Centrale Raad van Beroep, 13-09-2001 / 99/4238 AW


ECLI:NL:CRVB:2001:AD5013

Inhoudsindicatie
Arbeidsongeschiktheid; ontslag wegens ziekte; onderzoeksplicht; passende arbeid; gangbare arbeid. Ambtenarenreglement 's-Gravenhage.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-09-13
Publicatiedatum
2005-01-31
Zaaknummer
99/4238 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2001/157
Uitspraak

99/4238 AW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, appellant,


en


[A.], wonende te [B.], gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 8 juli 1999, nr. AWB 98/9958 AW, waarnaar hier wordt verwezen.


Namens gedaagde is een verweerschrift, met bijlage, ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 9 augustus 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Ekelmans jr., advocaat te Den Haag, en waar voor gedaagde is verschenen mr. P. Bellod, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.



II. MOTIVERING


1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, gegevens.


1.1. Gedaagde was sedert 1 juli 1994 in vaste dienst bij de gemeente Den Haag. Zij was werkzaam als fysiotherapeut in het Ziekenhuis [X.]. Op 17 augustus 1995 is zij voor dat werk uitgevallen ten gevolge van een elleboogblessure.


1.2. Bij besluit van 18 september 1997 heeft het plaatsvervangend hoofd Personeelszaken namens appellant aan gedaagde met ingang van 1 december 1997 eervol ontslag verleend uit haar functie van fysiotherapeut in vaste dienst bij de gemeente omdat zij wegens ziekte ongeschikt is voor de vervulling van haar betrekking. Gedaagde heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Overeenkomstig het advies van de Algemene bezwarencommissie personeelsbesluiten heeft appellant bij het bestreden besluit van 24 november 1998 de bezwaren van gedaagde ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak gedaagdes beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zij heeft appellant opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen en voorts heeft zij beslissingen gegeven omtrent de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat appellant serieuze pogingen heeft ondernomen om te onderzoeken of gedaagde in eigen functie in aangepaste vorm kon hervatten en vooral of herplaatsing van eiseres in een andere functie tot de mogelijkheden behoorde.


3. De Raad overweegt het volgende.


3.1. Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van het Ambtenarenreglement 's-Gravenhage (hierna: ARG) kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Het tweede en derde lid van die bepaling luiden:

" 2. Een ontslag als bedoeld in lid 1 mag slechts plaatsvinden indien:

a. er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden;

b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van 6 maanden na de in onderdeel a genoemde periode van 24 maanden is te verwachten;

c. het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere arbeid op te dragen, dan wel indien de ambtenaar zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.

3. Onder arbeid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar ongeschikt is tot het verrichten van zijn betrekking wegens ziekte passende arbeid verstaan en gedurende de periode daarna gangbare arbeid."


3.2. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of aan de vereisten gesteld in artikel 8:5, tweede lid, onder b en c, van het ARG is voldaan.


3.3. De Raad acht voldoende vaststaan dat herstel van gedaagdes ziekte niet binnen 6 maanden te verwachten was na 1 september 1997, de datum waarop zij 24 maanden ongeschikt was tot het verrichten van haar betrekking wegens ziekte. In dit verband wijst de Raad erop dat de adviserend verzekeringsarts van de USZO Den Haag, P. Out, in een brief van 31 juli 1997 [X.] desverzocht heeft medegedeeld dat redelijkerwijs niet is te verwachten dat gedaagde op de in de aanvraag van [X.] vermelde voorgenomen ontslagdatum, 1 september 1997, en gedurende 6 maanden daarna in staat zal zijn om aan de in de functie van fysiotherapeut gestelde eisen te voldoen wegens ziekte. Gedaagde neemt op grond van het oordeel van 21 mei 1997 van prof. dr. O.R.V. Marti het standpunt in dat herstel van haar ziekte binnen een periode van 6 maanden na 1 september 1997 te verwachten was. De Raad volgt haar hierin niet. Uit het genoemde oordeel blijkt dat die medicus meent dat gedaagdes rechterknie- en rechterelleboogproblemen haar het werk moeilijk maken en dat hij zich kan voorstellen dat zij niet 100% inzetbaar is. Uit dit oordeel, dat door de adviserend verzekeringsarts Out is meegewogen, kan naar het oordeel van de Raad niet afgeleid worden dat herstel van gedaagdes ziekte binnen de vermelde periode te verwachten is. Ook overigens is de Raad van oordeel dat het ontslag van gedaagde op een voldoende draagkrachtige medische grondslag is gebaseerd. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat appellant heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 8:5, tweede lid, onder b, van het ARG.


