Centrale Raad van Beroep, 11-05-1983 / MAW 1981/K 9


ECLI:NL:CRVB:1983:AK2803

Inhoudsindicatie
Vrijheid van meningsuiting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
1983-05-11
Publicatiedatum
2015-08-12
Zaaknummer
MAW 1981/K 9
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AB 1987, 148
  • TAR 1986/206
Uitspraak

CENTRALE RAAD VAN BEROEP


MAW 1981/K 9


UITSPRAAK


in het geding tussen:


[klager], wonende te [woonplaats], klager,


en


de Minister van Defensie, verweerder.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Over klager, kapitein der Koninklijke luchtmacht, werd op 27 maart 1980 een beoordeling als bedoeld in het Besluit beoordeling officieren luchtmacht (BBOLu) uitgebracht in zijn functie van officier personeel toegevoegd aan het hoofd van het bureau algemene arbeidsvoorwaarden van de afdeling arbeidsvoorwaarden militair personeel van gedaagdes ministerie. Naar aanleiding van deze beoordeling werd hem een kennisgeving als bedoeld in genoemd Besluit uitgereikt.


Klager heeft hiertegen bezwaar gemaakt waarop gedaagde, nadat een commissie van advies hierover rapport had uitgebracht, op 4 juni 198l heeft beslist als volgt:

"dat aan reclamant door hetgeen hem ter kennis is gebracht uit zijn beoordeling van 27 maart 1980 niet ten volle recht is wedervaren;

"dat de brief van 5 september 1980, houdende een kennisgeving ingevolge artikel 13 van het Besluit beoordeling officieren luchtmacht, naar aanleiding van de beoordeling gedagtekend 27 maart 1980, wordt ingetrokken;

"dat aan reclamant voor het punt 39 (oordeel van de chef van de beoordelaar omtrent de geschiktheid voor een functie waaraan een hogere rang is verbonden), de hierbijgaande kennisgeving wordt uitgereikt.".


Klager heeft hiertegen bij de Raad beroep ingesteld. Verweerder heeft van contra-memorie gediend.


Het geding is behandeld ter terechtzitting van 21 april 1983, waar klager in persoon is verschenen en waar voor verweerder zijn opgetreden Mr. H.W. Bezemer, kapitein van de Koninklijke luchtmacht en werkzaam op verweerders ministerie, en O.A. Buirma, hoofd van de afdeling rechtstoestand Koninklijke luchtmacht van verweerders ministerie.



II. MOTIVERING


Alvorens over de zaak ten gronde te beslissen dient de Raad een oordeel over de ontvankelijkheid te geven. De Raad overweegt hiertoe het volgende.


De beoordelaar heeft punt 29 van de beoordelingslijst (houding en gedraging als officier) oningevuld gelaten en hiervoor in een bijlage bij de beoordelingslijst een verklaring gegeven luidende voorzover hier van belang als volgt:


"Beoordeelde heeft een zeer uitgesproken mening over het bezitten en de inzet van kernwapens door de krijgsmacht, die niet overeenstemt met het regeringsstandpunt terzake. Deze mening vloeit onder meer voort uit zijn geloofsovertuiging en uit zijn opvattingen over het humanitaire oorlogsrecht.

"Hij is lid van de IKV-werkgroep [woonplaats] en publiceert zijn opvattingen over deze problematiek regelmatig onder meer in dagbladen en periodieken.

"Niet beoordeeld kan worden in hoeverre deze activiteiten overeenstemmen met de aan hem, onder alle omstandigheden, als officier te stellen eisen, ook al geeft het antwoord van de minister van defensie d.d. 6 maart 1980 op vragen van de Tweede Kamerleden Waltmans en Knol nadrukkelijk ruimte voor een eigen visie van de militair terzake; om deze reden is een beoordeling van vraag 29 dan ook achterwege gelaten.

"Indien bovenstaande activiteiten geacht worden te kunnen vallen binnen de speelruimte die dit antwoord aan de beroepsmilitair toekent, kunnen zijn houding en gedragingen als officier zonder meer met "goed" worden gewaardeerd."


Naar aanleiding hiervan heeft de chef van de beoordelaar bij punt 39 van de beoordelingslijst het volgende opgemerkt:


"Ik acht de beoordeelde officier uit een oogpunt van bekwaamheid geschikt voor alle functies die in de naasthogere rang door een officier-personeel kunnen worden vervuld. Wellicht verdient het echter - gelet op het gestelde in bijlage 2 van deze beoordeling - aanbeveling bij de bestemming van betrokkene voor toekomstige functies rekening te houden met zijn opvattingen ten aanzien van de kernbewapeningsproblematiek".


