Centrale Raad van Beroep, 21-02-2002 / 99/5725 AW


ECLI:NL:CRVB:2002:AE0170

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-02-21
Publicatiedatum
2002-03-14
Zaaknummer
99/5725 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

99/5725 AW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [X.], gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 september 1999, nr. AW 97/2190-SIMO, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 30 november 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.T.M. de Haan, advocaat te Rotterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.A.E. van Soest, werkzaam bij Leeuwendaal advies B.V. te Rijswijk, en A.A. Lauter, werkzaam bij de gemeente [X.].


II. MOTIVERING


1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreid overzicht van de voor dit geding relevante gegevens volstaat de Raad met de navolgende vermelding.


1.2. Appellant was werkzaam als bode in dienst van de gemeente [X.]. Op 28 september 1994 is appellant door zijn echtgenote ziek gemeld wegens psychische klachten welke verband hielden met een langdurig arbeidsconflict.


1.3. Op 10 november 1994 heeft de behandelend psycholoog C.H. van Eijnsbergen omtrent appellant een rapport uitgebracht. In dat rapport is - samengevat - geconcludeerd dat appellants in de loop der jaren gegroeide zelfstandigheid is ingeperkt, hetgeen geleid heeft tot wrijvingen welke door toedoen van zijn chef zijn geëscaleerd, dat appellant is vastgeraakt tussen een dominante chef en een dominante partner en dat het verloop van het conflict voor hem een traumatische ervaring is geworden met fobische reactie voor de werkplek. Appellant wordt blijvend ongeschikt geacht voor zijn oude werkplek en zal, mits de gezondheid van zijn partner niet verslechtert, na een periode van stabilisering in staat zijn om elders opnieuw te starten.


1.4. Bij brief van 23 februari 1995 heeft de bedrijfsarts M.T.J. Winters gedaagde medegedeeld dat beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van appellant heeft geleid tot de conclusie dat sprake is van een situatieve arbeidsongeschiktheid op medische gronden voor de functie van bode van de gemeente [X.], welke blijvend van aard is, en heeft hij geadviseerd herplaatsing te richten op een functie buiten de gemeente [X.]. Op de in het kader van de zogenoemde zesdemaandsmelding ingevulde arbeidsmogelijkhedenlijst AAW, heeft deze bedrijfsarts vermeld dat appellant in verband met een fobische reactie niet kan terugkeren naar zijn eigen werkplek, maar dat hij medisch gezien wel geschikt is voor het verrichten van andere werkzaamheden, mits dat een werkplek betreft buiten de gemeente [X.].


1.5. Gedaagde heeft op 26 april 1996 bij USZO een aanvraagformulier arbeidsongeschiktheid ingediend en daarbij aangegeven voornemens te zijn appellant met ingang van 1 oktober 1996 te ontslaan. Bij brief van 1 oktober 1996 heeft de aan het USZO verbonden adviserend verzekeringsarts A.C.J. de Boer gedaagde bericht dat redelijkerwijs is te verwachten dat appellant tot de in de aanvraag vermelde voorgenomen ontslagdatum plus zes maanden, te weten 1 april 1997, wegens ziekte niet in staat zal zijn de functie van bode te verrichten.


1.6. Bij besluit van 12 november 1996 is appellant op grond van artikel 8:5 van de Arbeidsvoorwaarden Regeling (hierna: AR) [X.] met ingang van 1 december 1996 eervol ontslag verleend uit zijn functie. Gedaagde heeft daarbij gerefereerd aan het advies van de adviserende verzekeringsarts van het USZO en overwogen dat, gelet op de aard van appellants arbeidsongeschiktheid, welke met name het gevolg was van spanningen die hij ervoer op de werkplek, het niet mogelijk is gebleken hem binnen de organisatie van de gemeente te herplaatsen. Daarbij speelde tevens een rol dat zijn opleiding en ervaring (voornamelijk in de functie van bode), aan de mogelijkheid om hem een andere functie binnen de gemeente aan te bieden in de weg stond.


1.7. Naar aanleiding van appellants bezwaar tegen dit besluit heeft de bedrijfsarts T.S. Oeij, op basis van de onderzoeken van zijn voorganger Winters en hemzelf alsmede op grond van het verrichte specialistische onderzoek betreffende de medische toestand van appellant, geconcludeerd dat sprake is van arbeidsongeschiktheid op grond van ziekte of gebrek voor de functie van bode bij de gemeente [X.], dat deze arbeidsongeschiktheid voor dienst bij de gemeente [X.] zeer waarschijnlijk van blijvende aard is gezien de werkomstandigheden, en dat terugkeer aldaar zijn gezondheidstoestand niet doet verbeteren. De bedrijfsarts Oeij heeft daarbij aangegeven dat deze laatste conclusie vrij snel na het begin van de arbeidsongeschiktheidsperiode door de bedrijfsarts Winters is getrokken, met de beoordeling dat herplaatsen binnen de gemeente [X.] een medische contra-indicatie is.


1.8. Gedaagde heeft het besluit van 12 november 1996 gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 1 april 1997. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.


2. De Raad overweegt het volgende.


2.1. Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de AR [X.] kan aan een ambtenaar eervol ontslag worden verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. In het tweede lid van dit artikel is bepaald: "Een ontslag als bedoeld in lid 1 mag slechts plaatsvinden indien:

a. er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden;

b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van 6 maanden na de in onderdeel a genoemde periode van 24 maanden is te verwachten;

c. het na een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere arbeid op te dragen, dan wel indien de ambtenaar zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden".


2.2. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of aan het vereiste in artikel 8:5, tweede lid, onder c, van de AR [X.] is voldaan en, zo ja, of gedaagde in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid.


2.3. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat er voor appellant binnen de gemeentelijke dienst van [X.] geen herplaatsingsmogelijkheden waren. De Raad wijst daarbij op de hiervoor vermelde informatie van de bedrijfsartsen Winters en Oeij en het rapport van de psycholoog Van Eijnsbergen, waaruit naar voren komt dat werkhervatting binnen de openbare dienst van die gemeente geen reële optie was en waarbij nadrukkelijk werd geadviseerd het herplaatsingsonderzoek te richten op een functie buiten de gemeente [X.]. De Raad acht tevens van belang dat, zoals van de zijde van gedaagde ter zitting is toegelicht, appellant bij herplaatsing binnen de gemeentelijke organisatie van [X.] zijn werkzaamheden vanuit het gemeentehuis zou moeten verrichten en alsdan regelmatig de chef bestuurszaken en andere betrokkenen bij het arbeidsconflict onder ogen zou komen, hetgeen medisch gecontra-indiceerd was. Onder deze omstandigheden was voldaan aan het vereiste als bedoeld in artikel 8:5 van de AR [X.] en was gedaagde bevoegd appellant eervol ontslag te verlenen.


2.4. Gedaagde heeft een eenmalig telefonisch overleg met het Bureau Herplaatsingen van de gemeente Rotterdam gepleegd. Het zorgvuldigheidsbeginsel noopte gedaagde niet tot een verdergaand herplaatsingsonderzoek. Daarbij acht de Raad van belang dat de gedingstukken, met name het rapport van de behandelend psycholoog Van Eijnsbergen, onvoldoende steun bieden voor het standpunt van appellant dat gedaagde een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en/of voortduren van de arbeidsongeschiktheid. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid.


2.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van N. Doekharan als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2002.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) N. Doekharan.


HD

15.02