3.4. Met betrekking tot de vraag of appellant heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 8:5, tweede lid, onder 3, van het ARG heeft appellant naar voren gebracht dat het ervoor moet worden gehouden dat hij deugdelijk heeft onderzocht wat hem dienaangaande te doen stond. In dit verband wijst appellant erop dat tussen partijen op 7 augustus 1997 een gesprek heeft plaatsgevonden waarin gedaagde appellant te kennen heeft gegeven de voorkeur te geven aan ontslag om zich te kunnen omscholen. Appellant acht het voorts van betekenis dat de oorspronkelijke ontslagdatum in overleg tussen partijen is verschoven van 1 september 1997 naar 1 december 1997 en dat gedaagde vanwege appellant een tegemoetkoming in studiekosten is verleend. Hieruit moet naar het oordeel van appellant worden afgeleid dat gedaagde geen prijs stelt op herplaatsing elders binnen het gezagsbereik van appellant. Gedaagde betwist dat appellant heeft voldaan aan de op hem ingevolge de juist genoemde bepaling rustende verplichting. Zij betoogt voorts dat uit de juist vermelde door appellant aangevoerde omstandigheden niet mag worden afgeleid dat zij zich neer heeft willen leggen bij het ontslag.


3.5. De Raad overweegt dat, zoals ook ter zitting van de Raad is gebleken, partijen het erover eens zijn dat appellant niet heeft onderzocht of er voor gedaagde binnen zijn gezagsbereik arbeid als bedoeld in artikel 8:5, tweede lid, onder c, van het ARG, in verbinding met het derde lid van die bepaling, aan gedaagde op te dragen is. Dienaangaande kan de Raad gedaagde volgen in haar stelling dat appellant de op hem ingevolge artikel 8:5, tweede lid, onder c, van het ARG, in verbinding met het derde lid van die bepaling rustende verplichting niet is nagekomen. De Raad is van oordeel dat, mede gezien de diep ingrijpende gevolgen die een ontslag in verband met arbeidsongeschiktheid voor de betrokkene met zich brengt, die bepaling door het desbetreffende bestuursorgaan nauwgezet in acht dient te worden genomen. Bij de vraag of al dan niet andere arbeid dient te worden opgedragen acht de Raad de houding van de betrokken ambtenaar niet doorslaggevend. Aan de bedoelde verplichting van appellant ziet de Raad dan ook niet afdoen dat gedaagde akkoord is gegaan met de verschuiving van de ontslagdatum en dat zij een tegemoetkoming in studiekosten heeft aanvaard. De Raad kan uit dit een en ander niet afleiden dat gedaagde haar aanspraken met betrekking tot de uit de hier aan de orde zijnde bepaling voortvloeiende verplichtingen van appellant prijs heeft willen geven. De Raad voegt hieraan nog toe dat zich hier niet de in het laatste zinsdeel van artikel 8:5, tweede lid, onder c, van het ARG voorziene situatie voordoet dat de ambtenaar weigert arbeid als bedoeld in het derde lid van die bepaling te aanvaarden, in welk geval ontslag als bedoeld in het eerste lid mag plaatsvinden.


3.6. Gelet op het vorengaande slaagt het hoger beroep van appellant niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Toepassing gevend aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht zal de Raad appellant veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep die worden begroot op f 1.420,-- aan kosten van rechtsbijstand.


Beslist wordt als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van f 1.420,--, te betalen door de gemeente Den Haag;

Bepaalt dat van de gemeente Den Haag een griffierecht van f 675,-- wordt geheven.


Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. P.G.M. Zwartkruis als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 september 2001.


(get.) H.A.A.G. Vermeulen.


(get.) D. Boers.


HD

16.08

Q