Centrale Raad van Beroep, 25-02-1999 / 97/3780 AW


ECLI:NL:CRVB:1999:AA3893

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
1999-02-25
Publicatiedatum
2001-08-02
Zaaknummer
97/3780 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 1999/68
Uitspraak

97/3780 AW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


A, wonende te B, appellant,


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 18 maart 1997, nr. AW 94/889, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde heeft mr L.H.H. van Eijck, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie te Den Haag, een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.


Desgevraagd zijn van de zijde van gedaagde nadere stukken ingezonden.


Het geding is behandeld ter zitting van 14 januari 1999, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr Van Eijck voornoemd.



II. MOTIVERING


Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten.


Appellant was als ambtenaar in dienst van de gemeente Den Helder en werkzaam bij het C. Met ingang van 1 januari 1990 is het C, als uitvloeisel van de toetreding van de gemeente Den Helder tot de D, overgegaan naar het E.


In verband hiermee heeft gedaagde aan appellant bij besluit van 28 september 1989, met toepassing van artikel H7 van het Algemeen Ambtenarenreglement van de gemeente Den Helder (AAR), per 1 januari 1990 eervol ontslag verleend uit zijn betrekking bij het C, zulks onder het voorbehoud dat genoemde overgang ook daadwerkelijk per 1 januari 1990 geëffectueerd zou worden.


Appellant is per 1 januari 1990 gaan werken bij het E. Met ingang van 1 januari 1992 is de D opgeheven en het E geprivatiseerd. De kantonrechter te Alkmaar heeft appellants arbeidsovereenkomst met het E met ingang van 1 november 1993 ontbonden.


Bij het thans bestreden besluit van 28 maart 1994 heeft gedaagde gehandhaafd zijn besluit van 11 januari 1994. Daarbij is appellants verzoek om met ingang van 1 januari 1990 in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering krachtens de Wachtgeldverordening van de gemeente Den Helder afgewezen op de grond dat appellant als gevolg van de uitdiensttreding bij het toenmalige C niet aangemerkt kan worden als belanghebbende (lees: wachtgelder) in de zin van de Wachtgeldverordening.


In geding is de vraag of het besluit van 28 maart 1994 in rechte stand kan houden. Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend en overweegt daartoe als volgt.


De Raad stelt voorop dat appellant na zijn ontslag, ondanks de tekst van de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 21 februari 1996, nr. 94/3520 e.v., waarbij het besluit van het dagelijks bestuur van het E tot benoeming van appellant in vaste dienst als medewerker algemene dienst is vernietigd, met ingang van 1 januari 1990 is overgegaan naar het E. Zoals hierboven vermeld, is appellant per die datum feitelijk voor het E gaan werken.


Ingevolge artikel 1 van de ten tijde van appellants ontslag bij het C van toepassing zijnde Wachtgeldverordening van de gemeente Den Helder wordt onder 'wachtgelder' (onder meer) verstaan de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel H7 van het AAR ontslag is verleend uit een betrekking waarin hij was aangesteld en die aan dat ontslag geen recht op pensioen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet kan ontlenen.


In artikel H7, vijfde lid, van het AAR is bepaald, voor zover hier van belang, dat de ambtenaren aan wie ontslag is verleend op grond van dit artikel met ingang van de datum van ontslag aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Wachtgeldverordening.


De Raad stelt vast dat appellant als gevolg van zijn ontslag op grond van artikel H7 van het AAR per 1 januari 1990 voldeed aan deze omschrijving en derhalve als wachtgelder in de zin van de Wachtgeldverordening moet worden aangemerkt. Hij heeft derhalve met ingang van de datum van ontslag aanspraak op een uitkering krachtens die verordening. Daaraan doet niet af dat appellant met ingang van die datum is overgegaan naar een ander overheidslichaam en aldus niet daadwerkelijk werkloos is geworden.


Evenmin doet daaraan af, naar van de zijde van gedaagde is aangevoerd, dat een eerder besluit met betrekking tot appellants aanspraken op wachtgeld per 1 januari 1990 is uitgebleven, aangezien uit de Wachtgeldverordening niet blijkt dat appellant destijds wachtgeld had moeten aanvragen danwel dat gedaagde toentertijd ambtshalve omtrent appellants aanspraken op wachtgeld had moeten beslissen.


De Raad heeft in de toepasselijke regelingen geen bepaling aangetroffen op grond waarvan gezegd kan worden dat appellant geen belanghebbende meer is in de zin van de Wachtgeldverordening en dat zijn aanspraken ingevolge die regeling verloren zijn gegaan.


Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, dienen te worden vernietigd. Met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen, zal gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.


De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep, welke in beroep worden begroot op f 1.775,- voor verleende rechtsbijstand en f 86,- aan reiskosten en in hoger beroep op f 67,- aan reiskosten.


Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet beslist de Raad als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van appellant tegen het besluit van gedaagde van 28 maart 1994 alsnog gegrond;

Vernietigt alsnog het besluit van 28 maart 1994;

Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van f 1.861,- en in hoger beroep tot een bedrag van f 67,-, te betalen door de gemeente Den Helder aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Den Helder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal

f 210,- vergoedt.


Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 1999.







(get.) H.A.A.G. Vermeulen.






(get.) A.W.M. van Bommel.





HD

22.02

Q