Centrale Raad van Beroep, 04-04-2001 / 99/117 AAW/WAO


ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9197

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-04-04
Publicatiedatum
2002-10-10
Zaaknummer
99/117 AAW/WAO
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2001, 146
  • JB 2001/137 met annotatie van ARN
  • USZ 2001/163 met annotatie van W. den Ouden
Uitspraak

99/117 AAW/WAO




U I T S P R A A K



in het geding tussen:


het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,


en


[A.], wonende te [B.], gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 4 september 1997 heeft appellant de aan gedaagde toegekende uitkeringen

ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 2 november 1997 ingetrokken

op de grond dat gedaagde met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is.


Bij beslissing op bezwaar van 24 februari 1998 (hierna: het bestreden besluit) heeft

appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 4 september 1997 gegrond

verklaard, dat besluit herroepen, bepaald dat de aan gedaagde toegekende uitkeringen

ingevolge de AAW en de WAO vanaf 2 november 1997 ongewijzigd worden voortgezet en

dat de WAO-uitkering van gedaagde ingaande 13 maart 1998 wordt herzien naar een mate

van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.


De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft zich bij uitspraak van 11 december 1998

onbevoegd verklaard, met opdracht aan de griffier het beroepschrift van gedaagde aan

appellant te zenden ter behandeling als bezwaarschrift, met veroordeling van appellant in de

proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.


Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in

hoger beroep gekomen.


Namens gedaagde heeft mr. S.J.M.H. Willems, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 januari 2001, waar

appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.R. Schimmel, werkzaam bij

Gak Nederland B.V., en waar namens gedaagde is verschenen mr. Willems, voornoemd.



II. MOTIVERING


Gedaagde heeft op 1 mei 1995 zijn werk als constructietekenaar in dienst van een

adviesbureau voor bouwconstructies gestaakt wegens hoofd- en nekpijn en

spanningsklachten. Ingaande 29 april 1996 heeft hij uitkeringen ingevolge de AAW en de

WAO ontvangen van appellant, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.


Bij het primaire besluit van 4 september 1997 heeft appellant deze uitkeringen ingaande

2 november 1997 ingetrokken, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan

15% zou bedragen. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag van een

verzekeringsarts, die op grond van de diagnose hoofdpijn en een persisterende somatoforme

pijnstoornis een belastbaarheidspatroon voor gedaagde heeft opgesteld. Hierop is een

arbeidskundige beoordeling gevolgd, volgens welke er met inachtneming van die

belastbaarheid sprake is van geschiktheid voor een vijftal functies, leidend tot een mate van

arbeidsongeschiktheid van 8,7%.


Naar aanleiding van de door gedaagde in bezwaar aangevoerde bezwaren heeft de bezwaar

verzekeringsarts van appellant het belastbaarheidspatroon van gedaagde aangevuld met een

beperking ten aanzien van conflicthantering. Uitgaande van de aldus aangepaste

belastbaarheid van gedaagde is de bezwaar arbeidsdeskundige tot de slotsom gekomen dat

met uitzondering van de functie monteur koffiezetters de aan gedaagde voorgehouden

functies als niet passend moeten worden beschouwd. Vervolgens heeft de bezwaar

arbeidsdeskundige nieuwe functies voor gedaagde geselecteerd, welke op 13 januari 1998

met hem zijn besproken en leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 21,7%.


Bij het bestreden besluit heeft appellant het bezwaar van gedaagde gegrond verklaard, het

primaire besluit van 4 september 1997 herroepen en bepaald dat gedaagdes uitkeringen

ingevolge de AAW en de WAO ingaande 2 november 1997 worden voortgezet naar een

mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Voorts heeft appellant besloten gedaagdes

WAO-uitkering ingaande 13 maart 1998 te herzien en nader vast te stellen naar een mate

van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Daarbij heeft appellant nog overwogen dat de

AAW ingaande 1 januari 1998 is ingetrokken, zodat geen beslissing meer genomen hoefde

te worden omtrent de aanspraak op uitkering ingevolge die wet.


De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het geschil. Daarbij heeft

zij overwogen dat uit de aard van een besluit als hier aan de orde voortvloeit dat

heroverweging en eventueel gedeeltelijke herroeping als bedoeld in artikel 7:11 van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient plaats te vinden per dezelfde datum als waarop

het primaire besluit betrekking had en dat zij niet inziet op welke grond in het kader van

een heroverweging als evenbedoeld een nieuwe uitlooptermijn in acht genomen zou moeten

worden. Nu appellant gedaagdes WAO-uitkering heeft herzien met ingang van een datum

gelegen ruim vier maanden na 2 november 1997, is er naar het oordeel van de rechtbank

sprake van een nieuw primair besluit, waartegen op grond van het bepaalde in artikel 7:1

van de Awb eerst een bezwaarschrift moet worden ingediend bij appellant.


Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep bestreden, aanvoerende dat de heroverweging

wel dient plaats te vinden per dezelfde datum als waarop het primaire besluit betrekking

had, maar dat een eventuele herroeping van dat besluit niet steeds per dezelfde datum dient

te geschieden. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat uit 's Raads vaste rechtspraak

voortvloeit dat wanneer de aanvankelijk voorgehouden functies niet langer geschikt worden

geacht, opnieuw een uitlooptermijn van ten minste twee maanden in acht genomen moet

worden vanaf het moment dat andere - nieuwe - functies met betrokkene zijn besproken.

Voorts heeft appellant nog gewezen op het bepaalde in artikel 36b van de WAO.


De Raad overweegt het volgende.


Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt op de grondslag van het bezwaar

heroverweging plaats van het in bezwaar bestreden besluit. Voorts vloeit uit het bepaalde in

het tweede lid van dit artikel voort dat het bestuursorgaan dat besluit, voor zover de

heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept en voor zover nodig in de plaats daarvan

een nieuw besluit neemt.


Het primaire besluit van appellant van 4 september 1997 ziet op de intrekking van

gedaagdes uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO per 2 november 1997.

Heroverweging van dat besluit heeft appellant tot de slotsom gebracht dat voor gedaagde

meer beperkingen golden en dat uitgaande van het aangepaste belastbaarheidspatroon de aan

gedaagde voorgehouden functies op één na niet langer geschikt werden geacht, maar dat

gedaagde toen wel in staat was te achten andere functies te verrichten, welke op

13 januari 1998 met hem zijn besproken. Met inachtneming van de uit 's Raads rechtspraak

voortvloeiende eisen ten aanzien van de in acht te nemen uitlooptermijn, in gevallen waarin

de eerder genoemde functies niet langer worden gehandhaafd en geheel nieuwe functies

voorgehouden worden, heeft appellant de WAO-uitkering van gedaagde ingaande 13 maart

1998 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%.


De Raad is, gelet op het karakter van de bezwaarprocedure, van oordeel dat de

heroverweging van besluiten als hier aan de orde, zich er niet tegen verzet dat de

herroeping van het primaire besluit en de vervanging daarvan door een nieuw besluit ertoe

leidt dat - op grond van eisen van zorgvuldigheid - de intrekking of herziening van de

arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van een later tijdstip plaatsvindt. Daarbij acht

de Raad van belang dat het bestreden besluit is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als

het primaire besluit van 4 september 1997 en derhalve blijft binnen de grondslag en

reikwijdte van het - herroepen - primaire besluit. Een vergelijkbaar criterium wordt door de

Raad gehanteerd bij de toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb. Ten slotte

acht de Raad in dit verband nog van belang dat gedaagde door deze gang van zaken niet is

benadeeld, nu hij na de bespreking van de nieuwe functies op 13 januari 1998 tijdens de

hoorzitting op 10 februari 1998 gelegenheid heeft gehad eventuele opmerkingen over die

functies en de nader vastgestelde belastbaarheid naar voren te brengen, en dat aldus de

proceseconomie wordt bevorderd.


Dit betekent dat de grond waar de rechtbank bij de aangevallen uitspraak de

onbevoegdverklaring op heeft gebaseerd in verband met artikel 7:11 van de Awb in rechte

niet kan stand houden.


Voorts is de Raad van oordeel dat het geding nadere behandeling door de rechtbank

behoeft, nu de rechtbank haar toetsing van het bestreden besluit heeft beperkt tot het

hiervoor besproken geschilpunt en gedaagde expliciet om terugwijzing heeft verzocht.

Voorts acht de Raad hierbij nog van belang dat bij alle nader aan gedaagde voorgehouden

functies markeringen zijn vermeld, terwijl de overschrijdingen van gedaagdes belastbaarheid

in die functies niet op een voldoende (overtuigende) wijze zijn toegelicht door de bezwaar

verzekeringsarts. De Raad acht het derhalve gewenst de zaak met toepassing van artikel 26,

eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank te Dordrecht.


Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de rechtbank zich

omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog dient uit te spreken, ziet de Raad

aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk - voor het geval

het bestreden besluit niet in stand kan blijven - te veroordelen in de proceskosten van

gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1420,- voor verleende

rechtsbijstand in hoger beroep.


Beslist wordt mitsdien als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank te Dordrecht;

Veroordeelt appellant voorwaardelijk in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ad f

1420,- te betalen aan gedaagde.


Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. T.L. de Vries en

mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 4 april 2001.


(get.) N.J. Haverkamp.


(get.) J.J.B. van der Putten.


RL