Parket bij de Hoge Raad, 25-06-2013 / 13/00215


ECLIECLI:NL:PHR:2013:607
Datum25-06-2013
InhoudsindicatieToepassing art. 15e (vanaf 2007: 12a) Wet Vpb: verval van een herinvesteringreserve (HIR) bij wijziging van het belang in het HIR-lichaam. Treft die bepaling ook gevallen waarin: (i) geherinvesteerd wordt vr de belangwijziging (voorafoplossing), (ii) pas vervreemd wordt n de belangwijziging (achterafoplossing) of (iii) vervreemding, belangwijziging en herinvestering zich in n boekjaar afspelen (alles-in-n-jaar-oplossing)? Feiten: De belanghebbende heeft in 2003 onroerend goed vervreemd en voor de boekwinst een HIR gevormd. In 2004 vonden op n dag de volgende (rechts)handelingen plaats: om 16:50 uur tekende de belanghebbende een koopovereenkomst ter zake van appartementsrechten die tot het passeren van de leveringsakte voor rekening en risico van de verkoper bleven; om 17:03 uur werden de aandelen in de belanghebbende verkocht aan [N] B.V.; en om 17:07 uur werd de akte van levering van de appartementsrechten opgemaakt. In geschil is of de belanghebbende de HIR op de voet van art. 15e Wet Vpb in 2004 tot haar fiscale winst moet rekenen, met name op welk moment de HIR ex art. 3.54 Wet IB 2001 afgeboekt zou kunnen worden: het investeringsmoment of activeringsmoment. De Rechtbank leidde uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 15e Wet Vpb af dat materieel getoetst moet worden of het uiteindelijke belang in het HIR-lichaam is gewijzigd. Zij achtte aannemelijk dat het belang in casu reeds ten tijde van de herinvestering materieel bij de overnemer lag en heeft belanghebbendes beroep daarom ongegrond verklaard. Het Gerechtshof achtte art. 15e Wet Vpb niet van toepassing omdat de Inspecteur niet bewees dat het belang wijzigde vr de herinvestering, zodat er op het moment van de belangwijziging geen HIR (meer) was om ex art. 15e Wet Vpb vrij te vallen. Aan het beroep van de Inspecteur op fraus legis stond volgens het Hof in de weg dat doel en strekking van art. 15e Wet Vpb niet werden miskend als de HIR in casu niet aan de winst zou worden toegevoegd. De Staatssecretaris meent dat (i) de herinvestering vlak vr de belangwijziging materieel door de nieuwe aandeelhouder is gedaan en de wetgever voor dat geval niet beoogde heffing uit te stellen, (ii) doel en strekking van art. 15e van de Wet Vpb 1969 worden miskend als de HIR niet zou vrijvallen, en (iii) het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de HIR reeds kan worden gebruikt bij het totstandkomen van de obligatoire overeenkomst tot herinvestering. A-G Wattel concludeert ter zake van het beroep op doel en strekking van de bepaling dat het gaat om een speciale anti-misbruikbepaling tegen doorschuiving van stille reserves die buiten verdenking zou staan als het belang in de belanghebbende niet zou zijn gewijzigd of als zij niet voornamelijk beleggingsvermogen zou hebben aangehouden; een bepaling die naar haar duidelijke bewoordingen bepaalde situaties niet treft, waarop de literatuur en ook de medewetgever als uitvoerder duidelijk hebben gewezen. De bepaling is voorts tegen het advies van de Raad van State in ingevoerd, die meende dat op het vlak van de feitenvaststelling en het bewijs (wel of geen herinvesteringsvoornemen?) gestreden moest worden. Hij meent dat onder deze omstandigheden, mede op grond van de rechtszekerheid die belastingplichtigen geboden moet worden om hun zakelijke wandel te bepalen, de bepaling volgens haar duidelijke tekst moet worden uitgelegd. Met de Staatssecretaris meent de AG evenwel dat het Hof een stelling van de Inspecteur in hoger beroep onjuist heeft opgevat en de term herinvesteren in de zin van art. 3.54 Wet IB 2001 verkeerd heeft uitgelegd. Het Hof acht het aangaan van verplichtingen voldoende, zulks op basis van art. 3.43 Wet IB 2001, maar die bepaling gaat volgens de A.-G. over investeren in de zin van de voorafgaande bepalingen over investeringsaftrekken, terwijl het vanaf art. 3.53 Wet IB 2001 over een ander aspect van fiscale winstbepaling gaat, nl. over tijdelijke belastingvrije winstreservering (voor kostenegalisatie, voor de oude dag en voor herinvestering). De vermindering van de in aanmerking te nemen aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen in de zin van art. 3.54 Wet IB 2001 kan pas plaatsvinden als er aanschaffings- of voortbrengingskosten voor het bedrijfsmiddel op de balans van de herinvesteerder verschijnen. Uw rechtspraak over het moment van activering van bedrijfsmiddelen sluit niet aan bij aangaan van verplichtingen, maar toont juist dat pas geactiveerd wordt als de economische of de volle eigendom van het bedrijfsmiddel is verworven en erop afgeschreven kan worden. Uit de vastgestelde feiten kan volgens de A.-G. geen andere conclusie getrokken worden dan dat de belanghebbende pas aanschaffingskosten heeft gemaakt n de belangwijziging in haar, zodat pas op dat moment de HIR afgeboekt zou hebben kunnen worden, ware het niet dat zij door de werking van art. 15e Wet Vpb reeds vlak vr de belangwisseling aan de fiscale winst was toegevoegd. Conclusie: cassatieberoep gegrond; zelf afdoen.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BJ2006 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2012:BX6705 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BY0548 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BB5195 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ3314 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BD6390 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:1997:AA2197 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARN:2012:BY3249 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1712 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2012:BY1982 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARN:2012:BY8171 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2007:BA7731 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:1187 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARN:2012:BY8169 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2000:AA5540 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0057 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBARN:2011:BQ6490
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BT7540
Gerelateerd ECLI:NL:GHARN:2010:BO1271
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:1187 ★★