Centrale Raad van Beroep, 09-07-1998 / 97/5818 AW


ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7707

Inhoudsindicatie
Plaatsing in eigen functie (functievolger). Besluit weigering toekenning functie ontbeert toereikende motivering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
1998-07-09
Publicatiedatum
2013-04-18
Zaaknummer
97/5818 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AB 1998, 400 met annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens
  • TAR 1998/149
Uitspraak

97/5818 AW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen

op Zoom, appellant,


en


A., wonende te B., gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden

hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank

te Breda op 9 juni 1997 onder de nrs. 97/1513 AW AN VV, 97/1781

AW AN VV en 97/1783 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt

verwezen.


Met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

heeft de President van de Raad bij uitspraak van 8 augustus 1997,

nrs. 97/6118 AW-VV en 97/6730 AW-VV, naar aanleiding van het

daartoe strekkend verzoek van appellant de werking van de

aangevallen uitspraak geregistreerd onder nummer 97/1783 AW

geschorst en het verzoek van gedaagde appellant op te dragen hem

met onmiddellijke ingang te werk te stellen in de functie van

budgetbegeleider II afgewezen, zulks met een bepaling over

griffierecht.


Van de zijde van appellant zijn nog enige stukken aan de Raad

gezonden.


Het geding is behandeld ter zitting van 28 mei 1998, waar

appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door drs W. de

Schipper en M. Stroop, beiden werkzaam bij de gemeente Bergen op

Zoom, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr R.G.A.M. Theunissen, advocaat te Eindhoven.



II. MOTIVERING


Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak

van de President van de Raad van 8 augustus 1997 voor een

uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde

feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende:


Gedaagde was bij de gemeente Bergen op Zoom werkzaam als

budgetbegeleider bij de financiële unit Welzijn c.a. van de

afdeling Financiën en Belastingen.


In het kader van de plaatsing van het personeel van de gemeenten

Bergen op Zoom en Halsteren bij de door de gemeentelijke

herindeling per 1 januari 1997 gevormde nieuwe gemeente Bergen op

Zoom is gedaagde bij besluit van 27 maart 1997 aangewezen als

medewerker bureau comptabiliteit en bedrijfsadministratie bij het

bureau Financiële administratie van de afdeling Financiën en

Belastingen. Gedaagdes bezwaar tegen de in dat plaatsingsbesluit

vervatte weigering hem overeenkomstig zijn eerste voorkeur te

plaatsen in de nieuwe functie van budgetbegeleider II bij de

financiële unit Welzijn van de afdeling Financiën en Belastingen

is door appellant bij besluit van 4 juni 1997, in afwijking van

het advies van de bezwarencommissie in ambtenarenzaken, ongegrond

verklaard.


Appellant is opgekomen tegen de uitspraak van de

Arrondissementsrechtbank van 9 juni 1997 voor zover daarbij zijn

besluit van 4 juni 1997 - onder gegrondverklaring van het

daartegen ingestelde beroep - is vernietigd en hem is opgedragen

een nieuw besluit te nemen. Hij heeft gevorderd die uitspraak te

vernietigen dan wel in geval van bevestiging de rechtsgevolgen

van het vernietigde besluit van 4 juni 1997 in stand te laten.


De Raad overweegt het volgende:


In het kader van de gemeentelijke herindeling per 1 januari 1997

is plaatsing van ambtenaren in de nieuwe gemeente Bergen op Zoom

geschied aan de hand van de door hen kenbaar gemaakte voorkeur

voor functies en het begrip "functievolger". Van een

functievolger is sprake wanneer uitgaande van de betrokken

functiebeschrijvingen kan worden gezegd dat de functie waarop is

gereflecteerd, grotendeels (meer dan 50%) overeenkomt met de

voorheen vervulde functie. Een functievolger wordt zonder meer

geplaatst in de functie waarop hij heeft gereflecteerd als hij de

enige functievolger blijkt te zijn. Zijn er voor één functie meer

functievolgers onder de reflectanten dan wordt op basis van

objectieve criteria gekeken voor wie de functie het meest passend

is.


Appellants weigering gedaagde overeenkomstig diens eerste

voorkeur te plaatsen in de functie van budgetbegeleider II berust

op de overweging dat voor de functie van budgetbegeleider II drie

reflectanten als functievolger zijn aangemerkt en dat de functie

voor de heer C., voordien medewerker bureau Planning en

Control bij het bureau Planning en Control van de afdeling

Financiën en Belastingen, het meest passend is.


De rechtbank heeft appellants besluit van 4 juni 1997 vanwege het

ontbreken van een deugdelijke motivering niet in stand gelaten.

Met gedaagde is zij van opvatting dat appellant ten onrechte

ervan is uitgegaan dat C. voor de functie van

budgetbegeleider II als functievolger kon worden aangemerkt.


