Rechtbank Amsterdam, 12-05-2010 / 13/431816


ECLIECLI:NL:RBAMS:2010:BM5292
Meer over deze zaak:
Datum12-05-2010
InhoudsindicatieOverschrijding van de redelijke termijn met 14 maanden in een jeugdstrafzaak en schending van het recht van verdachte om een belangrijke getuige charge te ondervragen (art. 6 EVRM). Verbalisant is tot vier keer toe niet verschenen op de oproep om als getuige te worden gehoord. Compensatie d.m.v. strafvermindering als bedoeld in HR 17 juni 2008, LJN BD 2578, NJ 2008, 358 volstaat niet. De kinderrechter is van oordeel dat het IRVK en het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht in de zaak van verdachte er toe leiden dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren. De kinderrechter verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Gerelateerd ECLI:NL:RBZLY:2012:BZ3522 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ7798 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2015:1295