Hoge Raad, 14-04-2017 / 15/02201


ECLIECLI:NL:HR:2017:676
Datum14-04-2017
InhoudsindicatieInkomstenbelasting. Art. 3.8 en 7.2 Wet IB 2001; art. 6, 7 en 11 Belastingverdragen Nederland-BelgiŽ 1970 en 2001; art. 47 AWR; art. 6, lid 2, EVRM. Betrokkenheid bij via een groot aantal lichamen verrichte transacties betreffende Nederlandse bedrijven vormt voor belanghebbende een onderneming. Samenloop met strafzaak. Beroep op het arrest Melo Tadeu faalt. Een (mogelijk) pleitbaar standpunt van de belanghebbende dat hij niet belastingplichtig is, ontslaat hem niet van zijn verplichting te voldoen aan een inlichtingenverzoek aangaande zijn (eventuele) belastingplicht. In Nederland woonachtige of gevestigde zakenpartner kan vaste vertegenwoordiger zijn. Omvang van de aan de vaste inrichting toe te rekenen winst.
TijdschriftartikelHoge Raad 14-04-2017 (met noot)
A.C. Breuer
FED 2017/112
Beroep op de onschuldspresumptie faalt. Verplichting te voldoen aan een inlichtingenverzoek aangaande (eventuele) belastingplicht. In Nederland woonachtige of gevestigde zakenpartner kan vaste vertegenwoordiger zijn. Omvang van de aan de vaste inrichting toe te rekenen winst
TijdschriftartikelHoge Raad 14-04-2017 (met noot)
S.C.W. Douma
BNB 2017/222
Ondernemerschap. Schending onschuldpresumptie? Pleitbaar standpunt en informatieplicht. Vaste vertegenwoordiger. Aan vaste inrichting toe te rekenen winst
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2016:786
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2016:786
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2018:2438