Rechtbank Rotterdam, 29-11-2018 / ROT 17/1405


ECLIECLI:NL:RBROT:2018:9782
Datum29-11-2018
InhoudsindicatieBoete opgelegd door NVWA voor verontreinigde varkenskarkassen. Het opleggen van de boete naast het opgelegde stilleggingsbesluit is niet in strijd met het ne bis in idem-beginsel, nu het stilleggingsbesluit een herstelsanctie is en geen punitieve sanctie. Ook is het opleggen van de boete na het eerder intrekken van het voornemen tot oplegging van de boete (en het uitbrengen van een nieuw voornemen) niet in strijd met artikel 5:43 van de Awb. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling en het CBb oordeelt de rechtbank dat verweerder de grondslag van de boeteoplegging mocht aanvullen in de beslissing op bezwaar en dat verweerder daarin terecht geen aanleiding heeft gezien om het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het boeterapport geen reden om aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder te twijfelen; een nadere onderbouwing met foto's is niet nodig. Ook het opnemen van personalia van de toezichthouder is niet nodig, met het vermelde toezichthoudernummer kan worden achterhaald wie het rapport heeft opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de norm van punt 9 van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, van Vo 853/2004 ten aanzien van haren voldoende duidelijk: haren moeten onmiddellijk worden verwijderd. Dat slechts sprake zou zijn van een inspanningsverplichting kan niet uit punt 9 worden afgeleid. Het voorschrift is overtreden als aan het einde van het slachtproces nog haren op het (niet gevilde) varkenskarkas aanwezig zijn. In het Handhavingsprotocol van de NVWA ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. Er is geen aanleiding tot het stellen van prejudiciŽle vragen zoals in andere zaken over pluimveekarkassen is gedaan. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van het CBb (ECLI:NL:CBB:2016:355) over de beoordeling van de evenredigheid van een boete waarvan de hoogte in een wettelijk voorschrift is vastgesteld, acht de rechtbank de boete van 2.500 in het algemeen evenredig en is eiseres er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de boete in haar geval niet evenredig is. De rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn met iets meer dan 10 maanden is overschreden en ziet daarin aanleiding de boete te matigen met 10%.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2005:AO9006 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CBB:2017:327 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CBB:2017:32 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2013:111 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CBB:2016:355 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BH5768 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBROT:2017:4362 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2015:177 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2016:1803 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2016:1261 ★★