetgeving van belang. Met name door de nieuwe inbedding in de gelaagde structuur van het BW komt het algemene verbintenissenrecht en het vermogensrecht pregnant in beeld. De nieuwe semi-dwingendrechtelijke aard van het wettelijk huurrecht detailhandelsbedrijfsruim te (afd. 7.4.6 BW) betreft de mogelijkheid niet ten nadele van de huurder van de wettelijke bepalingen af te wijken. Het huidige semi-dwingend recht ontbeert echter een dogmatische grondslag en leidt om meerdere redenen tot rechtsonzekerheid. Over het semi-dwingende karakter van het wettelijk huurrecht van afdeling 7.4.6 BW moet daarom – alsnog – een principieel debat worden gevoerd, waarbij de bevindingen van de rechtsvergelijkende studie tot inspiratie kunnen dienen, om te kom en tot een nieuw wettelijk stelsel.

Proefschrift: Controlling access to content - Regulating Conditional Access in Digital Broadcasting

Thee time when John Vincent Atanasoff and Clifford Berry were building their digitall computer (1937-42) was also the time when the history of the distribution of access-controlledd electronic services began. The pioneer was the Musak Corporationn in New York, which offered fee-based music services for business customers,, and later music programmes to New York's households. The service wass distributed via telephone lines and allowed radio services to be received in the connectedd households by means of a specially designed 'injector box'. Later, in the mid-1950s,, Paramount Pictures came up with the Telemeter subscription system, a wiredd distribution system that required users to insert the payment directly into a coinn box that was attached to the viewer's television set.' Having said that, the historyy of controlling access to electronic content with the intention of collecting remunerationn dates back even earlier in media history, namely to 19th century Paris, whenn in 1895 the Lumière brothers showed the first cinematographic performance too a paying audience. A semi-electronic cash machine and a piece of paper were the forerunnerss of sophisticated architecture of control that electronic access control has become today.

Proefschrift: Op weg naar een nieuw aanbestedingsrechtelijk kader in Nederland

In dit proefschrift wordt de (destijds) nieuwe aanbestedingswet belicht vanuit Europees perspectief. Dat betekent dat de elementen van de ontwerpwet zoveel mogelijk worden bezien vanuit de door het EG-verdrag en op de door de op dit terrein ontstane jurisprudentie gegeven ruimte. Immers de Europeesrechtelijke dimensie van overheidsaanbestedingen, zoals terecht door Van de Meent opgemerkt, is deels (ook nu, tien jaar na zijn promotie) nog terra incognita. Het aanbestedingsrecht is nog steeds niet tot volle wasdom gekomen. Daar zal meer tijd voor nodig zijn. Het aanbestedingsrecht is daarnaast, evenals het overgrote deel van het Europees-economisch recht, casuïstisch van aard. Dat maakt een dogmatisch inbedden van het aanbestedingsrecht erg complex. Het neerleggen van de procedureregels in duidelijke en transparante wetgeving zal derhalve nooit alles afdekkend kunnen zijn.

Proefschrift: Toegang tot overheidsinformatie

Deze studie richt zich op de openbaarheid van onder de overheid berustende informatie. Het begrip “overheid” wordt daarbij ruim opgevat. Daartoe behoren niet alleen bestuursorganen als bedoeld in art. 1:1 Awb, maar ook vertegenwoordigende lichamen, zoals de Eerste en Tweede Kamer, provinciale staten en de gemeenteraad, en de rechterlijke macht. Het gaat om de overheid in ruime zin.

Proefschrift: Het vermogen te dragen

In zijn dissertatie geeft Steven van Eijck aan dat huishoudens in plaats van het individu als uitgangspunt moeten worden genomen bij het doorrekenen van beleidseffecten van de overheid. In dit kader zijn zeven hoofdtypen van huishoudens gedefinieerd waarbij - in tegenstelling tot de huidige koopkrachtplaatjes - wel rekening wordt gehouden met gezinssamenstelling, vermogen en inkomensbron. Van Eijck is van mening dat Jan Modaal niet bestaat. Dit inkomen kan worden verdiend door een bijklussende student, een douairière die inteert op haar vermogen of een werkende alleenstaande moeder met drie kinderen. De overheid rekent nu inkomenseffecten van beleidsmaatregelen door bij bepaalde inkomens; achter ieder individu met inkomen zit vaak een heel andere werkelijkheid.