De daarop gevolgde kennisgeving luidde als volgt:


“Alhoewel de beoordelingslijst een niet onbevredigend beeld te zien geeft, heb ik nochtans geconstateerd, dat de beoordelaar in een bij de lijst gevoegde bijlage als aanvullende opmerkingen (punt 31) te uwen aanzien heeft aangetekend, dat u een zeer uitgesproken mening hebt over het bezitten en de inzet van kernwapens door de krijgsmacht, die niet overeenstemt met het regeringsstandpunt terzake. En voorts dat uw mening onder meer voortvloeit uit uw geloofsovertuiging en uit uw opvattingen over het humanitaire oorlogsrecht en tenslotte dat u regelmatig ondermeer in dagbladen en periodieken uw opvattingen publiceert over deze problematiek. De chef van de beoordelaar heeft in verband daarmede in punt 39 als oordeel omtrent uw geschiktheid voor een functie waaraan een hogere rang is verbonden vermeld: "Wellicht verdient het echter aanbeveling bij de bestemming van betrokkene voor toekomstige functies rekening te houden met zijn opvattingen ten aanzien van de kernbewapeningsproblematiek".


De na bezwaar uitgereikte en thans in geding zijnde kennisgeving luidt:


"Alhoewel de beoordelingslijst een niet onbevredigend beeld te zien geeft omtrent uw geschiktheid voor de onderhavige functie, heb ik nochtans geconstateerd, dat de chef van de beoordelaar in punt 39 als oordeel omtrent uw geschiktheid voor een functie waaraan een hogere rang is verbonden vermeldt: "Wellicht verdient het echter - gelet op het gestelde in bijlage 2 van deze beoordeling - aanbeveling bij de bestemming van betrokkene voor toekomstige functies rekening te houden met zijn opvattingen ten aanzien van de kernbewapeningsproblematiek. Ter verklaring van de geciteerde tekst van de chef van de beoordelaar deel ik u mede dat de beoordelaar in de bij de beoordelingslijst gevoegde bijlage 2 als aanvullende opmerkingen (punt 31) te uwen aanzien onder meer heeft aangetekend:


"Beoordeelde heeft een zeer uitgesproken mening over het bezitten en de inzet van kernwapens door de krijgsmacht, die niet overeenstemt met het regeringsstandpunt terzake en publiceert zijn opvattingen over deze problematiek regelmatig onder meer in dagbladen en periodieken".


De beoordelaar heeft bij herhaling verzekerd, dat zijn verklaring, als boven weergegeven, louter descriptief van aard is en geen enkel waardeoordeel inhoudt. In verband hiermede heeft klager betoogd, dat het gestelde in de genoemde bijlage niet in de termen van artikel 13 BBOLu valt, dat de kennisgeving daarop niet gebaseerd kan zijn en dat daarom geen sprake kan zijn van een administratieve procedure in de zin van artikel 14 BBOLu noch van een besluit als bedoeld in artikel 3 lid 2 onder b van de Ambtenarenwet 1929. Daarom heeft klager tevens beroep bij het Ambtenarengerecht te 's-Gravenhage ingesteld tegen de door hem als zelfstandig ambtsbericht opgevatte kennisgeving van 4 juni 1981 en bepleit hij in dit geding primair niet-ontvankelijkverklaring.


De Raad heeft deze benadering niet tot de zijne kunnen maken. Het in dit geding bestreden besluit is bedoeld als een kennisgeving in de zin van artikel 13 BBOLu en is ook als zodanig herkenbaar naar vorm, inhoud en gevolgde procedure. Weliswaar is denkbaar, dat aan deze kennisgeving gebreken kleven, doch zelfs indien de kennisgeving daarom niet zou kunnen worden gehandhaafd ontnemen dergelijke gebreken aan het hierbedoelde stuk niet de hoedanigheid van kennisgeving in de zin van artikel 13 BBOLu. De eerdergenoemde commissie van advies en verweerder hebben bij de behandeling van klagers bezwaren dan ook terecht de in artikel 14 en volgende BBOLu aangeduide weg gevolgd en in dit geding is dan ook sprake van een besluit als bedoeld in artikel 3 lid 2 onder b van de Ambtenarenwet 1929.


Ook overigens is de Raad niet gebleken van omstandigheden welke tot niet-ontvankelijkverklaring zouden moeten leiden.


Met betrekking tot de zaak ten gronde overweegt de Raad het volgende.


Klager acht het gebruik van kernwapens volstrekt ontoelaatbaar op godsdienstige en morele gronden alsmede op grond van overwegingen van juridische dan wel volkenrechtelijke aard, waarbij klager zich beroept op bepaalde grondrechten en op het humanitaire oorlogsrecht. Daarbij heeft klager ter terechtzitting van de Raad herhaald bij het uitbreken van een nucleair conflict zijn taak als officier niet meer te zullen uitoefenen of, zoals klager het uitdrukte, zijn pet aan de wilgen te zullen hangen. Daarbij heeft klager onder meer gesteld, dat door de overheid aan de militair gegeven opdrachten tot enigerlei deelname aan nucleaire acties zijns inziens volkenrechtelijk als genocide moeten worden aangemerkt en derhalve geen rechtskracht kunnen hebben.


