Rechtbank Zwolle, 10-10-2001 / AWB 00/4800


ECLIECLI:NL:RBZWO:2001:AD8042
Datum10-10-2001
InhoudsindicatieOngeval tijdens een van dienstwege georganiseerde sportdag, waaraan deelname verplicht was; verweerder niet voldaan aan verplichting schade te voorkomen en derhalve aansprakelijk voor deze schade. Eiseres was tot 1 december 1998 bij verweerders ministerie werkzaam als medewerkster personeelszaken. Zij heeft op 18 juni 1996 deelgenomen aan de sportdag van 710 Speciale Eenheid Bevoorradingsdienstgoederen. Blijkens een interne mededeling d.d. 19 februari 1996 waren de geadresseerden van die mededeling, waaronder de afdeling waar eiseres werkzaam was, verplicht aan deze sportdag deel te nemen. Wie een medische mutatie had of om andere redenen niet mee kon doen, kon zich opgeven als scheidsrechter. De deelnemers waren tevoren ingedeeld in teams. Het team waarvan eiseres deel uitmaakte speelde het spel wereldbal. Een bal met een doorsnede van 2 meter moest vanuit het midden van het veld over de achterlijn van de tegenpartij worden geduwd. Per team namen 5 spelers aan dit spel deel. Eiseres wenste aan dit spel niet deel te nemen en bleef langs de lijn toekijken. Nadat na ongeveer 5 minuten spelen twee van haar teamgenoten geblesseerd waren geraakt heeft zij als teamleider het spel laten staken en de tegenpartij een gewonnen partij toegekend. De blessures werden veroorzaakt door het van de grond komen van de bal, omdat aan twee kanten tegen de bal werd geduwd. Als de spelers dan kwamen te vallen, rolde de bal over hen heen, omdat de tegenpartij hen niet kon zien. Vervolgens hebben de scheidsrechter en eiseres de bal naar een hoek van het speelveld gerold, waar ze nog even bleven praten. Tijdens dit gesprek is de bal door een of twee onbekend gebleven collegas van eiseres in beweging gebracht en raakte deze eiseres, die daardoor als het ware werd gelanceerd en met haar volle gewicht op haar linker schouder terecht kwam. Zij heeft daarbij haar opperarmbeen links vlak onder de kop gebroken. Eiseres is linkshandig. Na aanvankelijk conservatieve behandeling werd in verband met verslechtering van de stand van de arm op 27 juli 1996 een operatie uitgevoerd. Nadien bleven pijnklachten en bij een arthroscopie in november 1997 bleek dat er sprake was van een posttraumatische kraakbeendegeneratie met enige degeneratieve afwijkingen van de schouderbladgewrichtskom. Eiseres heeft getracht haar werkzaamheden te hervatten, doch dit is mislukt. Zij ontvangt inmiddels een uitkering krachtens de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij besluit van 13 januari 1997 heeft de Commandant van [] Eenheid (hierna: de Commandant) vastgesteld dat het ongeval beschouwd dient te worden als dienstongeval en heeft hij conform artikel 64 van het Burgerlijk Ambtenarenreglement Defensie (verder te noemen: BARD) de ten laste van eiseres gebleven noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling en verzorging vergoed. Bij besluit van 17 november 1998 is eiseres met toepassing van het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder f van het BARD per 1 december 1998 eervol ontslag verleend. Bij besluit van 13 april 2000 is aan eiseres met ingang van 1 december 2000 een aanvullende uitkering toegekend als bedoeld in artikel 65 van het BARD. Zoals de Centrale Raad van Beroep reeds in meerdere uitspraken heeft overwogen kan de vraag welk recht op schadevergoeding in een geval als het onderhavige voor de betrokkene uit zijn of haar dienstbetrekking voortvloeit niet worden beantwoord door rechtstreekse toepassing van een regel van burgerlijk recht. In zijn uitspraak van 22 juni 2000 (TAR 2000,112) [LJN: url('AB0072',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=23812)] heeft de Centrale Raad van Beroep ten aanzien van een zuiver schadebesluit als hier aan de orde echter wel aansluiting gezocht bij de regeling van de werkgeversaansprakelijkheid in artikel 7:658 BW en daartoe de volgende toetsingsnorm geformuleerd: Voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit de op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar. Tussen partijen is niet in geding dat het eiseres overkomen ongeval niet het gevolg is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid van eiseres zelf. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat van verweerder niet kan worden verlangd dat hij maatregelen treft om ongevallen, ontstaan door bijvoorbeeld een speelse grap of baldadigheid van een of meer van zijn ondergeschikten, te voorkomen. Hij heeft zich beroepen op een uitspraak van de rechtbank Groningen, waarin dit kennelijk is uitgesproken. Om deze reden wijst verweerder ook bij toepassing van de hiervoor weergegeven toetsingsnorm van de Centrale Raad van Beroep iedere aansprakelijkheid voor andere dan de reeds vergoede schade tengevolge van het eiseres overkomen ongeval van de hand. Rechtbank kan verweerder in deze redenering niet volgen. Zij stelt vast dat het ongeval is gebeurd tijdens een door verweerder georganiseerde sportdag, waaraan deelname verplicht was. De deelnemers en de gevormde teams bestonden uit zowel burger- als militaire ambtenaren, mannen en vrouwen, deels ongetraind en behorend tot diverse leeftijdscategorieŽn. De opzet van de sportdag was het versterken van de onderlinge banden. Er werd gelijktijdig door verschillende teams zowel binnen in de zaal als buiten op het sportveld gespeeld en de dag stond onder leiding van een sportinstructeur. Zoals hiervoor is vermeld werd onder meer het spel wereldbal gespeeld met een zeer grote bal, waarmee kennelijk met dienstplichtig personeel reeds -negatieve- ervaring was opgedaan. Daar had men inmiddels besloten de bal te verzwaren met 150 liter water om te voorkomen dat de bal te gemakkelijk van de grond kwam en over mensen heen rolde. Tijdens de onderhavige sportdag voor niet dienstplichtig personeel, waar het deelnemersveld uiterst gemÍleerd was en -althans voor een deel- ongetraind, is deze maatregel niet getroffen en is ook verder niet gebleken van enige andere voorzorgsmaatregel, zoals bijvoorbeeld een duidelijke waarschuwing van de deelnemers voor de risicos verbonden aan het in en buiten de spelsituatie hanteren van de wereldbal. Anders dan de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft betoogd is er dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een door verweerder in redelijkheid niet te voorzien en/of te voorkomen ongeval tengevolge van een geintje van een of meer van zijn ondergeschikten. Integendeel, door het spel wereldbal onderdeel te laten uitmaken van deze sportdag heeft verweerder een gevaarlijke situatie laten ontstaan, waarin voor de deelnemers een zeer reŽle kans bestond op ongevallen, zowel tijdens de wedstrijden als daarbuiten. Verweerder heeft aldus niet voldaan aan zijn verplichting om de door eiseres in de uitoefening van haar werkzaamheden geleden schade te voorkomen en is derhalve als werkgever aansprakelijk voor deze schade. Beroep gegrond wegens ontberen deugdelijke motivering en vernietiging bestreden besluit. Rechtbank voorziet vervolgens zelf in de zaak door te bepalen dat verweerder aansprakelijk is voor - nog nader vast te stellen - schade tengevolge van het eiseres in ambtelijke dienstbetrekking overkomen ongeval. De Staatssecretaris van defensie, verweerder. mrs. J.J. Szauer-Bos, J..H.M. Hesseling, W.J.B. Cornelissen
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2003:AO1745
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2009:BH1996 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2003:AO1745