Rechtbank 's-Gravenhage, 19-11-2010 / 09/754036-08


ECLIECLI:NL:RBSGR:2010:BO4550
Datum19-11-2010
InhoudsindicatieDagvaarding nietig ten aanzien van feit 1A (innerlijk tegenstrijdig). Niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1B primair en subsidiair, 1C en 2 is ten laste gelegd. Vrijspraak. Met het oog op de beperkte bewijsbestemming van een aan de Belastingdienst gericht bezwaarschrift rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat zon bezwaarschrift is voorzien van het briefhoofd van [accountants- en belastingadviseurskantoor] en daarmee in strijd met de waarheid de suggestie wekt dat de belanghebbende een cliŽnt zou zijn van (een gerenommeerd accountants- en belastingadvieskantoor als) [accountants- en belastingadviseurskantoor], naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat dat bezwaarschrift daarmee valselijk is opgemaakt als bedoeld in art. 225 lid 1 Sr. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde art. 337 Sr stelt de rechtbank het volgende voorop. Valse merken als bedoeld in deze bepaling zijn officieel niet bestaande, valselijk opgemaakte merken die in strijd met de waarheid de herkomst van het voorwerp, dat onder de valse merknaam in de handel wordt gebracht, aangeven. Vervalste merken zijn merken die oorspronkelijk echt (oftewel onvervalst) waren, maar die dat tengevolge van een wijziging niet langer zijn. Ten aanzien van het onderhavige bezigen van het briefhoofd van [accountants- en belastingadviseurskantoor] door de verdachte op het bij de Belastingdienst mede namens de belanghebbende ingediende bezwaarschrift, stelt de rechtbank het volgende vast. De rechtbank gaat ervan uit dat het bezwaarschrift op het officiŽle briefpapier van [accountants- en belastingadviseurskantoor] is geprint. Van het bezigen van een vals of vervalst merk als bedoeld in art. 337 lid 1 onder sub a Sr is daarom naar de letter van de wet al geen sprake. Maar ook wanneer de reikwijdte van de onderhavige delictsomschrijving gelet op haar betekenis in het hedendaagse rechtsverkeer in bredere zin zou worden uitgelegd, maakt de enkele omstandigheid dat [X] geen (betalende) cliŽnt van [accountants- en belastingadviseurskantoor] is geweest ten tijde van het door verdachte toezenden van het beroepschrift aan de Belastingdienst, terwijl verdachte daartoe wel het briefpapier heeft gebruikt met het als briefhoofd van [accountants- en belastingadviseurskantoor] geplaatste merk, dit merk niet tot vals merk als bedoeld in art. 337 Sr.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BD2578 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2004:AM2533 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2005:AP4584 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BF3286 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2004:AN9379 ★★★