Oratie: Onze informatiesamenleving in wording

Ketenvraagstukken halen dagelijks de krant! Nu eens gaat het om voetbalgeweld, dan weer om criminele jongeren of om medische fouten ten gevolge van gebrekkige gegevensoverdracht. Actuele thema’s op het gebied van ketensamenwerking zijn bijvoorbeeld de paspoortbiometrie, het burgerservicenummer en toenemende identiteitsfraude. Het gaat steeds om grootschalige informatie-uitwisseling tussen enorme aantallen onafhankelijke organisaties en professionals. Vaak worden zij in hun samenwerking geconfronteerd met gebrekkige medewerking of lijnrechte tegenwerking, bijvoorbeeld van verdachten in de strafrechtketen.

Proefschrift: Schikken in het bestuursrecht

Een schikking is een overeenkomst tussen partijen over de tussen hen te gelden rechtsbetrekking, welke de strekking heeft definitief en rechtsgeldig een einde te maken aan hun juridische geschil en aan de gerechtelijke procedure waarin dat geschil aan de orde is. De mogelijkheden en consequenties van schikken in het bestuursrecht zijn onderwerp van dit onderzoek.

Proefschrift: The power of knowledge: Ethical, legal, and technological aspects of data mining and group profiling in epidemiology

As the (sub)title indicates, the subject o f this thesis is data mining and group profiling. In this chapter, 1 introduce the problems (and their contexts) that are dealt with. In this first section, I describe what this thesis is about, what it is not about, and the methodology that was used in the research. In the other sections of this chapter, some basic information and some (working) definitions are provided in order to create a practical framework for the following chapters.

Oratie: Bedreigen computers ons rechtssysteem?

Recht én informatica is géén functioneel rechtsgebied zoals bankrecht, bouwrecht, verkeersrecht, faillissementsrecht en aanbestedingsrecht. Het gaat om een multi­discipline, die in de volle breedte van het recht waarde heeft voor de normering van de informatiemaatschappij. Naarmate de informatica democratiseert, komen er meer onderwerpen waar het vakgebied betekenis heeft. Daarmee krijgt het, vanuit traditioneel rechtswetenschappelijk perspectief bezien, een caleidoscopisch karakter.

Proefschrift: De staat van de universiteit

Universiteiten zijn al honderden jaren een constante in het publieke leven. Men gaat er doorgaans van uit dat de eerste universiteit is opgericht in Bologna in 1140. Als institutie stond de studie (Studium) vertegenwoordigd door de universiteit naast het kerkelijk gezag (Sacerdotum) vertegenwoordigd door het pausdom en het wereldlijke gezag (Imperium) vertegenwoordigd door de keizer van het Heilige Roomse Rijk. De rol van de universiteiten lijkt ook een constante te zijn; het overdragen van kennis en het uitbreiden van de beschikbare kennis door middel van onderzoek. De universiteit als institutie heeft daarentegen wel ingrijpende veranderingen doorgemaakt. Na ongeveer zes en halve eeuw is de universiteit niet meer nevengeschikt aan het wereldlijke gezag, maar wordt zij onder dat gezag geplaatst. Die veranderde verhoudingen gaan zeker voor Frankrijk en Pruisen gelden door de instelling van, respectievelijk, de Université Imperiale door Napoléon I tussen 1806 en 1808 en de Universität von Berlin door Von Humboldt in 1810. Deze voorbeelden markeren de aanvang van de staatscontrole over de universiteiten en de incorporatie van de universiteit in de publieke dienst. Men beschouwt dit in het algemeen als het begin van de moderne universiteit.

