Centrale Raad van Beroep, 06-05-1999 / 97/5694 AW


ECLI:NL:CRVB:1999:AA3987

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
1999-05-06
Publicatiedatum
2002-08-13
Zaaknummer
97/5694 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

97/5694 AW



U I T S P R A A K


in het geding tussen:


A, wonende te B, appellant,


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de op 22 mei 1997 door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder nr. AW 96/7087/31 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 25 maart 1999, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr J.S. Pen, advocaat te Amsterdam.

Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door W. Park, juridisch adviseur te Nibbixwoud, als gemachtigde en drs J.H. Gerson, directeur van het Gemeentelijk Grondbedrijf, als medegemachtigde.


Als door appellant opgeroepen getuige is ter zitting verschenen en gehoord J.A. van Stek, rechercheur bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.



II. MOTIVERING


Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met vermelding van het volgende.


Appellant, die sedert 1965 in dienst was van de gemeente Amsterdam, was ten tijde hier van belang werkzaam als technisch hoofdambtenaar B bij het Gemeentelijk Grondbedrijf, in de functie van "verwerver", met als werkgebied onder meer - jarenlang - de C en omgeving.


Het betrof hier werkzaamheden met een makelaarskarakter, waarbij appellant zich onder meer bezig hield met taxaties en met de voorbereiding van besluiten tot onteigening, bedrijfsschaderegelingen en subsidieverlening. Tevens vertegenwoordigde hij de gemeente Amsterdam in de NV Economisch Herstel C.


Gedaagde gaat ervan uit dat een ambtenaar, zeker als hij werkzaam is in een fraude- en corruptiegevoelige functie als die van appellant, de uit hoofde van zijn ambtelijke functie vereiste zakelijke en onafhankelijke opstelling moet weten te bewaren en dat hij zich moet hoeden voor (de schijn van) een vermenging van zakelijke en privé-belangen.


Ter voorkoming van mogelijke "kwetsbare situaties" is voor de ambtenaren van het Gemeentelijk Grondbedrijf een gedragscode opgesteld waarin duidelijke regels voor het contact met derden zijn gegeven. Deze richtlijnen die betrekking hebben op het aannemen van relatiegeschenken, het verrichten van nevenwerkzaamheden en de omgang met klanten, zijn bij herhaling en met nadruk onder de aandacht van de medewerkers van het grondbedrijf gebracht. Uitgangspunten van die richtlijnen zijn onder meer het buiten de directe taakvervulling vermijden van relaties met op de C gevestigde ondernemers en volstrekte openheid en een plicht tot informeren van de naasthogere chef.


Aan appellant is bij besluit van 29 maart 1996 door gedaagde ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn betrekking, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken, met toepassing van artikel 1122, aanhef en onder c, juncto artikel 1132, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder c, van het Ambtenarenreglement Amsterdam.


Kort samengevat werd aan appellant verweten dat hij zich bij verschillende gelegenheden niet aan de letter en de geest van de voor hem geldende gedragsregels had gehouden, waaruit is gebleken dat hij de vereiste mentaliteit miste om zijn betrekking zonder ambtelijke risico's te kunnen vervullen, waardoor hij ongeschikt is (geworden) voor zijn functie van verwerver, anders dan wegens ziekten of gebreken.


Voorts is bij besluit van 29 maart 1996 bepaald dat appellant terzake van dat ontslag geen aanspraak heeft op wachtgeld krachtens de Wachtgeldverordening, maar wel op uitkering krachtens de Uitkeringsverordening, zulks gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wachtgeldverordening en in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Uitkeringsverordening.


Na bezwaar is het besluit van 29 maart 1996, inhoudende het verlenen van ongeschiktheidsontslag, het weigeren van wachtgeld en het toekennen van uitkering, gehandhaafd bij besluit van 19 juli 1996.


De Rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dat laatste besluit ongegrond verklaard.


Naar aanleiding van het hoger beroep van appellant overweegt de Raad als volgt.


Vooropgesteld wordt dat appellant bij aanvullend beroepschrift in hoger beroep uitsluitend de vernietiging van het ontslagbesluit heeft gevorderd en slechts op die vordering betrekking hebbende grieven tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd.