In hoger beroep heeft appellant herhaald C. terecht als

functievolger te hebben aangemerkt. Daarbij is opgemerkt dat de

nieuwe functie van budgetbegeleider II in verband met de, met een

beoogde decentralisatie samenhangende, verzwaring van de

controlfunctie ten opzichte van de vroegere door gedaagde

vervulde functie is gewijzigd en dat die functie om die reden van

MBO-niveau naar HBO-niveau is gebracht. C. dient volgens

appellant als functievolger te worden aangemerkt niet alleen

gelet op de tot zijn vroegere functie van medewerker bureau

Planning en Control behorende taak als budgetbegeleider van de

financiële unit Archief, maar ook en met name gelet op het

complementaire karakter van zijn werkzaamheden ten opzichte van

de werkzaamheden van de vroegere budgetbegeleider.


Gezien de hier als uitgangspunt te nemen functiebeschrijvingen

heeft appellant ook de Raad niet kunnen overtuigen van de

juistheid van zijn standpunt dat C. ten aanzien van de

functie budgetbegeleider II als functievolger is te beschouwen.

Evenmin als de rechtbank acht de Raad aangetoond of aannemelijk

gemaakt dat meer dan 50% van de werkzaamheden die tot C.'s

vroegere functie van medewerker bureau Control en Planning

behoorde terugkeert in de functie budgetbegeleider II. Naast het

tot de functie medewerker bureau Planning en Control behorende,

5% van de werktijd van die functie in beslag nemende,

taakonderdeel budgetbegeleider van de financiële unit Archief kan

weliswaar worden gewezen op tot het taakonderdeel begroting, dat

70% van de werktijd van die functie in beslag neemt, behorende

werkzaamheden die een zekere overlap laten zien met werkzaamheden

van de vroegere budgetbegeleider (wiens functie voor het

overgrote gedeelte terugkomt in de functie budgetbegeleider II),

maar de Raad is niet gebleken van een zodanige omvang van

laatstbedoelde werkzaamheden dat op grond daarvan de conclusie

gewettigd is dat meer dan de helft van de werkzaamheden van de

medewerker bureau Planning en Control is terug te vinden in de

functie budgetbegeleider II.


De Raad komt dan ook evenals de rechtbank tot de conclusie dat

C. ten onrechte als functievolger is aangemerkt en dat om die

reden de gehandhaafde weigering om gedaagde de functie

budgetbegeleider II toe te kennen een toereikende motivering

ontbeert.


Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover

aangevochten, reeds op die grond voor bevestiging in aanmerking

komt.


De Raad ziet onvoldoende grond om te voldoen aan het verzoek van

appellant de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand

te laten. Hij heeft daarbij met name laten wegen dat de

vaststelling dat aan dat besluit een tot vernietiging leidend

motiveringsgebrek kleeft niet alleen - anders dan appellant

kennelijk meent - niet zonder meer met zich brengt dat C.

zijn functie zou moeten worden ontnomen, maar ook dat zulks niet

impliceert dat de aangevochten weigering niet alsnog van een wel

toereikende motivering zou kunnen worden voorzien. Het ligt

immers nu op de weg van appellant om, met inachtneming van de

vaststelling dat C. ten onrechte als functievolger is

gekwalificeerd, op basis van alle overige hier relevante gegevens

opnieuw te bezien of gedaagde voor die door hem gewenste

plaatsing in aanmerking had dienen te worden gebracht. Anders dan

de rechtbank heeft aangegeven en van de zijde van gedaagde is

gesteld, ziet de Raad in de omstandigheid dat degene die naast

gedaagde en C. voor de functie budgetbegeleider II als

functievolger is aangemerkt geen beroep heeft ingesteld tegen de

in het besluit hem in een andere functie aan te wijzen vervatte

weigering hem in de functie van budgetbegeleider II te plaatsen,

voor appellant geen beletsel gelegen om ook de gegevens over die

reflectant te betrekken in de beoordeling van de vraag of de

functie budgetbegeleider II ten tijde hier van belang voor

gedaagde al dan niet het meest passend was te achten. Voor een

goed begrip tekent de Raad verder nog aan dat appellant bij

evenbedoelde besluitvorming niet is gebonden aan de ten

overvloede gegeven overwegingen van de rechtbank over de vraag of

gedaagde al dan niet voldoet aan het voor de functie van

budgetbegeleider II vereiste kennisniveau. De Raad laat daarbij

overigens in het midden wat er zij van de relevantie en de

juistheid van die overwegingen.


Mede in aanmerking genomen dat nog niet vast staat dat de

weigering gedaagde in de door hem gewenste functie te plaatsen

niet - alsnog - in stand zal kunnen blijven, ziet de Raad geen

aanleiding te voldoen aan het verzoek van gedaagde om toepassing

te geven aan artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht.


Gezien het hiervoor overwogene acht de Raad termen aanwezig om

appellant te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f

710,-- aan kosten wegens aan gedaagde in hoger beroep verleende

rechtsbijstand.


Een en ander overziende, komt de Raad tot de slotsom dat moet

worden beslist als volgt:



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met

uitzondering van de bepaling over het door gedaagde nieuw te

nemen besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met

inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een

bedrag groot f 710,--, te betalen door de gemeente Bergen op

Zoom;

Bepaalt dat van de gemeente Bergen op Zoom een recht van f 630,-

wordt geheven.


Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr

W.D.M. van Diepenbeek en mr T.L. de Vries als leden, in

tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en uitgesproken

in het openbaar op 9 juli 1998.



(get.) W. van den Brink.



(get.) P.H. Schippers.


HD

16.06

Q