Parket bij de Hoge Raad, 10-09-2013 / 11/05188


ECLIECLI:NL:PHR:2013:1613
Datum10-09-2013
InhoudsindicatieOM-cassatie. 1. Salduz. 2. Bewijsuitsluiting. 3. Onrechtmatig binnentreden. Ad 1. In zijn overwegingen m.b.t. de schending van de Salduz-norm heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat aan de enkele mededeling van verdachte dat hij zijn rechten kent - waarmee het Hof kennelijk doelde op de door verdachte bij de aanvang van het verhoor gedane mededeling - niet de conclusie kan worden verbonden dat hij ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is, ook in het licht van hetgeen door de A-G bij het Hof ter terechtzitting in h.b. is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Ad 2. Aan zijn oordeel dat ook het overig bewijs in het dossier dat is vergaard na het verhoor van verdachte op 26 februari 2008 dient te worden uitgesloten van het bewijs heeft het Hof ten grondslag gelegd dat dit bewijsmateriaal is totstandgekomen op grond van enkel de bekennende verklaring van vedachte die hij heeft afgelegd nadat hij geconfronteerd was met de inhoud van de geheimhoudersgesprekken die niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. In ECLI:NL:HR:BY5321 heeft de HR regels geformuleerd voor de toepassing van bewijsuitsluiting als rechtsgevolg van een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv t.a.v. bewijsmateriaal dat rechtstreeks als gevolg van een bepaald vormverzuim is verkregen. Mede in het licht van die regels moeten aan de vaststelling van rechtsgevolgen t.a.v. de zogenoemde vruchten van dat bewijsmateriaal motiveringseisen worden gesteld zodat ook in cassatie met voldoende precisie kan worden getoetst in hoeverre dat andere bewijsmateriaal telkens daadwerkelijk kan worden aangemerkt als uitsluitend en rechtstreeks gevolg van eerder verkregen, nadien uitgesloten bewijsmateriaal. In dit opzicht schiet de motivering van het Hof tekort, zodat het middel slaagt. Ad 3. Vooropgesteld moet worden dat verdenking van overtreding van de WWM kan worden aangenomen o.b.v. anoniem aan de politie verstrekte informatie. Die informatie was in het onderhavige geval vervat in een melding van de CIE. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat aan deze CIE-informatie waarvan de betrouwbaarheid kennelijk niet kon worden vastgesteld geen redelijk vermoeden van de aanwezigheid van wapens en munitie a.b.i. art. 49 WWM kan worden ontleend, zodat het binnentreden in het perceel X als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Dat oordeel is zonder nadere motivering niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat tot doorzoeking is overgegaan nadat een verbalisant had geconstateerd dat in het Xpol-systeem is geregistreerd dat tegen verdachte aangifte is gedaan t.z.v. bedreiging met een vuurwapen, waarmee, zoals het Hof heeft vastgesteld, kennelijk wordt gedoeld op een aangifte van 16 juli 2007 door een medewerker van de afdeling burgerzaken.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2004:AM2533 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BH3079 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BY5321 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BY5322 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2007:AZ8795 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2007:BA5632 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BZ2191 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2006:AU5471 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2010:BK3369 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2010:BN9187 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:2670 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:2670 ★★