Rechtbank Rotterdam, 22-07-2015 / 10/960021-10


ECLIECLI:NL:RBROT:2015:5254
Datum22-07-2015
InhoudsindicatieOverschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 van het EVRM. Geen sprake van een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte door het openbaar ministerie. Vrijspraak van deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (art. 140a lid 1 Sr) alsmede van het voortzetten van de werkzaamheid van een verboden organisatie (art. 140 lid 2 Sr): relatie met terrorist maakt nog niet dat je dat zelf ook bent, evenmin geldt dit voor het enkele kijken op websites van terroristische organisaties. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, omdat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het overtreden van de Sanctiewet 1977. De verdachte heeft op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat de vier geldbedragen, die zij door middel van money transfers aan tussenpersonen in Turkije heeft overgemaakt, ten goede zouden komen aan de (verboden) terroristische organisatie(s) Islamic Jihad Union en/of Deutsche Taliban Mujahideen. De rechtbank volstaat met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden; geen compensatie in de strafmaat.
TijdschriftartikelRechtbank Rotterdam 22-07-2015
IR 2015/106
Strafrecht, internetrelatie, terroristisch oogmerk
Gerelateerd ECLI:NL:GHDHA:2015:1082 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHDHA:2015:83 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BC6913 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2016:1510