Rechtbank Rotterdam, 09-04-2015 / ROT 14/2792


ECLIECLI:NL:RBROT:2015:2450
Datum09-04-2015
InhoudsindicatieDe rechtbank stelt aan de hand van het verhandelde ter zitting vast dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de functie van Projectleider NSS op zich een zogeheten zware vertrouwensfunctie betreft. Gelet hierop is eiser terecht aan een veiligheidsonderzoek onderworpen en ziet de rechtbank aanleiding het gebrek inhoudende dat de functie van eiser niet formeel was aangewezen als vertrouwensfunctie, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren nu eiser daardoor niet is benadeeld. Voorts heeft de AIVD slechts de bevoegdheid het aangevraagde veiligheidsonderzoek uit te voeren en verweerder heeft de bevoegdheid om aan de hand van de resultaten van het veiligheidsonderzoek een vgb te verstrekken, te weigeren of in te trekken. De omstandigheid dat voor eiser niet tijdig een vgb is aangevraagd is dan ook toe te rekenen aan het KLPD en betreft een zaak tussen eiser en het KLPD en staat in deze procedure niet ter discussie. Gelet op de zich in het dossier bevindende stukken - waaronder begrepen de stukken waarvan de rechtbank met toestemming van eiser kennis heeft genomen - is de rechtbank van oordeel dat verweerder van bovengenoemde gegevens heeft kunnen uitgaan. Hetgeen eiser hier tegenin heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat sprake is van niet-integer handelen en leugenachtig gedrag van eiser en dat dit zich niet verhoudt met de vervulling van een vertrouwensfunctie als in deze procedure aan de orde. Eisers betoog dat de achterliggende omstandigheden omtrent het door hem doorsturen van de e-mail ten onrechte niet in de beoordeling zijn meegenomen, vormt geen grond voor een ander oordeel reeds omdat het de geconstateerde gedragingen niet wegneemt en deze gedragingen op zich, daargelaten wat de reden ervoor was, eiser kwetsbaar maakten in de uitoefening van een zware vertrouwensfunctie. Voor zover eiser meent dat er sprake is van opgewekt vertrouwen volgt de rechtbank hem daarin niet. Er worden hoge eisen gesteld aan een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zo volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 8 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF7228, en de uitspraak van 26 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008: BG5360, dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel als maatstaf geldt dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Voor zover er in het onderhavige geval al sprake is van ondubbelzinnige toezeggingen, zijn deze niet gedaan door verweerder of de AIVD, maar door eisers werkgever. Reeds hierom faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel. Ten overvloede geldt dat het vertrouwensbeginsel niet zo ver strekt dat dit het belang van nationale veiligheid aan de kant zet. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder blijkens de inhoud van het bestreden besluit, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting, de door eiser gestelde bijzondere omstandigheden meegewogen, zodat geen sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel. De omstandigheden dat eiser de functie van projectleider NSS op verzoek van zijn werkgever heeft aangenomen en tot het moment van terugtreden naar tevredenheid heeft uitgevoerd, dat met hem bijzondere afspraken zijn gemaakt over zijn terugkeer bij de KLPD, dat hij nu naar tevredenheid een tijdelijke functie op detacheringsbasis vervult bij de KLM en dat hij heel veel negatieve media-aandacht heeft gehad, maken dit niet anders.
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2008:BG5360 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2008:BF7228 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2016:1312
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2016:1312