Proefschrift: De Wet Algemene Voorwaarden en het AGB-Gesetz

Het AGB-Gesetz heeft in Duitsland diepe sporen getrokken. De aandacht voor algemene voorwaarden heeft in Duitsland een impuls gekregen bij de invoering van het AGB-Gesetz en is sindsdien onafgebroken erg groot geweest. Ook in Nederland verwacht ik dat de invoering van afd. 6.5.3 voor veel gebruikers aanleiding zal zijn hun al-gemene voorwaarden te herzien. Ook voorzie ik dat in de rechtspraak en de literatuur de belangstelling voor algemene voorwaarden zal groeien. Maar de Nederlandse rechtscultuur verschilt aanzienlijk van de Duitse. mijn indruk is dat algemene voorwaarden in grofweg dezelfde situaties worden gebruikt, maar dat er in Nederland minder vaak een beroep op wordt gedaan. Ook het feit dat de Nederlandse overlegcultuur de nodige tweezijdige algemene voorwaarden oplevert (vooral in de consumentensfeer) maakt de rol van afd. 6.5.3 naar verwachting wat kleiner dan die van het AGB-Gesetz.

Proefschrift: Data mining, de toetsing van beslisregels & privacy

Een onderzoek naar de juridische aspecten van knowledge discovery in databases en data mining heeft wel iets weg van de reis en de belevenissen van Odysseus. Een zoektocht en uiteindelijk een terugkeer met, net als bij Odysseus, waarschijnlijk niet voor allen even vreugdevolle uitkomsten. Dat niet iedereen even vreugdevol gestemd kan worden, is nu echter eenmaal het lot van vele juridische betogen. En om zo'n betoog gaat het hier.

Proefschrif: Particuliere reclassering en overheid in Nederland sinds 1823

Het centrale thema in deze studie is de relatie tussen overheid en particulier initiatief op het terrein van de reclassering. De keuze voor dit thema vloeit voort uit de constatering dat de overheid een deel van het strafrechtelijk overheidsbeleid overliet aan particuliere instellingen. Hierdoor ontstond een bijzondere relatie tussen het Ministerie van Justitie en de particuliere reclasseringsinstellingen.

Proefschrift: Het retentierecht

'Het recht van terughouding is een wel hееl armzalig doordachte figuur', aldus Schoordijk in 1981. Het is een onderwerp 'dat door de wet niet dan stiefmoederlijk wordt behandeld', aldus Thors in zijn dissertatie in 1934. Het retentierecht 'c'est la une des matières ou la doctrine a eu le plus à faire pour suppléer au silence du législateur', aldus Colin en Capitant in hun handboek reeds in 1932. Deze uitspraken, die met vele andere uitspraken van schrijvers zijn aan te vullen, geven aan dat zowel de wetgeving als de rechtsleer ten aanzien van het retentierecht te wensen overlaat. Het is een onderwerp terzake waarvan nog geen eenduidige wetgeving bestaat en waarover de doctrine nog geen algemene theorie heeft ontwikkeld. Dat maakt dat 'le droit de rétention est une des matières les plus délicates et les plus incertaines de notre droit civil'. Dat maakt ook dat het retentierecht daardoor een onderwerp is, dat juridisch-wetenschappelijke studie en aandacht verdient.

Proefschrift: Het fideicommis de residuo

In de literatuur en de praktijk valt een opleving van de belangstelling te constateren. Het blijkt dat het fideicommis de residuo in een groeiende behoefte kan voorzien. In het NBW wordt de rechtsfiguur om deze reden in materiële zin gehandhaafd. Naar ik meen, is het fideicommis de residuo een ondergewaardeerde rechtsfiguur in die zin dat zijn mogelijkheden m.i. een toepassing op grotere schaal zouden rechtvaardigen. Het fideicommis de residuo is bepaald geen eenvoudig instituut. Daarin is n.m.m. de voornaamste reden gelegen, dat menig (notariële) practicus in voorkomende gevallen van toepassing afziet. In het bijzonder komen hier aan de orde de aan de rechtsfiguur verbonden moeilijkheden en wordt getracht daarvoor (mogelijke) oplossingen te bieden.

Proefschrift: Opzegging van duurovereenkomsten

In deze studie is hoofdzakelijk geprobeerd een aantal aanzetten te geven tot een algemene theorie omtrent de opzegging van (duur-)overeenkomsten. Een dergelijke theorie ontbrak tot dan toe. Wel kwam voor een aantal gevallen een afzonderlijke regeling in de wet voor. Een groot aantal van die regelingen wordt in dit boek behandeld. Het zal echter duidelijk zijn dat die behandeling meestal summier moest blijven en alleen datgene werd opgenomen dat voor bovengenoemde doelstelling relevant geacht werd.