De Raad overweegt vooreerst, dat het buiten zijn competentie ligt een (moreel) oordeel uit te spreken over het gebruik van kernwapens. Ook het beantwoorden van de vraag of een opdracht tot deelname aan een nucleair conflict of tot het voorbereiden van een defensie met kernwapens op juridische c.q. volkenrechtelijke gronden rechtskracht ontbeert ligt buiten dit geding. De Raad beperkt zich tot de overweging dat - gegeven het feit dat binnen het kader van het hier te lande geldende rechtsbestel de krijgsmacht een kernwapentaak kan hebben -aan verweerder niet het recht kan worden ontzegd, het daarheen te leiden dat die taak ook kan worden uitgevoerd. De constatering, dat die uitvoering op enigerlei wijze wordt aangetast, kan in de termen van artikel 13 BBOLu vallen.


Klagers opstelling met betrekking tot de grens, welke voor hem bij zijn taakvervulling geldt of zal gelden, hebben de chef van de beoordelaar geleid tot een aantekening welke klagers inzetbaarheid c.q. geschiktheid voor (toekomstige) militaire functies betreft. Naar 's Raads oordeel kan aan de chef van de beoordelaar respectievelijk aan verweerder niet de bevoegdheid worden ontzegd een aantekening omtrent inzetbaarheid of geschiktheid op de beoordelingslijst te plaatsen respectievelijk in een kennisgeving op te nemen. De gronden, waarop deze aantekening en derhalve de kennisgeving zijn gebaseerd plaatsen de Raad evenwel voor de noodzaak de vraag onder ogen te zien of verweerder een juiste afbakening in acht genomen heeft tussen enerzijds het aanmerken van bepaalde omstandigheden als niet overeen te komen met hetgeen van de officier in het belang van de dienst en/of zijn persoonlijk belang moet worden verwacht als bedoeld in artikel 13 BBOLu en anderzijds het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting zoals dit in Grondwet en verdragen is neergelegd.


Te dien aanzien overweegt de Raad, dat uiteraard bij het beantwoorden van de vraag of bepaalde omstandigheden in de termen van artikel 13 BBOLu vallen het oordeel omtrent de inzetbaarheid of geschiktheid van de betrokken officier een belangrijke rol kan spelen. Daarbij kan een verminderde inzetbaarheid of geschiktheid in een geval als het onderhavige worden afgeleid uit de opstelling van de beoordeelde, onder meer inhoudende in bepaalde gevallen tot dienstweigering te zullen overgaan. De in Grondwet en verdragen geregelde vrijheid van meningsuiting laat naar 's Raads oordeel evenwel niet toe de conclusie van verminderde inzetbaarheid of geschiktheid en een daaruit voortvloeiende toepassing van artikel 13 BBOLu zonder meer te verbinden aan "opvattingen ten aanzien van de kernbewapeningsproblematiek" of af te leiden uit het innemen of publiceren van een standpunt dat niet met het regeringsstandpunt in overeenstemming is.


Laatstbedoelde situatie deed zich in te sterke mate bij de eerste kennisgeving voor. Weliswaar heeft verweerder in de kennisgeving na bezwaar een omzichtiger formulering gekozen doch verweerder heeft daarmede naar 's Raads oordeel onvoldoende de indruk kunnen wegnemen dat de strijd met artikel 7 Grondwet, die bij de eerste kennisgeving aanwezig was, in wezen niet is opgeheven. Deze strijd met artikel 7 Grondwet zou zich naar 's Raads oordeel niet hebben voorgedaan, wanneer de tweede zin van de aantekening bij punt 39 van de beoordelingslijst een - aan de feitelijke oordeelsvorming beantwoordende - tekst zou hebben gehad in de trant van "Wellicht verdient het echter - aangezien is gebleken dat de beoordeelde niet bereid is alle opdrachten terzake van het gebruik van kernwapens onvoorwaardelijk uit te voeren - aanbeveling met de daaruit voortvloeiende verminderde inzetbaarheid c.q. geschiktheid rekening te houden bij de bestemming van betrokkene" en wanneer vervolgens de kennisgeving tot een weergave van die aantekening zou zijn beperkt. Ook overigens zou dat 's Raads toetsing hebben kunnen doorstaan; klagers voorgenomen en aangekondigd handelen of nalaten biedt een toereikende grondslag voor een dergelijke aantekening en voor toepassing van artikel 13 BBOLu. In het onderhavige geval evenwel heeft de Raad tot de slotsom moeten komen, dat in de kennisgeving van 4 juni 1981 en in het gestelde bij punt 39 van de beoordelingslijst het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting en de daaraan verbonden gelimiteerde beperkingsmogelijkheden van dat grondrecht onvoldoende in acht zijn genomen en dat derhalve deze kennisgeving en die aantekening niet kunnen worden gehandhaafd.


Mitsdien moet worden beslist als volgt:


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende in naam der Koningin!


Verklaart nietig de kennisgeving van 4 juni 1981 en het gestelde bij punt 39 van de beoordelingslijst;

Bepaalt dat verweerder een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.-


Aldus gegeven door Mr. W.H. Schipper als voorzitter en Mr. J. Boesjes en Mr. E. Brederveld als leden, in tegenwoordigheid van Mr. J.P.A. Stolk als griffier.


Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 1983 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier.