Parket bij de Hoge Raad, 31-12-2018 / 17/03702


ECLIECLI:NL:PHR:2018:1435
Datum31-12-2018
InhoudsindicatieEen onderwijsstichting maakt voor de schoonmaak van haar schoolgebouwen tot begin 2009 gebruik van externe schoonmaakbedrijven. Daarna is zij de schoonmaakwerkzaamheden in eigen beheer gaan uitvoeren. Zij heeft een bv (belanghebbende) opgericht die de schoonmaakwerkzaamheden op zich neemt. Op 10 maart 2009 heeft belanghebbende een overeenkomst gesloten met [E]. De overeenkomst houdt in dat [E] diverse voorbereidende werkzaamheden uitvoert voor het tot stand komen van een schoonmaakovereenkomst tussen belanghebbende en de onderwijsstichting, en dat [E] het toezicht zal uitvoeren op de schoonmaakwerkzaamheden die door belanghebbende worden uitgevoerd. Vanaf 6 mei 2009 worden belanghebbende en de onderwijsstichting op hun verzoek aangemerkt als fiscale eenheid in de zin van artikel 7(4) Wet OB. Eind 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat de fiscale eenheid met ingang van 1 januari 2013 wordt beŽindigd. Zowel de rechtbank Den Haag als het gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat belanghebbende en de onderwijsstichting een fiscale eenheid vormen. Zij hebben belanghebbende een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend. De staatssecretaris van FinanciŽn (de Staatssecretaris) heeft beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris voert aan dat economische verwevenheid tussen belanghebbende en de onderwijsstichting ontbreekt, omdat de door belanghebbende verrichte schoonmaakwerkzaamheden nagenoeg geheel plaatsvinden ten behoeve van de niet-economische onderwijsactiviteiten van de onderwijsstichting. Daarnaast stelt hij dat [E] in haar taakuitoefening niet materieel ondergeschikt is aan de onderwijsinstelling in de hoedanigheid van bestuurder van belanghebbende, zodat geen sprake is van organisatorische verwevenheid tussen beiden. Ten derde neemt de Staatssecretaris het standpunt in dat het Hof de gedachtegang die ten grondslag ligt aan zijn oordeel dat geen sprake is van misbruik van recht, niet inzichtelijk heeft gemaakt, zodat sprake is van een gebrekkige motivering. Belanghebbende neemt in het incidentele cassatieberoep het standpunt in dat zij recht heeft op een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Ten eerste stelt zij dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die reden vormt om van de forfaitaire proceskostenvergoeding af te wijken, omdat de Inspecteur de procedure in rechte willens en wetens heeft voortgezet, terwijl hij naar aanleiding van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) en de Hoge Raad en de holdingresolutie wist dat zijn standpunt geen stand kon houden. Ten tweede voert belanghebbende aan dat de Nederlandse regelgeving met betrekking tot de proceskostenvergoeding in strijd is met het Unierecht. Artikel 11 Btw-richtlijn geeft de lidstaten de mogelijkheid om afzonderlijke personen, die verweven zijn in financiŽle, economische en organisatorische zin, tezamen als ťťn belastingplichtige (een btw-groep) aan te merken. Uit het door het HvJ gewezen arresten Commissie/Ierland en Larentia + Minerva leidt A-G Ettema af dat het begrip personen een Unierechtelijk begrip is dat zowel belastingplichtigen als niet-belastingplichtigen omvat. De invulling van de verwevenheidsvereisten is aan de lidstaten opgedragen. De lidstaten zijn derhalve, indien zij de figuur van de btw-groep in hun nationale recht implementeren, in beginsel gehouden om niet-belastingplichtigen tot een btw-groep toe te laten treden, indien aan de door hen geformuleerde verwevenheidsvereisten is voldaan. Wel kan een lidstaat die de btw-groepbepaling in zijn nationale recht heeft overgenomen, alle maatregelen vaststellen die nodig zijn om belastingfraude en -ontwijking met gebruikmaking van deze bepaling te voorkomen. Nederland heeft de btw-groepbepaling geÔmplementeerd in artikel 7(4) Wet OB. Daarin is niet bepaald dat belastingplichtigen die zowel economische als niet-economische activiteiten verrichten van toetreding tot een fiscale eenheid worden uitgesloten. Zolang een dergelijke maatregel ontbreekt is het in de visie van de A-G niet toegestaan om via de band van de economische verwevenheid, belastingplichtigen die ook niet-economische activiteiten verrichten uit te sluiten van een fiscale eenheid. Het oordeel van het Hof met betrekking tot de economische verwevenheid gaat niet uit van een onjuiste rechtsopvatting en is voorts verweven met waarderingen van feitelijke aard. Het daartegen gerichte cassatiemiddel faalt. Het oordeel van het Hof met betrekking tot de organisatorische verwevenheid houdt volgens de A-G ook stand. Het standpunt van de Staatssecretaris dat sprake is van misbruik van recht vormt in wezen een herhaling van zijn stelling dat organisatorische verwevenheid ontbreekt vanwege de taak die [E] vervult binnen de samenwerking tussen de onderwijsstichting en belanghebbende en faalt eveneens. Het incidenteel beroep in cassatie dient in de visie van de A-G ongegrond te worden verklaard. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor een bovenforfaitaire proceskostenvergoeding. De A-G geeft de Hoge Raad in overweging om zowel het beroep in cassatie van de Staatssecretaris als het incidenteel beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2007:BA2802 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BP2975 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BG7213 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2005:AU3929 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2006:121 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BH5619 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:837 ★★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2010:804 ★★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2016:611 ★★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2015:496 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:1998:AA2558 ★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2008:108 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHDHA:2017:2416 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2016:11537 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2018:1475
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2019:1112