Raad van State, 23-01-2013 / 201204103/1/V6


ECLIECLI:NL:RVS:2013:BY9242
Datum23-01-2013
InhoudsindicatieOp dit geding is de Wav van toepassing zoals die luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (stb. 2009, 265) op 1 juli 2009. Volgens art. 9 van de beleidsregels 2011 kan de ingevolge art. 2, eerste lid, van de Wav opgelegde boete met 25%, 50% of 75% worden gematigd, afhankelijk van de aard en de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de evenredigheid. Volgens de toelichting bij deze bepaling kan er aanleiding zijn de boete te matigen als door de werkgever uitdrukkelijk kan worden aangetoond dat slechts arbeid is verricht van geringe omvang en duur, die eenmalig heeft plaatsgehad. Hierbij kan worden gedacht aan het eenmalig bereiden van eten, waarbij het boeterapport geen aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat meer aan de hand is dan arbeid van zeer beperkte aard. In dat geval is volgens de toelichting matiging van de boete met 50% passend. Matiging van 75% kan passend zijn indien de vreemdeling familie is die aantoonbaar rechtmatig in Nederland verblijft voor familiebezoek en (onbeloonde) werkzaamheden heeft verricht die meer in de privésfeer liggen. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de minister het matigingsbeleid dat is neergelegd in de beleidsregels 2011, zoals weergegeven onder 1, in dit geval bepalend acht. Hij betoogt terecht dat, gelet op dit beleid en de toelichting hierop, matiging van de boete tot 50% van het hier van toepassing zijnde boetenormbedrag passend is, nu de vreemdeling eenmalig, in één week, marginaal het maximaal aantal arbeidsuren heeft overschreden. De minister betoogt evenzeer terecht dat op grond van het beleid geen aanleiding bestaat voor matiging tot 75%, welke factor de rechtbank in feite heeft toegepast, nu de vreemdeling geen werkzaamheden heeft verricht die in de privésfeer liggen. In de omstandigheden dat de overschrijding is ontstaan doordat de vreemdeling aan het eind van de week tijdens een uitgelopen faculteitsvergadering arbeid heeft verricht en wederpartij na constatering van de overtreding maatregelen heeft genomen ter voorkoming van soortgelijke overtredingen in de toekomst, heeft de minister terecht geen aanleiding gezien tot verdere matiging van de boete. Wederpartij wist dan wel behoorde ervan op de hoogte te zijn dat de vreemdeling op grond van de verleende tewerkstellingsvergunning maximaal 10 uur per week arbeid mocht verrichten en zij diende ervoor zorg te dragen dat de werkzaamheden conform de tewerkstellingsvergunning werden uitgevoerd en dat het maximale aantal uren niet werd overschreden. Verder heeft wederpartij de bedoelde voorzorgsmaatregelen na het begaan van de overtreding getroffen en zien de maatregelen derhalve niet op het voorkomen van deze overtreding, zodat hierom geen sprake is van een omstandigheid die aan de mate van verwijtbaarheid ter zake van deze overtreding verder kan afdoen. Dat, zoals wederpartij in beroep heeft gesteld, van een lagere boete evenzeer een afschrikwekkende werking uitgaat, noopt evenmin tot verdere matiging dan met 50%. Gelet op het vorenstaande komt de Afdeling tot de conclusie dat de rechtbank het besluit van 24 november 2011 ten onrechte heeft vernietigd wegens strijd met art. 7:12, eerste lid, van de Awb. Gegrond hoger beroep.
TijdschriftartikelRaad van State, 13-01-2013, 201204103/1/V6
ABKort 2013/43
Wav art. 19d

(Minister van SZW/de stichting)
TijdschriftartikelRaad van State, 23-01-2013, 201204103/1/V6 (met noot)
T. de Lange-Bertalot
JB 2013/118
Wet arbeid vreemdelingen, bestuurlijke boete. Evenredigheidsbeginsel.
TijdschriftartikelRaad van State, 23-01-2013, 201204103/1/V6 (met noot)
T. de Lange
«JV» 2013/118
Wet arbeid vreemdelingen, bestuurlijke boete. Evenredigheidsbeginsel.
Gerelateerd ECLI:NL:RBNHO:2014:11002
Gerelateerd ECLI:NL:RBMNE:2015:1854
Gerelateerd ECLI:NL:RBAMS:2015:891
Gerelateerd ECLI:NL:RBNHO:2015:4659