Een en ander moet ertoe leiden dat in dit geding de weigering van wachtgeld niet ter beoordeling staat. Daaraan doet niet af dat van de kant van appellant ter zitting alsnog te kennen is gegeven dat hij zijn standpunt inzake het niet toekennen van wachtgeld handhaaft.


In geding is derhalve uitsluitend de vraag of het besluit om appellant te ontslaan wegens ongeschiktheid in rechte stand kan houden.


Met betrekking tot het ontslagbesluit handhaaft appellant in hoger beroep zijn door de rechtbank niet gehonoreerde betoog dat het ontslagbesluit niet op de juiste wijze aan hem bekend gemaakt is (namelijk uitsluitend door toezending aan zijn gemachtigde; het hem toegezonden exemplaar heeft hem naar zijn stelling niet bereikt) en deswege rechtskracht mist.


Evenals de rechtbank kan ook de Raad appellant in dat betoog niet volgen. In het onderhavige geval waarin appellant zich van meet af aan door zijn gemachtigde heeft laten vertegenwoordigen omdat hij zichzelf buiten staat achtte om gesprekken met gedaagde te voeren, en hij ook het horen in het kader van de voornemenprocedure aan zijn raadsman heeft overgelaten, ligt het naar 's Raads oordeel volstrekt voor de hand dat het desbetreffende besluit (aangetekend) is verzonden aan de gemachtigde van appellant. Het heeft deze gemachtigde in elk geval bereikt.


De rechtbank heeft als vaststaand aangenomen dat appellant in strijd met de terzake geldende richtlijnen in 1994 het plan heeft opgevat een horecagelegenheid op de C te beginnen, en in 1994 het hem door een ondernemer in het C- gebied gedane aanbod van een commissariaat en in 1995 zijn deelname als vennoot in een commerciële onderneming op de C voor zijn meerderen heeft verzwegen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat aan appellant naar aanleiding van het horecaplan door zijn directeur onmiskenbaar te verstaan gegeven was dat dit volstrekt onverenigbaar was met zijn ambtsverrichting, dat appellant voor het verzwijgen van het aanbod van een commissariaat disciplinair is berispt, en dat naar aanleiding van zijn deelname als vennoot in een commercieel bedrijf op de C de onderhavige ontslagprocedure in gang is gezet.


In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt dat hij niet ongeschikt is te achten voor de vervulling van zijn functie gehandhaafd en daartoe enige kanttekeningen ter rechtvaardiging van zijn gedrag geplaatst bij de door hem als "kroeg op de C", "verzwijgen commissariaat" en "trading company B.V, X" aangeduide incidenten. Naar appellants inzicht zouden de hem gemaakte verwijten overigens meer liggen in de sfeer van plichtsverzuim.


De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat gedaagde zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant ongeschikt was voor de door hem vervulde functie.


Uit het gegeven dat appellant een plan om een horecagelegenheid te beginnen op de C in overweging heeft genomen, spreekt naar 's Raads oordeel een onjuiste opvatting over de eisen welke een gevoelige functie als die van verwerver bij het grondbedrijf stelt aan de ambtenaar die deze functie vervult. Nadat appellant disciplinair was berispt voor het verzwijgen van een aanbod van een commissariaat, heeft hij als gewaarschuwd man, niettemin kennelijk gemeend dat het hem vrijstond om deel te nemen aan een commercieel bedrijf (X) op de C en heeft hij zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel als vennoot in die firma niet (onmiddellijk) gemeld aan zijn naasthogere chef of directeur.


Het geheel overziende is de Raad met gedaagde van oordeel dat bij appellant sprake is van een onaanvaardbaar gebrek aan distantie, waardoor hij ongeschikt is geworden voor de verdere vervulling van zijn functie, anders dan wegens ziekten of gebreken. Ook uit de door appellant ter rechtvaardiging van zijn gedrag aangevoerde en steeds wisselende argumenten blijkt dat appellant inderdaad de vereiste instelling mist om zijn betrekking met voldoende onafhankelijkheid te kunnen vervullen.


Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


Omdat de Raad voorts geen aanleiding ziet om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.


Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr H. Bekker en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 1999.






(get.) H.A.A.G. Vermeulen.






(get.) D. Boers.




HD 20.04 Q