Centrale Raad van Beroep, 28-11-2001 / 99/5331 WW


ECLI:NL:CRVB:2001:BL7335

Inhoudsindicatie
Lisv: Niet is onderzocht of er sprake is van omstandigheden die maken dat de ontslagname niet aan appellant is te verwijten dan wel tot de conclusie kunnen leiden dat de werkloosheid niet in overwegende mate aan appellant te wijten is, in welk geval een maatregel wordt opgelegd bestaande in een korting op de uitkering van 35% gedurende 26 weken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-11-28
Publicatiedatum
2010-03-12
Zaaknummer
99/5331 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

99/5331 WW



U I T S P R A A K



in het geding tussen


[appellant] (Frankrijk), appellant,


en


het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant is op de in het beroepschrift, aangevuld bij brief van 30 november 1999 (met bijlage), aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 8 september 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Daarop heeft appellant bij brief van 13 juni 2000 gereageerd.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 31 oktober 2001, waar appellant met voorafgaand bericht niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij Gak Nederland B.V.



II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


Bij brief van 3 december 1997 heeft gedaagde appellant ervan in kennis gesteld dat hij met ingang van 1 oktober 1997 voldoet aan de voorwaarden van het recht op WW-uitkering, maar dat die uitkering blijvend geheel wordt geweigerd omdat sprake is van verwijtbare werkloosheid. Bij het bestreden besluit van 8 mei 1998 heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dat besluit ingesteld beroep ongegrond verklaard.


Ter zitting van de Raad is namens gedaagde meegedeeld dat het in het bestreden besluit neergelegde standpunt niet wordt gehandhaafd. Niet is onderzocht of er sprake is van omstandigheden die maken dat de ontslagname niet aan appellant is te verwijten dan wel tot de conclusie kunnen leiden dat de werkloosheid niet in overwegende mate aan appellant te wijten is, in welk geval een maatregel wordt opgelegd bestaande in een korting op de uitkering van 35% gedurende 26 weken.


Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, moet worden vernietigd en dat gedaagde opnieuw op het bezwaar van appellant dient te beslissen. Daarbij zal gedaagde tevens het verzoek tot vergoeding van renteschade in zijn beoordeling dienen te betrekken.


Van aan de zijde van appellant gemaakte, voor vergoeding in aanmerking komende, kosten is de Raad niet gebleken.


Beslist wordt als hierna is aangegeven.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Rechtdoende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde opnieuw op het bezwaar van appellant beslist;

Bepaalt dat gedaagde het door appellant in eerste aanleg en hoger beroep betaalde griffierecht van totaal f 225,-- aan hem vergoedt.



Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. Th.M. Schelfhout als leden in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 november 2001



(get.) Th. C. van Sloten.



(get.) M.D.F. de Moor.