Parket bij de Hoge Raad, 15-11-2005 / 03427/04


ECLIECLI:NL:PHR:2005:AU3475
Meer over deze zaak:
Datum15-11-2005
InhoudsindicatieOverschrijding redelijke termijn bij verstekmededeling; OM niet-ontvankelijk. Van overschrijding van de redelijke termijn ex art. 6.1 EVRM kan sprake zijn indien het OM bij de betekening van een verstekmededeling ex art. 366 Sv niet de nodige voortvarendheid heeft betracht (HR NJ 2000, 721). Een verdachte die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven, en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, tengevolge waarvan de inspanningen van het OM om de uitspraak te zijner kennis te brengen, zonder resultaat blijven, kan zich niet met vrucht beroepen op schending van de voormelde verdragsbepaling (HR NJ 2001, 243). Het bestreden arrest is op 10-11-95 bij verstek gewezen en op 15-3-96 heeft een betekening van de mededeling uitspraak aan de griffier plaatsgevonden omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Na vergeefse aanbieding op het adres X op 24-9-04 is de mededeling uitspraak op 25-9-04 aan verdachte in persoon betekend. Verdachte is vanaf 2-01-96 steeds ingeschreven geweest in de GBA. Ten aanzien van feit 3 is het recht tot strafvordering vervallen ex art. 70.2° Sr, zodat het OM niet-ontvankelijk is in de vervolging van dat feit. Wat betreft feit 1 en 2 geldt dat de tussen 15-3-96 en 24-9-04 opgetreden vertraging voor rekening van het OM komt. Ook ter zake van deze feiten verklaart de HR het OM niet-ontvankelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat a. verdachte van 2-1-96 in de GBA stond ingeschreven, b. de mededeling uitspraak van 15-3-96 ten onrechte is betekend aan de griffier omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats bekend is, c. in cassatie moet worden uitgegaan van een periode van inactiviteit van het OM van bijna 9 jaar, d. dat de feiten 13 tot 16 jaar geleden zijn begaan en e. dat de verjaringstermijn van deze feiten 12 jaar bedraagt.
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2005:AT5840 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2005:AT3957 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2005:AU3475 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BF3196 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2006:AU8283 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2007:BB5386 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2006:AY8320 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2005:AU3475 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BC7712
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2006:AU8887
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BF3200
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BF3198
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BF3193
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BF3185
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BF3184
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BF3181
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BC8669
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2007:AZ8779
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2007:AZ3134